<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2021:1849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:04:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/00348</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:381" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:381</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2021/1656</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2021/37.20.32</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:1849">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:1849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-06T11:51:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2021:1849 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 17-06-2021 / 20/00348</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2021:1849:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De heffingsambtenaar was bevoegd. De WOZ-waarde is niet te hoog vastgesteld. De rechtbank heeft ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2021:1849:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 20/00348</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 april 2020, nummers SHE 19/271 en 19/1251, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2018 bekendgemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1.7. De zitting heeft digitaal via een beeld- en geluidverbinding plaatsgevonden op 30 maart 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .</para>
        <para>Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 20/00350.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een winkelpand in [vestigingsplaats] . De onroerende zaak, met bouwjaar 1930, bestaat uit één bouwlaag op de begane grond en een heeft een brutovloeroppervlakte (BVO) van 56 m2</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2017 vastgesteld op € 62.000. </para>
        <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak</para>
        <para>en de aanslag gehandhaafd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van de waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar een taxatierapport van 13 januari 2020, opgesteld door [A] , waarin de waarde is getaxeerd op € 83.000.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Is de heffingsambtenaar bevoegd?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Is de waarde van onroerende zaak te hoog vastgesteld?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Heeft de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de waarde tot € 54.000 en toekenning van een immateriële schadevergoeding De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onbevoegd is, dan wel dat de ambtshalve toetsing door de rechtbank onvolledig is geweest en de uitspraak van de rechtbank daarom onvoldoende is gemotiveerd. Volgens belanghebbende moet ook worden gekeken naar het Aanwijzingsbesluit 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Met betrekking tot de bevoegdheid van de heffingsambtenaar heeft de rechtbank het volgende overwogen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“2. De rechtbank overweegt dat zij de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om de</para>
        <para>bestreden uitspraak te nemen ambtshalve toetst. De rechtbank heeft bij die ambtshalve toets</para>
        <para>in deze zaak, net als in de zaak waarin deze rechtbank uitspraak heeft gedaan op 6 december</para>
        <para>2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:7002), geen aanleiding gevonden om aan de bevoegdheid</para>
        <para>van de heffingsambtenaar te twijfelen. Dat in 2019 een nieuw Aanwijzingsbesluit is</para>
        <para>genomen, kan geen gevolgen hebben voor de bestreden uitspraak omdat deze dateert van</para>
        <para>2018. Voor wat betreft de bevoegdheid van de BSOB verwijst de rechtbank naar de</para>
        <para>uitspraak van het gerechtshof’s-Hertogenbosch van 26 oktober 2017</para>
        <para>(ECLI:NL:GHSHE:2017:4674). Met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder de</para>
        <para>uitspraak op bezwaar niet heeft ondertekend, overweegt de rechtbank dat in een geval als</para>
        <para>dit, waarin sprake is van een geautomatiseerd aangemaakte brief, de enkele omstandigheid</para>
        <para>dat ondertekening ontbreekt niet noopt tot het oordeel dat die brief daardoor niet als een</para>
        <para>rechtsgeldig besluit kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste</para>
        <para>jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de</para>
        <para>uitspraak van 7 april 2010, ECL1:NL:RVS:2010:BM0203). Het namens verweerder</para>
        <para>overgelegde verweerschrift, dat strekt tot toelichting op de uitspraak op bezwaar, bevat</para>
        <para>bovendien wel een naam en een handtekening van de heffingsambtenaar. Voor het oordeel</para>
        <para>dat het verweerschrift niet door een daartoe bevoegde persoon is ingediend, bestaat geen</para>
        <para>grond. Op de stelling van eiseres dat er sinds 2019 een nieuw Aanwijzingsbesluit is, heeft</para>
        <para>verweerder op de zitting desgevraagd aangegeven dat slechts is gewijzigd dat [B]</para>
        <para>voorheen ook invorderingsambtenaar was en nu alleen nog heffingsambtenaar. De</para>
        <para>rechtbank ziet geen reden aan deze toelichting te twijfelen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze overwegingen tot de zijne. Dat de rechtbank niet beschikte over het Aanwijzingsbesluit 2019 en is afgegaan op de door de heffingsambtenaar verstrekte informatie hierover betekent niet dat het onderzoek onvolledig was. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt overigens dat de informatie van de heffingsambtenaar in overeenstemming was met het Aanwijzingsbesluit 2019, zoals ook door belanghebbende is erkend.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.<footnote-ref linkend="_f9f33d89-c545-46e1-b9ac-53d59dcd5cc9" /> Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding voor verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De hiervoor bedoelde waarde voor niet-woningen wordt bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van systematische vergelijking met niet-woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.<footnote-ref linkend="_70b63faa-a366-4e3a-ad04-66c9d78b5a97" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para> “15. De rechtbank ziet geen reden aan verweerders taxatie en de daarop gegeven toelichting</para>
        <para>te twijfelen. Zoals verweerder heeft aangegeven is het vergelijkingsobject [adres 2]</para>
        <para>zeer goed vergelijkbaar met de onroerende zaak. Voor het oordeel dat de andere</para>
        <para>vergelijkingsobjecten niet hadden mogen worden gebruikt, ziet de rechtbank geen grond.</para>
        <para>Met de matrix is voldoende inzichtelijk gemaakt hoe met de onderlinge verschillen, zoals</para>
        <para>grootte, bouwjaar en locatie, rekening is gehouden. De hiermee verband houdende</para>
        <para>correctiefactoren hebben geleid tot de voor de onroerende zaak getaxeerde m2-prijs. De</para>
        <para>rechtbank ziet, mede gelet op de toegepaste correcties, geen reden te oordelen dat de aan de</para>
        <para>onroerende zaak toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopcijfers</para>
        <para>van de vergelijkingsobjecten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het hof acht deze overweging van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Dat wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het standpunt van belanghebbende dat kapitalisatie van de bruto-huur tot een lagere waarde leidt kan niet worden gevolgd, reeds omdat belanghebbende de door hem genoemde kapitalisatiefactor van 8,2 niet heeft onderbouwd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 3</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Het bezwaarschrift is ontvangen op 11 april 2018 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 10 december 2018. Met de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2020  is de redelijke termijn overschreden. Naar het oordeel van het hof zijn er geen omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn moet worden verlengd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft niet (tijdig) verzocht om een immateriële schadevergoeding, maar op de zitting van de rechtbank was de termijn nog niet overschreden en ook zes weken na de zitting, 19 maart 2020, zou geen sprake zijn overschrijding van de termijn. </para>
        <para>Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een situatie waarin de rechtbank ambtshalve een immateriële schadevergoeding had moeten toekennen.<footnote-ref linkend="_a209a971-93bd-41ce-b5aa-f217d7758a98" /> Een verzoek om vergoeding van schade is in een dergelijk geval niet nodig<emphasis role="italic">. </emphasis>Dat de rechtbank bij brief van 19 maart 2020 de uitspraaktermijn heeft verlengd betekent evenmin dat alsnog een dergelijk verzoek is vereist. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500. De overschrijding dient geheel te worden toegerekend aan de heffingsambtenaar. Dit geldt ook in een geval waarin de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar moet doen, als gevolg van het bepaalde in artikel 236, lid 2, Gemeentewet of artikel 30, lid 9, Wet WOZ , langer is dan een half jaar.<footnote-ref linkend="_67763a47-aef4-4a25-a218-b83e68c16ef5" /></para>
        <para>Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de zowel in bezwaar- als in de beroepsfase gezamenlijk behandelde zaak 20/00350 sprake van in hoofdzaak betrekking hebbend op één onderwerp. </para>
        <para>Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012<footnote-ref linkend="_8cd6af5e-55a5-4a99-a794-dbe28c0716ac" /> volgt dat sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Deze beslissing is genomen voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb. Het hof ziet geen reden om voor de toepassing van de toekenning van een immateriële schadevergoeding anders te oordelen.</para>
        <para>Dit betekent dat slecht éénmaal een schadevergoeding is verschuldigd en in dit geval de vergoeding moet worden vastgesteld op € 250.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover geen immateriële schadevergoeding is toegekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 532 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)<footnote-ref linkend="_e2f810ff-e0dc-4a03-9cf6-21d4eccfd406" /> x € 534 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 534.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Vanwege de samenhang met de zaak 20/00351, waarin het incidentele hoger beroep ook alleen gegrond is vanwege het niet toekennen door de rechtbank van de immateriële schadevergoeding, wordt de tegemoetkoming in deze zaak vastgesteld op € 267.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor het ontbreken van de beslissing over de immateriële schadevergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 250;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 532 vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 267.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f9f33d89-c545-46e1-b9ac-53d59dcd5cc9" label="1">
    <para> Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_70b63faa-a366-4e3a-ad04-66c9d78b5a97" label="2">
    <para> Artikel 4, lid 1, letter b, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a209a971-93bd-41ce-b5aa-f217d7758a98" label="3">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2</para>
  </footnote>
  <footnote id="_67763a47-aef4-4a25-a218-b83e68c16ef5" label="4">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.2</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8cd6af5e-55a5-4a99-a794-dbe28c0716ac" label="5">
    <para> ECLI:NL:HR:2012:BX0892.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2f810ff-e0dc-4a03-9cf6-21d4eccfd406" label="6">
    <para> 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>