<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2020:2249</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:36:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00656 en 19/00657</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2021:718" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:718, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/1994</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/50.1.1</rdf:li>
          <rdf:li>Vp-bulletin 2020/48 met annotatie van J.M.P. Tobben, S.G.M.J. Rebbens</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/1831</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/2523 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-2342</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020081404</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2249">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:2249</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-13T15:05:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2020:2249 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-07-2020 / 19/00656 en 19/00657</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2020:2249:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belanghebbende heeft in 2014 en 2015 betaalde hypotheekrentebedragen (voor een woning) op een restschuld bij de gemeente [plaats 2] op grond van artikel 3.120a Wet IB 2001 in aftrek gebracht. De inspecteur heeft dit gecorrigeerd. Het hof is van oordeel dat dit terecht is geweest omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende nooit in deze woning heeft gewoond. Daarom kan deze woning geen “eigen woning” in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 zijn geweest en bestaat er geen recht op aftrek van hypotheekrente op grond van de restschuldregeling van artikel 3.120a Wet IB 2001. Overigens voldoet belanghebbende ook niet aan de in het tweede lid van artikel 3.120a Wet IB 2001 vermelde eis dat de “eigen woning” moet zijn verkocht in de periode  van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 omdat de woning op 27 februari 2010 is verkocht. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom ongegrond verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2020:2249:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kenmerk: 19/00656 en 19/00657</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] , </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats 1] (Duitsland),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de rechtbank) van 8 november 2019, nummers BRE 18/2152 en 18/2153 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">belanghebbende,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>betreffende de hierna vermelde aanslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende zijn de volgende (navorderings)aanslagen (hierna tezamen ook wel genoemd: de aanslagen) opgelegd:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.47.01 is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.716. Tegelijk met de navorderingsaanslag is een beschikking belastingrente gegeven van € 839.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.56.01 is over het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.532. Tegelijk met de aanslag is een beschikking belastingrente gegeven van € 43.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken de aanslagen gehandhaafd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank.	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het hof als vaststaand overneemt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“2.1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie</para>
      <para>volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2014 een belastbaar inkomen uit werk en</para>
      <para>woning aangegeven van € 29.678 en een aftrek hypotheekrente van € 32.596. Van de aftrek</para>
      <para>hypotheekrente ziet een bedrag van € 11.273 op de rente voor de restschuld bij de ‘gemeente</para>
      <para>
        [plaats 2] ’ voor de woning aan de [adres] te [plaats 3] . De woning te</para>
      <para>
        [plaats 3] is op 27 februari 2010 verkocht met verlies. Voor de restschuld is met de gemeente</para>
      <para>
        [plaats 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten. De definitieve aanslag IB/PVV 2014 is</para>
      <para>door de inspecteur overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn aangifte IB/PVV 2015 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en</para>
      <para>woning aangegeven van € 30.941 en een aftrek hypotheekrente van € 35.754. Van de aftrek</para>
      <para>hypotheekrente ziet een bedrag van € 11.372 op de hiervoor vermelde restschuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de aanslagregeling 2015 heeft de inspecteur het inkomen uit werk en woning</para>
        <para>gecorrigeerd met € 21.591 ter zake van een lagere aftrek saldo eigen woning. Bij de</para>
        <para>definitieve aanslag met dagtekening 1 december 2017 is het belastbaar inkomen uit werk en</para>
        <para>woning vastgesteld op € 52.532.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van de aanslagregeling 2015 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag</para>
        <para>IB/PVV 2014 opgelegd. Hierin is het inkomen uit werk en woning verhoogd met € 19.038</para>
        <para>vanwege een lagere aftrek saldo eigen woning. In de navorderingsaanslag met dagtekening 2</para>
        <para>december 2017 is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 48.716.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de betaalde rentebedragen over de restschuld bij de gemeente [plaats 2] zijn aan te merken als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zoals bedoeld in artikel 3.120a Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Tussen partijen zijn de overige correcties met betrekking tot de aftrekbare kosten van de eigen woning niet in geschil.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag voor het jaar 2014 tot een berekend naar een  belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.443 en vermindering van de navorderingsaanslag voor het jaar 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.160. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Naar het hof begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de rente over de restschuld bij de gemeente [plaats 2] aftrekbaar is als rente bedoeld in artikel 3.120a Wet IB 2001. Belanghebbende is van mening dat het niet in aanmerking nemen van deze rente bij hem leidt tot een onevenredig nadeel. Hierbij beroept hij zich op redelijkheid en billijkheid en de hardheidsclausule.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft ten aanzien van de toepassing van artikel 3.120a Wet IB 2001 het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘2.4. De woning is op 27 februari 2010 verkocht. Gelet op artikel 3.120a, tweede lid.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wet IB 2001 valt deze datum niet binnen de in die bepaling genoemde periode van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017. Nu de wetgever heeft bepaald dat artikel</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.120a Wet IB 2001 alleen van toepassing is op verkopen na 29 oktober 2012 kan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">betaalde rente over de restschuld niet in aftrek worden genomen. De inspecteur heeft dus</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">terecht de hypotheekrente over de restschuld niet in aftrek toegestaan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 3.120a Wet IB 2001 blijkt dat de wetgever</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bewust voor de ingangsdatum van 29 oktober 2012 heeft gekozen (zie Kamerstukken II,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2012-2013, 33 405, nr. 16). De rechtbank moet deze keuze van de wetgever respecteren en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mag niet de innerlijke waarde of de billijkheid van een wet beoordelen.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft - onder verwijzing naar bijlage 18 bij het in eerste aanleg ingediende verweerschrift – aannemelijk gemaakt dat de in 2.1 bedoelde woning geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 is geweest omdat belanghebbende volgens de gegevens van de Basisregistratie Personen nooit in die woning heeft gewoond. Belanghebbende heeft dit weliswaar weersproken doch heeft niets ter onderbouwing van zijn stelling in het geding gebracht. In dat geval kan de in geschil zijnde hypotheekrente die ziet op de restschuld reeds niet aftrekbaar zijn omdat de restschuld regeling van artikel 3.120a Wet IB 2001 slechts ziet op een vervreemde “eigen woning” zoals bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001. Voor het geval de restschuld wel op een “eigen woning” in voormelde zin ziet is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juist oordeel heeft gegeven over de toepassing van artikel 3.120a Wet IB 2001..</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft zich ook beroepen  op toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule. De in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, komt echter niet toe aan de rechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Belanghebbendes stelling wordt derhalve verworpen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep ongegrond, en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van L.H.C. Mengelers, als griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020                 </para>
      <para>en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>