<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2020:285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-19T18:00:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.263.621/02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2020-0048</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-07T09:39:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2020:285 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-01-2020 / 200.263.621/02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2020:285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek waarmerking als Europese executoriale titel o.g.v. EET –Vo ; toedeling faillissementskosten bij arrest na vernietiging faillissement aan oorspronkelijke aanvrager; materiaal toepassingsgebied EET –Vo; niet van toepassing op faillissementsbeslissing gezien artikel 2 EET-Vo; artikel 31 Insolventie- Vo (herschikt) ziet op faillissementsbeslissing ; niet –ontvankelijk; ook geen ‘niet-betwiste schuldvordering’.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2020:285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH     </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak		: 30 januari 2020</para>
      <para>Zaaknummer		: 200.263.621/02</para>
      <para>Zaaknummer hoofdzaak	: 200.263.621/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>hierna te noemen: [verzoeker] ,</para>
      <para>advocaat: mr. A.J. van der Knijff ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [schuldenaar] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] , Duitsland<?linebreak?>schuldenaar,</para>
      <para>hierna te noemen: [schuldenaar] ,</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar het arrest van dit hof van 3 oktober 2019 als onder rolnummer 200.263.621/01 gewezen, waarbij het verzoek van [schuldenaar] tot faillietverklaring van [de vennootschap] in hoger beroep alsnog is afgewezen. Hierbij is tevens bepaald dat de faillissementskosten ter grootte van € 23.144,02 inclusief BTW, als gemaakt door [verzoeker] , ten laste komen van [schuldenaar] .<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het onderhavige verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2019, heeft [verzoeker] op grond van artikel 2 Uitvoeringswet Verordening Europese Executoriale titel (hierna UW EET) verzocht voormeld arrest te waarmerken als een Europese Executoriale Titel, nu [schuldenaar] niet vrijwillig het door haar verschuldigde heeft voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [schuldenaar] is conform artikel 2 UW EET niet opgeroepen of in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De uitspraak is, mede vanwege de periode van feestdagen, vertraagd bepaald op heden.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verordening  (EG) 805/2004 van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet- betwiste schuldvorderingen (hierna EET Vo) bepaalt in artikel 2 haar toepassingsgebied. Uit artikel 2 lid 2 onder b EET Vo blijkt dat de EET Vo niet van toepassing is op “<emphasis role="italic">het faillissement (…) en soortgelijke procedures</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De beslissing als ten grondslag gelegd aan het onderhavige verzoek is, nu deze ziet op het salaris van de curator en bijbehorende verschotten in verband met het faillissement als door het vernietigde vonnis uitgesproken per 23 juli 2019, uit de aard der zaak gegeven in het kader van een faillissementsprocedure als in artikel 2 lid 2 onder b EET Vo bedoeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [verzoeker] is dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Voor erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing binnen de Europese Unie (behoudens Denemarken) wijst het hof op de werking van artikel 32 van de Herschikte Insolventieverordening (EU 2015/848)</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Ten overvloede zij nog opgemerkt dat als [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn geweest, dan kan worden betwijfeld of in deze wel sprake is van een ‘niet-betwiste schuldvordering” als bedoeld in artikel 3 EET Vo. [schuldenaar] heeft immers zowel in eerste aanleg als in hoger beroep inhoudelijk nadere standpunten betrokken.<?linebreak?>Voor zover in deze alsdan artikel 7 EET Vo zou moeten worden bezien - aannemende dat onder ‘proceskosten’ in die bepaling ook de onderhavige kosten zouden vallen -, geldt dat [schuldenaar] zich blijkens onderdeel 10 van haar verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verzet tegen de uiteindelijk in de beslissing opgenomen toedeling en dus door haar dragen van de faillissementskosten. Het verzoek zou alsdan dus zijn afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De aard van de procedure brengt met zich dat geen beslissing over proceskosten wordt gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en            A.P. Zweers-van Vollenhoven en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>