<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2020:2629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:40:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00632</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/2170</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/59.31.12</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-2617</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020091119</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2629">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-10T16:13:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2020:2629 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-08-2020 / 19/00632</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2020:2629:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Heffing van motorrijtuigenbelasting valt niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Geen recht op vergoeding van rente over terugbetaling van nageheven motorrijtuigenbelasting. Verzoek om vergoeding van (immateriële) schade afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2020:2629:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummers: 19/00632</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 september 2019, nummer BRE 18/2718, in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">belanghebbende,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) over de periode 15 juni 2017 tot en met 14 september 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij tussenuitspraak van 13 maart 2020<footnote-ref linkend="_8d6a380a-f3a6-4705-a401-41094755589f" /> heeft het hof gemachtigde geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaken dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is van 2 februari 2017 tot en met 22 januari 2018 houder geweest van een personenauto van het merk Volkswagen met het kenteken [kenteken] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 19 juni 2017 heeft de inspecteur een rekening gestuurd voor de voldoening van de verschuldigde MRB over de periode 15 juni 2017 tot en met 14 september 2017. De uiterste betaaldatum was 19 juli 2017. Het te betalen bedrag bedraagt € 97. Dit bedrag is niet uiterlijk op 19 juli 2017 betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Met dagtekening 1 september 2017 is een naheffingsaanslag opgelegd over voormelde periode naar een bedrag van € 97. Tevens is een verzuimboete van € 52 opgelegd. De naheffingsaanslag is intern vastgesteld op 21 augustus 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 25 augustus 2017 heeft belanghebbende alsnog de rekening van € 97 voldaan. Op 11 september 2017 heeft belanghebbende de naheffingsaanslag (inclusief boete) betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 13 september 2017 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op 18 september 2017 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot nihil, omdat de verschuldigde belasting op 25 augustus 2017 alsnog was voldaan. De boetebeschikking is in stand gebleven. Op 25 september 2017 is een bedrag van € 97 terugbetaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:</para>
      <para>1. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het terugbetaalde bedrag van € 97?</para>
      <para>2. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep?</para>
      <para>3. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de kosten van bezwaar respectievelijk beroep?</para>
      <para>4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van het betaalde griffierecht?</para>
      <para>5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over de onder 2 tot en met 4 vermelde vergoedingen?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Overwegingen vooraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het hof heeft in een tussenuitspraak van 13 maart 2020<footnote-ref linkend="_20ab5739-0f20-4861-89da-4b86b1ffd89a" />, geoordeeld dat gemachtigde geweigerd wordt om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaken dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1. Rentevergoeding over terugbetaalde belasting?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende is van mening dat het Unierecht van toepassing is en dat om die reden recht bestaat op vergoeding van in strijd met het Unierecht geheven belasting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat het heffen van MRB niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt, omdat (1) de heffing van MRB een nationaalrechtelijke aangelegenheid is, (2) de heffing in concreto een zuiver interne situatie zonder mogelijke schending van unierechtelijke verkeersvrijheden betreft en (3) de verzuimboete is opgelegd op grond van nationaal recht, terwijl met die boete niet wordt beoogd de schending van unierechtelijke normen te bestraffen<footnote-ref linkend="_0ef17cec-f8fb-4a76-826c-6233b65b8ba2" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Ook de bepalingen van nationaal recht geven geen grond voor vergoeding van belastingrente.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2. (Immateriële) schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Belanghebbende meent dat de rechtbank een (immateriële) schadevergoeding had moeten toekennen, ondanks het feit dat er geen verzoek daartoe is ingediend. Volgens belanghebbende was ten tijde van de zitting bij de rechtbank de tweejaarstermijn nog niet overschreden, maar bij het doen van uitspraak wel en had de rechtbank zich zelfstandig moeten uitlaten over de vraag of recht bestond op een immateriële schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De inspecteur stelt zich op het standpunt dat als begindatum uitgegaan moet worden van de motivering van het bezwaarschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hof verwerpt dit standpunt van de inspecteur. Zoals uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt, vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij het vaststellen van de gehanteerde termijnen rekening is gehouden met de omstandigheid dat in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen aan partijen vier weken de tijd wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift, en dat het ook niet ongebruikelijk is dat aan partijen vier weken uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere processtukken. Van het tijdsverloop dat daarmee gemoeid is, kan niet worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid.<footnote-ref linkend="_de2129ee-446c-44b3-98d1-07003b3da2ce" /> Het feit dat belanghebbende aanvankelijk een proforma bezwaarschrift heeft ingediend en dit op een later tijdstip heeft gemotiveerd, vormt dus geen bijzondere omstandigheid voor verlenging van de termijn van twee jaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof verwerpt ook het standpunt van belanghebbende. In de regel dient een verzoek te worden gedaan voor een (immateriële) schadevergoeding. Een dergelijk verzoek dient uiterlijk op de zitting te worden gedaan. Dat geldt ook indien ten tijde van de zitting de redelijke termijn nog niet is overschreden, maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Algemene wet bestuursrecht, verstrijkt<footnote-ref linkend="_5a03efcf-0764-4957-a701-f093a7d8eb9c" /> of – zoals in dit geval – de termijn van twee weken voor het doen van een mondelinge uitspraak. De rechtbank was dan ook niet verplicht om ambtshalve te beoordelen of recht bestond op een (immateriële) schadevergoeding.</para>
        <para>Het vorenstaande neemt niet weg dat een verzoek om (immateriële) schadevergoeding ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. In dat geval geldt wel dat de redelijke termijn tussen het indienen van bezwaar en het doen van uitspraak in hoger beroep vier jaar bedraagt.<footnote-ref linkend="_716f8a51-8eba-42f8-b1fd-df71a2279c04" /> Die termijn is echter niet overschreden aangezien het hof binnen vier jaar na indiening van het bezwaar uitspraak doet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3. Vergoeding van (proces)kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat het bezwaar gegrond was omdat de inspecteur de naheffingsaanslag ambtshalve heeft verminderd vanwege de betaling op 25 augustus 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de door de inspecteur overgelegde gegevens volgt dat de naheffingsaanslag intern is opgemaakt op 21 augustus 2017. Voorts heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat deze naheffingsaanslag vervolgens enkele dagen daarna is verzonden en dat het gebruikelijk is om de dagtekening iets later te zetten. Het hof heeft geen reden om hieraan te twijfelen.</para>
        <para>Dit betekent dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag nog geen betaling had plaatsgevonden van de verschuldigde belasting en deze naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Er is dan ook geen sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.<footnote-ref linkend="_691ebdc6-170a-484a-849b-a16da17519bb" /></para>
        <para>Er bestaat dan ook geen recht op vergoeding van de kosten van bezwaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overig</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Aangezien belanghebbende geen recht heeft op een immateriële schadevergoeding en ook geen recht heeft op vergoeding van (proces)kosten, is er ook geen recht op een rentevergoeding daarover.</para>
        <para>Omdat het beroep en hoger beroep ongegrond zijn, bestaat er ook geen reden voor vergoeding van griffierecht en dus ook niet voor vergoeding van rente daarover. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8d6a380a-f3a6-4705-a401-41094755589f" label="1">
    <para> Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:892.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20ab5739-0f20-4861-89da-4b86b1ffd89a" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2020:892.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ef17cec-f8fb-4a76-826c-6233b65b8ba2" label="3">
    <para> vgl. HvJ 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105 in de zaak Åkerberg Fransson r.o. 28 en Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de2129ee-446c-44b3-98d1-07003b3da2ce" label="4">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onderdeel 3.6.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a03efcf-0764-4957-a701-f093a7d8eb9c" label="5">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onderdeel 3.13.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_716f8a51-8eba-42f8-b1fd-df71a2279c04" label="6">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onderdeel 3.13.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_691ebdc6-170a-484a-849b-a16da17519bb" label="7">
    <para> Artikel 7:15, lid 2, Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>