<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2019:2275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-27T10:27:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.228.704_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2017:1648" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:1648</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:2275">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:2275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-27T10:27:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2019:2275 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-06-2019 / 200.228.704_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2019:2275:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Broers. Geldlening. Vennootschap. Akte? Persoonlijke aansprakelijkheid? Tegenbewijs (akte) en bewijslevering (bedrog).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2019:2275:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.228.704</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 25 juni 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,</para>
      <para>advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,</para>
      <para>advocaat: mr. E.R.Th.A. Luijten te Heerlen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 15 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 februari 2017, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellant (hierna [appellant] ) als gedaagde en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/223204 / HA ZA 16-414)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- de dagvaarding in hoger beroep;</para>
    <para>- de memorie van grieven in principaal appel, met productie;</para>
    <para>- de memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel, met productie;</para>
    <para>- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.</para>
    <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>Partijen zijn broers van elkaar.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 29 september 2011 hebben partijen een overeenkomst van geldlening (hierna ook: de onderhandse akte of de overeenkomst) ondertekend waarin onder meer staat dat [geïntimeerde] aan [appellant] op genoemde dag een bedrag van € 100.000,- heeft geleend. De lening is aangegaan tot uiterlijk 31 december 2014. Over het gehele bedrag is, volgens de overeenkomst, een contractuele rente verschuldigd van 8% per maand (kennelijk is bedoeld: 8% per jaar, maandelijks te voldoen; inleidende dagvaarding, 4).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Door of namens [appellant] is in totaal € 17.500,00 op de lening afgelost en € 8.183,33 aan rente betaald.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft - samengevat - in eerste aanleg gevorderd: veroordeling van [appellant] (en diens echtgenote hoofdelijk) tot betaling van € 82.500,- vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar tot de dag der algehele voldoening en de kosten van dit geding.</para>
        <para>
          [appellant] heeft verweer gevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het gevorderde ten aanzien van [appellant] bij het bestreden vonnis toegewezen, en het gevorderde ten aanzien van de echtgenote van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt, tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging wat betreft de afwijzing van het gevorderde ten aanzien van de echtgenote van [appellant] en tot toewijzing van het gevorderde, ook in zoverre.</para>
        <para>
          [appellant] heeft in incidenteel appel verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof overweegt dat het principaal appel alleen door [appellant] is ingesteld, niet (mede) door zijn echtgenote. [geïntimeerde] kon dan ook geen incidenteel appel instellen in zijn zaak tegen de echtgenote van [appellant] . Het incidenteel appel heeft echter alleen op die zaak betrekking en kan dan ook verder onbesproken blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De grieven in principaal appel spitsen zich toe op het aanbod van [appellant] om tegenbewijs te leveren wat betreft de akte (3.1 b hiervoor) en om bewijs te leveren ter staving van zijn beroep op bedrog en vernietiging van de overeenkomst van geldlening, dan wel op onrechtmatig handelen (grieven principaal appel, 32).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft aangevoerd (grieven principaal appel, 13, 30-31) dat:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>• [appellant] ernstige gezondheidsklachten had, zoals hersenbloedingen; hij kon nauwelijks lezen en begreep weinig tot niets;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• [appellant] zich vrijwel volledig uit het bedrijf teruggetrokken had en de bedrijfsvoering aan [geïntimeerde] had overgelaten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• wanneer belangrijke beslissingen dienden te worden genomen, partijen vertrouwden op hun adviseur, [adviseur van beide partijen] . Ook met betrekking tot de geldlening hebben partijen [adviseur van beide partijen] om raad verzocht;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• [adviseur van beide partijen] de oorspronkelijke geldleningsovereenkomst tussen partijen heeft opgesteld (productie 1 bij conclusie van antwoord);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• die overeenkomst diende te worden ondertekend door [appellant] en zijn echtgenote in hun hoedanigheid van bestuurders van de vennootschap (hierna de vennootschap; het gaat om een vennootschap waarin een onderneming van [appellant] was ondergebracht) en door [geïntimeerde] ;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• in verband met de ziekte van [appellant] , [geïntimeerde] zorg zou dragen voor ondertekening van de overeenkomst door alle partijen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• [geïntimeerde] in dat kader een andere overeenkomst ter ondertekening aan [appellant] heeft voorgelegd; [geïntimeerde] heeft bij [appellant] de indruk gewekt dat hetgeen [appellant] tekende de overeenkomst was zoals door [adviseur van beide partijen] was opgesteld;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• ook de echtgenote van [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat de haar ter ondertekening voorgelegde overeenkomst dezelfde was als de versie die [adviseur van beide partijen] had opgesteld (en om die reden heeft zij de overeenkomst ondertekend);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• achteraf is ontdekt dat er een aantal wijzigingen waren doorgevoerd in de overeenkomst die [adviseur van beide partijen] had opgesteld;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>• nu echter door alle partijen steeds is gehandeld naar hetgeen hen van begin af aan voor ogen stond, te weten een lening tussen de vennootschap en [geïntimeerde] , mocht en mag [appellant] er ook op vertrouwen dat partijen zich dienovereenkomstig zouden opstellen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [appellant] bedoelt met dit laatste onderdeel van zijn verweer kennelijk dat [geïntimeerde] de hoofdsom van de geldlening heeft laten overschrijven op een rekening van de vennootschap en dat de vennootschap aflossingen en rente heeft betaald aan [geïntimeerde] (grieven principaal appel, 8-9).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het hof overweegt dat [appellant] zijn betwisting van het standpunt van [geïntimeerde] (over een geldlening tussen de broers) voldoende heeft gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] voorshands met de onderhandse akte (3.1 b hiervoor) het bewijs heeft geleverd van zijn standpunt dat hij de geldlening is aangegaan met [appellant] en dat [appellant] zich persoonlijk heeft verbonden voor de schuld. De onderhandse akte heeft immers dwingende bewijskracht. [appellant] betwist de echtheid van zijn handtekening niet. [appellant] heeft echter de inhoud van de akte gemotiveerd betwist (3.7 hiervoor) en hij heeft tegenbewijs aangeboden. Het verweer van [appellant] , dat de vennootschap de hoofdsom heeft ontvangen en rente en aflossing heeft voldaan, is voorshands niet voldoende voor het tegenbewijs. Het hof zal [appellant] toelaten tot het leveren van tegenbewijs.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof is verder van oordeel dat [appellant] zijn beroep op bedrog (dan wel onrechtmatig handelen) voldoende heeft gemotiveerd (3.7 hiervoor). [geïntimeerde] heeft het gestelde bedrog gemotiveerd betwist. De bewijslast rust op [appellant] . Het hof zal [appellant] toelaten tot bewijslevering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat [appellant] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs wat betreft de onderhandse akte en tot bewijslevering wat betreft zijn beroep op bedrog. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] persoonlijk verbonden is voor de schuld;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst bedrog heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A. Vogelzang onder verantwoordelijkheid van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M. van Ham en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>