<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2019:432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-04T10:05:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.250.056_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=30p&amp;g=2017-09-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 30p</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=806&amp;g=2002-01-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 806</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=358&amp;g=2005-10-15">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 358</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 201/196</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2019/97</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2019/39 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:432">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-07T13:36:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2019:432 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-02-2019 / 200.250.056_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2019:432:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>beroep tegen mondelinge uitspraak is door appellante te laat ingesteld. De dag waarop de mondelinge uitspraak plaatsvindt geldt als de dag van de uitspraak. </para>
        <para>Geen verschoonbare feiten of omstandigheden. </para>
        <para>Artikel 30 p Rv en  artikel 806 lid 1 juncto 358 lid 2 Rv</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2019:432:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 7 februari 2019</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.250.056/01</para>
      <para>Zaaknummer 1e aanleg	: C/01/336028 / JE RK 18-1003</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. A.Ph.M. Hamelers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Stichting Jeugdbescherming Brabant</emphasis>
        <emphasis role="bold">,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoor houdende te [kantoorplaats] ,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming,</para>
      <para>regio: Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van <?linebreak?>de rechtbank Oost-Brabant, zoals uitgesproken op 16 augustus 2018 en vastgelegd op <?linebreak?>22 augustus 2018 onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van haar zoon [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties heeft de GI primair verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Subsidiair verzoekt de GI het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de moeder, bijgestaan door mr. Hamelers;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>De raad heeft het hof vooraf bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Ingevolge artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen. Met deze bepaling is niet beoogd afbreuk te doen aan de bestaande praktijk met betrekking tot de mondelinge uitspraak in welke situatie onder meer de volledige schriftelijke uitwerking van de uitspraak zo spoedig mogelijk na de mondelinge uitspraak beschikbaar dient te zijn, waarbij valt uit te gaan van een termijn van uiterlijk twee weken. </para>
          <para>De dag waarop de mondelinge uitspraak plaatsvindt geldt als de dag van de uitspraak. Die dag is bepalend voor de aanvang van de rechtsmiddeltermijn met betrekking tot de uitspraak (vgl. HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650). </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 806 lid 1 jo 358 lid 2 Rv kan de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep instellen.   </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof stelt vast dat de rechtbank Oost-Brabant in de onderhavige procedure op <?linebreak?>16 augustus 2018 mondeling uitspraak heeft gedaan. Deze uitspraak is schriftelijk <?linebreak?>vastgelegd op 22 augustus 2018. Aan de moeder is ingevolge artikel 805 lid 1 Rv een afschrift van de bestreden beschikking verzonden.</para>
          <para>Ingevolge hetgeen hiervoor is overwogen is de beroepstermijn geëindigd op <?linebreak?>16 november 2018. Zulks wordt door de moeder overigens ook niet betwist. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>Nu het beroepschrift eerst op 21 november 2018 is ontvangen, derhalve vijf dagen na het verstrijken van de beroepstermijn terwijl verder niet is gebleken van verschoonbare feiten of omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen, brengt dit met zich dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar beroep.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, L.Th.L.G. Pellis en J.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019 in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>