<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2020:1569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:31:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00711</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2021:291" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:291</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/1366</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/40.1.2</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/1243</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-1652</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020052516</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:1569">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2020:1569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-12T17:52:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2020:1569 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-05-2020 / 19/00711</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2020:1569:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidskorting. De pensioeninkomsten betreffen inkomsten uit vroegere arbeid waardoor de arbeidskorting door de inspecteur terecht niet is verleend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2020:1569:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kenmerk: 19/00711</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] , </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 oktober 2019, nummer BRE 18/1982, in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">belanghebbende,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft bepaald dat een zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1948. Hij heeft vanaf 1966 pensioenrechten opgebouwd in het kader van zijn dienstbetrekking bij het ministerie van Defensie. Nadat belanghebbende zijn functionele leeftijdsontslag kreeg, is de pensioenopbouw door blijven lopen tot aan de pensioeningangsdatum. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In 2016 ontving belanghebbende een pensioenuitkering van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) van € 42.695 en een AOW-uitkering van € 10.044.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In de aangifte IB/PVV voor 2016 heeft belanghebbende de inkomsten die hij verkreeg van ABP vermeld onder de rubriek ‘Loon of uitkering Ziektewet’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV 2016 is aan belanghebbende de arbeidskorting verleend van € 1.407.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De inspecteur is bij de aanslagregeling afgeweken van de aangifte IB/PVV 2016 en de zojuist genoemde voorlopige aanslag en heeft het inkomen van ABP aangemerkt als inkomsten uit vroegere arbeid. De arbeidskorting is hierdoor komen te vervallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de pensioeninkomsten van ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt waarvoor geen recht op de arbeidskorting geldt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De inspecteur vindt het tegenovergestelde.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag conform de aangifte en tot evenredige vermindering van de rentebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De arbeidskorting geldt op grond van artikel 8.11, lid 1, Wet IB voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Arbeidsinkomen wordt ingevolge artikel 8.1, lid 1, sub e, Wet IB gedefinieerd als het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige uit tegenwoordige arbeid is genoten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de pensioeninkomsten van ABP uitgesteld loon vormen. Dit uitgestelde loon dient dus te worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor recht ontstaat op arbeidskorting, aldus belanghebbende. Over de pensioenpremies is volgens belanghebbende al belasting betaald tijdens de opbouwfase, waardoor de uitbetaling onbelast zou moeten zijn. Daarnaast stelt belanghebbende dat ABP hem volgt in zijn standpunt dat de pensioeninkomsten geen uitkering vormen, maar uitgesteld loon. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is voor het onderscheid tussen inkomen uit tegenwoordige arbeid en inkomen uit vroegere arbeid beslissend of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen maar slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid.<footnote-ref linkend="_bfbdea38-fa45-4c84-bdd2-0c253f4b2c66" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De pensioeninkomsten van ABP zijn naar het oordeel van het hof inkomsten die hun oorzaak vinden in het voorheen verrichten van arbeid. Er is dus sprake van loon uit vroegere arbeid, waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor de arbeidskorting. Dat de pensioenopbouw is voortgezet tijdens een periode waarin geen arbeid is verricht, doet daar niet aan af. De pensioenopbouw zag namelijk ook in zoverre op de arbeid die daarvóór is verricht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Hetgeen belanghebbende aanvoert brengt het hof niet tot een ander oordeel. Belanghebbende stelt, naar het hof begrijpt, dat in de opbouwfase van de pensioenrechten over de pensioenpremies belasting is geheven. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, is deze blote stelling niet met enig bewijs onderbouwd. Dat is in hoger beroep niet anders. Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, kan de stelling niet leiden tot een recht op de arbeidskorting. De juistheid van die stelling heeft weliswaar invloed op de wijze waarop (loon- en inkomsten)belasting wordt geheven over de pensioeninkomsten, maar laat onverlet dat ter zake van die inkomsten geen recht bestaat op de arbeidskorting. De pensioeninkomsten zijn immers steeds inkomsten uit vroegere arbeid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende geen recht op de arbeidskorting. Het hoger beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de uitspraak van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door  P.C. van der Vegt, voorzitter, V.M. Daalen-Mannaerts en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van S.B.A. Vriens, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is alleen door de griffier ondertekend aangezien de raadsheer is verhinderd deze te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bfbdea38-fa45-4c84-bdd2-0c253f4b2c66" label="1">
    <para> Bijv. HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:165.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>