<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2019:4501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-13T13:57:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.255.383_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=449&amp;g=2014-01-01">Burgerlijk Wetboek Boek 1 449</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:4501">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:4501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-13T13:55:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2019:4501 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-12-2019 / 200.255.383_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2019:4501:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek beëindiging bewind ex artikel 1:449 lid 2 BW in hoger beroep alsnog toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2019:4501:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 12 december 2019</para>
      <para>Zaaknummer: 200.255.383/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: 7160678 TE VERZ 18-835</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de rechthebbende]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: de rechthebbende,</para>
      <para>advocaat: mr. I. Willems-Reinacher.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- mevrouw [de bewindvoerder] (hierna te noemen: de bewindvoerder).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- [de budgetconsulent] , budgetconsulent gemeente [gemeente] (hierna te noemen: de budgetconsulent). </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, team Toezicht, van 29 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 februari 2019, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat het bewind wordt opgeheven, kosten rechtens. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Er is geen verweerschrift binnengekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de rechthebbende, bijgestaan door mr. Willems-Reinacher;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bewindvoerder, mevrouw [de bewindvoerder] . </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 november 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 15 maart 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de bewindvoerder d.d. 2 april 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de budgetconsulent d.d. 14 oktober 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 25 oktober 2019. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij beschikking van 14 oktober 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een bewind ingesteld over de goederen die [de rechthebbende] als rechthebbende (zullen) toebehoren, met benoeming van [holding] Holding B.V., h.o.d.n. [bewind] Bewind, als bewindvoerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bij beschikking van 4 februari 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant de huidige bewindvoerder benoemd als opvolgend bewindvoerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant </para>
        <para>het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechthebbende voert, kort samengevat, het volgende aan.</para>
        <para>Zij moet al 15 jaar leven van een WAO-inkomen van circa € 1.400,- per maand en tot 2013 is het haar gelukt om met dit beperkte inkomen rond te komen en haar financiën zelfstandig te regelen. </para>
        <para>Het bewind is in 2013 ingesteld omdat er bij haar sprake was van een problematische schuldensituatie. Er was een aantal schulden ontstaan - een schuld aan CZ en een onverwachte terugvordering vanuit het PGB-budget van haar zoon - en vanwege de wettelijke verhogingen liepen deze schulden op en ontstonden er meer schulden, aangezien het ene gat met het andere moest worden gevuld.</para>
        <para>Gebleken is dat de bewindvoerder ter zitting in eerste aanleg onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de aflossing van een energie-afrekening. De betreffende energierekening was op dat moment al volledig betaald. </para>
        <para>Het schuldhulpverleningstraject is inmiddels ook afgelopen en het verstrekte saneringskrediet is volledig afgelost. </para>
        <para>Een bewind is niet langer passend, nu er voldoende waarborgen zijn via de gemeente. </para>
        <para>Na beëindiging van het bewind zal de rechthebbende door de gemeente worden bijstaan in de vorm van budgetbeheer. Zij zal voldoende begeleiding krijgen, waarbij haar inkomsten door de gemeente worden beheerd en zij net als bij het bewind enkel leefgeld ter beschikking krijgt. Daarnaast wordt de rechthebbende door de gemeente in staat gesteld om diverse cursussen te volgen, zodat er op termijn kan worden toegewerkt naar zelfredzaamheid. De “preventiecursus &amp; ordenen administratie” is inmiddels afgerond. </para>
        <para>De rechthebbende heeft de afgelopen jaren bovendien laten zien dat zij goed heeft meegewerkt aan een beëindiging van haar schulden, waarbij zij haar verantwoordelijkheid heeft genomen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De bewindvoerder voert ter zitting, kort samengevat, het volgende aan. </para>
        <para>Het was in eerste aanleg voor de bewindvoerder van belang dat eerst het schuldsaneringstraject in positieve zin zou zijn afgerond en dat de schulden van de rechthebbende waren afgelost. Aan deze voorwaarden is nu voldaan. Daarnaast is het van belang dat de rechthebbende naar zelfredzaamheid wordt begeleid. Sinds het verzoek van de rechthebbende om het bewind te beëindigen heeft de bewindvoerder in dit kader geen stappen meer ondernomen. Deze begeleiding kan desgewenst ook via de gemeente lopen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Het hof komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.7.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve, het bewind opheffen indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.2.</nr>
        <para>Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het bewind niet langer bestaat. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof neemt daarbij het volgende in overweging.</para>
          <para>Het bewind is in 2013 ingesteld omdat er bij de rechthebbende sprake was van een problematische schuldensituatie.</para>
          <para>De afgelopen jaren heeft de rechthebbende een minnelijk schuldhulptraject doorlopen. Inmiddels is gebleken dat het minnelijk traject succesvol is afgerond en dat het verstrekte saneringskrediet in februari 2019 is afgelost. </para>
          <para>Uit de stukken is verder gebleken dat de energienota, die eerder tot een nieuwe schuld had geleid, reeds in november 2018 is afgelost. </para>
          <para>Dit maakt dat er sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de bestreden beschikking. Op dat moment had de rechthebbende het schuldhulptraject nog niet volledig doorlopen en was het niet helder of de rechthebbende in staat was om haar financiën zelfstandig te beheren. Om die redenen heeft de kantonrechter het niet raadzaam geacht om het bewind eerder te beëindigen. </para>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is echter gebleken dat de rechthebbende zeer gemotiveerd is om op zorgvuldige wijze naar zelfredzaamheid toe te werken en dat zij er alles aan zal doen om te voorkomen dat zij opnieuw in een problematische schuldensituatie zal geraken. Zij heeft inmiddels een preventiecursus van de gemeente gevolgd en is gemotiveerd om de overige (financiële) cursussen die de gemeente aanbiedt eveneens te gaan volgen. </para>
          <para>Verder wordt van belang geacht dat de rechthebbende voorlopig nog gebruik zal maken van de mogelijkheid van budgetbeheer, waarbij zij net als bij het bewind enkel zal beschikken over leefgeld. In dit kader heeft het hof er voldoende vertrouwen in dat de rechthebbende voldoende begeleiding vanuit de gemeente zal (blijven) vragen om naar zelfredzaamheid toe te werken.</para>
          <para>Ten slotte neemt het hof in overweging dat de rechthebbende vóór 2013 jarenlang in staat is geweest om rond te komen van haar inkomen, dat het haar gedurende het schuldhulptraject is gelukt om rond te komen van € 45,- leefgeld per week en zij het afgelopen jaar geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan.</para>
          <para>Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat de noodzaak van het bewind niet langer bestaat. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de rechthebbende tot beëindiging van het bewind alsnog toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, team Toezicht, van 29 november 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>heft op, met ingang van de datum waarop deze beschikking in kracht van gewijsde gaat<emphasis role="italic">,</emphasis> het bewind over de goederen van [de rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] op <?linebreak?>[geboortedatum] 1963, wonende aan [adres] , [postcode] te [woonplaats] ; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording overlegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hen beiden voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bureau Toezicht van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, overlegt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en <?linebreak?>M.I. Peereboom-van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019 in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>