<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2018:4637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T00:00:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002844-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2017:4621" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4621</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2019:2321" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2321</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:4637">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:4637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-13T11:16:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2018:4637 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-11-2018 / 20-002844-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2018:4637:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof wijst een tussenarrest. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht ter zake van de door verdachte gestelde amnesie, het letsel dat verdachte zichzelf heeft toegebracht en de geestestoestand van verdachte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2018:4637:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer	: 20-002844-17 </para>
    <para>Uitspraak	: 13 november 2018 </para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof </title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-879998-16 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,</para>
      <para>thans verblijvende in Huis van Bewaring De Vecht te Nieuwersluis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord, de subsidiair ten laste gelegde doodslag bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging (primair op grond van afwezigheid van alle schuld, subsidiair op grond van psychische overmacht en meer subsidiair wegens ontoerekeningsvatbaarheid). Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de beraadslaging in raadkamer is het hof gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest en overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">A. Ten aanzien van amnesie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir betoogd dat zij – met verwijzing naar het rapport van de deskundige prof. dr. M. Jelicic d.d. 6 maart 2017 – niet zo zeer enig geheugenverlies van verdachte als zodanig betwist, maar dat zij twijfels heeft bij de duur en de omvang van het door verdachte gestelde geheugenverlies. Deze twijfels komen voort uit de uitlatingen die verdachte heeft gedaan ten overstaan van personen die bij haar in het ziekenhuis op bezoek waren en waarvan de communicatie is opgenomen, in samenhang bezien met de uitlatingen die zij de dag voor het ten laste gelegde heeft gedaan tegen haar moeder, [getuige] . Ook de officier van Justitie heeft bij requisitoir in eerste aanleg hiernaar verwezen. Volgens de advocaat-generaal heeft verdachte bij die gelegenheden uitlatingen gedaan die onverenigbaar zijn met een persoon die geen idee heeft wat er die nacht is gebeurd en waarom dat is gebeurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft met betrekking tot het geheugenverlies van verdachte – eveneens met een verwijzing naar voormeld rapport van Jelicic – betoogd dat er sprake is van een bonafide geheugenverlies.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Prof. dr. M. Jelicic heeft, voor zover hier van belang, in diens rapport van 6 maart 2017 het volgende over het geheugenverlies van verdachte gerapporteerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ad 6. Er zijn twee belangrijke bouwstenen voor het scenario dat gestelde geheugenverlies van mevrouw [verdachte] bonafide is: (1) er is een duidelijke medische oorzaak voor haar amnesie en (2) haar geheugenverlies is in overeenstemming met de wet van Ribot.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In raadkamer is het hof gebleken dat het zich onvoldoende voorgelicht acht met betrekking tot de door verdachte gestelde amnesie. Het hof acht het noodzakelijk dat de deskundige prof. dr. Jelicic een aanvullend rapport opstelt ter (gemotiveerde) beantwoording van de navolgende vragen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Hoe waarschijnlijk acht u het dat verdachte ruim 2,5 jaar na de medische oorzaak voor haar amnesie (zuurstoftekort) en ruim 1,5 jaar na het terugkrijgen van een gedeelte van haar herinneringen, geen verdere nieuwe herinneringen heeft teruggekregen? Kunt u uw antwoord zo mogelijk toelichten aan de hand van concrete voorbeelden?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Verandert de beantwoording van vraag 1 uw antwoord op vraag 6 in uw rapport van 6 maart 2017 ? </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">B. Met betrekking tot het letsel dat verdachte zichzelf heeft toegebracht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van het rapport “Forensisch geneeskundig onderzoek mw. [verdachte] ” d.d. 1 september 2016, opgesteld door W. Duijst (Forensisch arts KNMG).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en in het bijzonder het pleidooi van de verdediging, is het hof in raadkamer gebleken dat het zich onvoldoende voorgelicht acht ter zake van het letsel van verdachte. Het hof merkt hierbij op dat het met de verdediging en de advocaat-generaal uitgaat van het scenario dat verdachte zich dit letsel zelf heeft toegebracht. Het hof acht het noodzakelijk dat de deskundige W. Duijst vanuit dat scenario een aanvullend rapport opstelt ter beantwoording van de navolgende vragen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. In uw rapport van 1 september 2016 spreekt u over “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” en dat deze als typerend voor zelfbeschadiging worden beschouwd.</para>
    <parablock>
      <para>a. Kunt u in algemene zin beschrijven wat het begrip “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” inhoudt?</para>
      <para>b. Is er in algemene zin iets te zeggen over “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” in relatie tot zelfdoding door middel van een scherp voorwerp in het algemeen en door middel van het steken met een scherp voorwerp in het bijzonder?</para>
      <para>c. Wat betekent het indien deze “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” ontbreken bij een (poging tot) zelfdoding, zoals dit bij mevrouw [verdachte] het geval is?</para>
      <para>d. Is er in algemene zin iets te zeggen over de frequentie van het ontbreken van “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” bij een (poging tot) zelfdoding door middel van een scherp voorwerp en door middel van steken met een scherp voorwerp in het bijzonder?</para>
    </parablock>
    <para>2.       a.    Of, dan wel in hoeverre kunt u de volgende stelling van de raadsman  </para>
    <parablock>
      <para>             onderschrijven: “<emphasis role="italic">Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">             verwondingen van mevrouw [verdachte] , in combinatie met het ontbreken van             </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">             “hesitation marks”, kan het niet anders zijn dan dat mevrouw [verdachte] niets </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">             heeft gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zich dit zelf aandeed. Een </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">             denkend, voelend mens is daartoe niet in staat.</emphasis>”</para>
      <para>b.  Indien naar uw mening mevrouw [verdachte] niets kan hebben gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zichzelf de verwondingen/letsels heeft toegebracht, kunt u dan aangeven welke factor(en) hierbij een rol zou(den) kunnen hebben gespeeld?</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">C. Met betrekking tot de geestestoestand van verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van het triple onderzoek Pro Justitia d.d. 7 maart 2017 onder andere opgesteld door drs. ’t Hoen (GZ-psycholoog) en drs. Van Bakel (psychiater). Tevens heeft het hof kennisgenomen van het rapport van drs. Offermans (psychiater) d.d. 7 juni 2017, alsmede het, als reactie op voornoemd rapport, aanvullend dubbelonderzoek Pro Justitia d.d. 15 augustus 2017, eveneens opgesteld door drs. ’t Hoen en drs. Van Bakel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van voornoemde rapporten zijn de drie bovengenoemde deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid bevraagd over (onder meer) hun bevindingen en conclusies.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desondanks is het hof in raadkamer gebleken dat het zich onvoldoende voorgelicht acht over de geestestoestand van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Het hof acht het noodzakelijk dat er een nieuw psychologisch en psychiatrisch onderzoek aangaande de geestvermogens van verdachte zal plaatsvinden, zulks ter beantwoording van de navolgende vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof geeft hierbij de deskundigen de opdracht om:</para>
    </parablock>
    <para>1. Bij hun onderzoek en de beantwoording van onderstaande vragen expliciet te betrekken de bevindingen over de aard, de ernst en de omvang van de verwondingen/letsels van verdachte, zoals vermeld in het rapport “Forensisch geneeskundig onderzoek mw. [verdachte] ” d.d. 1 september 2016, opgesteld door </para>
    <para>W. Duijst (Forensisch arts KNMG). Daarbij dienen zij ervan uit te gaan dat verdachte zich de betreffende verwondingen/letsels zelf heeft toegebracht en wel nadat zij kort daarvoor haar partner had gestoken. </para>
    <para>2. Expliciet te onderzoeken of verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan dissociatie en hierbij tevens bij verdachte de daartoe betreffende testen af te nemen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door de deskundigen te beantwoorden vragen betreffen de volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">A. Vragen inzake dissociatie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Kunt u omschrijven wat het begrip “(acute) dissociatie” inhoudt?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Kunt u omschrijven wat de oorzaken zijn voor het ontstaan van dissociatie?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In hoeverre heeft een persoon die lijdt aan (acute) dissociatie nog enig inzicht in de draagwijdte van zijn/haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Beïnvloedt dissociatie de gedragskeuzen van een persoon en zo ja op welke wijze?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Mocht u vaststellen dat onderzochte lijdende was aan dissociatie, kunt u dan ook het aanvangsmoment hiervan (bij schatting) aangegeven?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wilt u reageren op de volgende stelling van de raadsman: “<emphasis role="italic">Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de verwondingen van mevrouw [verdachte] , in combinatie met het ontbreken van “hesitation marks”, kan het niet anders zijn dan dat mevrouw [verdachte] niets heeft gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zich dit zelf aandeed. Een denkend, voelend mens is daartoe niet in staat.</emphasis>”</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">B. Vragen inzake de geestestoestand van verdachte:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Is de onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens in de ruimste zin van het woord (inclusief een eventuele eenmalige en/of korter durende verstoorde geestestoestand, in het bijzonder dissociatie) en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven? </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>a.   Hoe was dit ten tijde van het zichzelf toebrengen van het letsel?</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>b.   Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?</para>
      <para>c.   Is er wel of geen onderscheid te maken in de geestestoestand van onderzochte </para>
      <para>      op voornoemde twee momenten, waarbij het hof opmerkt dat deze twee </para>
      <para>      momenten elkaar in een korte tijdsspanne hebben opgevolgd?</para>
      <para>d.   Is er een moment aan te wijzen dat de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige</para>
      <para>      ontwikkeling van de geestesvermogens zich voor het eerst heeft aangediend en</para>
      <para>      zo ja welk moment?</para>
    </parablock>
    <para>3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens de gedragskeuzen van onderzochte dan wel haar gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden)?</para>
    <para>4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:</para>
    <parablock>
      <para>a. op welke manier dat gebeurde,</para>
      <para>b. of onderzochte nog enig inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan had,</para>
      <para>c. of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen, en </para>
      <para>d. indien geadviseerd wordt om in een verminderde mate toe te rekenen, preciseer dit gedragskundig.</para>
    </parablock>
    <para>5. a.   Wat is uw verwachting dat betrokkene, gelet op de hiervoor beschreven stoornis,    </para>
    <parablock>
      <para>      zal recidiveren? </para>
      <para>b.   Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of het functioneren dienen  </para>
      <para>      hierbij in ogenschouw te worden genomen? </para>
      <para>c.   Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in ogenschouw</para>
      <para>      te worden genomen? </para>
      <para>d.   Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en </para>
      <para>      condities?</para>
    </parablock>
    <para>6. a.  Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen   </para>
    <parablock>
      <para>     voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?</para>
      <para>b.  Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Heropent het onderzoek.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat het onderzoek zal worden <emphasis role="bold">hervat</emphasis> ter terechtzitting van <emphasis role="bold">29 januari 2019</emphasis> te <emphasis role="bold">15.00 uur</emphasis> (<emphasis role="italic">aanbrengen bij MK8: verwachte behandelduur 60 minuten</emphasis>), om de klemmende redenen dat de zittingscapaciteit van het hof hervatting van het onderzoek binnen een maand na heden niet toelaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat genoemde zitting een <emphasis role="bold">voortgezette regiezitting</emphasis> betreft, waarop geen inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de <emphasis role="bold">oproeping</emphasis> van verdachte tegen de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de <emphasis role="bold">kennisgeving</emphasis> van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting aan de raadsman van verdachte, mr. A.A. Franken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de kennisgeving van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting aan de nabestaanden van slachtoffer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de <emphasis role="bold">raadsheer-commissaris</emphasis>, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof ten einde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A. De deskundige prof. dr. Jelicic een aanvullend rapport te laten opstellen ter (gemotiveerde) beantwoording van de navolgende vragen:</para>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Hoe waarschijnlijk acht u het dat verdachte ruim 2,5 jaar na de medische oorzaak voor haar amnesie (zuurstoftekort) en ruim 1,5 jaar na het terugkrijgen van een gedeelte van haar herinneringen, geen verdere nieuwe herinneringen heeft teruggekregen? Kunt u uw antwoord zo mogelijk toelichten aan de hand van concrete voorbeelden?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Verandert de beantwoording van vraag 1 uw antwoord op vraag 6 in uw rapport van 6 maart 2017 ? </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>De deskundige W. Duijst een aanvullend rapport te laten opstellen ter beantwoording van de navolgende vragen, waarbij de deskundige dient uit te gaan van het scenario dat verdachte zich het letsel zelf heeft toegebracht:</para>
    <para />
    <para>1. In uw rapport van 1 september 2016 spreekt u over “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” en dat deze als typerend voor zelfbeschadiging worden beschouwd.</para>
    <parablock>
      <para>a. Kunt u in algemene zin beschrijven wat het begrip “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” inhoudt?</para>
      <para>b. Is er in algemene zin iets te zeggen over “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” in relatie tot zelfdoding door middel van een scherp voorwerp in het algemeen en door middel van het steken met een scherp voorwerp in het bijzonder?</para>
      <para>c. Wat betekent het indien deze “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” ontbreken bij een (poging tot) zelfdoding, zoals dit bij mevrouw [verdachte] het geval is?</para>
      <para>d. Is er in algemene zin iets te zeggen over de frequentie van het ontbreken van “<emphasis role="italic">hesitation marks</emphasis>” bij een (poging tot) zelfdoding door middel van een scherp voorwerp en door middel van steken met een scherp voorwerp in het bijzonder?</para>
    </parablock>
    <para>2.       a.   Of, dan wel in hoeverre kunt u de volgende stelling van de raadsman  </para>
    <parablock>
      <para>            onderschrijven: “<emphasis role="italic">Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">            verwondingen van mevrouw [verdachte] , in combinatie met het ontbreken van             </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">            “hesitation marks”, kan het niet anders zijn dan dat mevrouw [verdachte] niets </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">            heeft gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zich dit zelf aandeed. Een </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">            denkend, voelend mens is daartoe niet in staat.</emphasis>”</para>
      <para>b.  Indien naar uw mening mevrouw [verdachte] niets kan hebben gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zichzelf de verwondingen/letsels heeft toegebracht, kunt u dan aangeven welke factor(en) hierbij een rol zou(den) kunnen hebben gespeeld?</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Een nieuw psychologisch en psychiatrisch onderzoek aangaande de geestvermogens van verdachte zal plaatsvinden, bij voorkeur uit te voeren door respectievelijk drs. B.I. van Toorn (psycholoog) en prof. dr. H.J.C. van Marle (psychiater), zulks ter beantwoording van de navolgende vragen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof geeft hierbij de deskundigen de opdracht om:</para>
    </parablock>
    <para>1. Bij hun onderzoek en de beantwoording van onderstaande vragen expliciet te betrekken de bevindingen over de aard, de ernst en de omvang van de verwondingen/letsels van verdachte, zoals vermeld in het rapport “Forensisch geneeskundig onderzoek mw. [verdachte] ” d.d. 1 september 2016, opgesteld door </para>
    <para>W. Duijst (Forensisch arts KNMG). Daarbij dienen zij ervan uit te gaan dat verdachte zich de betreffende verwondingen/letsels zelf heeft toegebracht en wel nadat zij kort daarvoor haar partner had gestoken. </para>
    <para>2. Expliciet te onderzoeken of verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan dissociatie en hierbij tevens bij verdachte de daartoe betreffende testen af te nemen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door de deskundigen te beantwoorden vragen betreffen de volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">A. Vragen inzake dissociatie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Kunt u omschrijven wat het begrip “(acute) dissociatie” inhoudt?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Kunt u omschrijven wat de oorzaken zijn voor het ontstaan van dissociatie?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In hoeverre heeft een persoon die lijdt aan (acute) dissociatie nog enig inzicht in de draagwijdte van zijn/haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Beïnvloedt dissociatie de gedragskeuzen van een persoon en zo ja op welke wijze?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Mocht u vaststellen dat onderzochte lijdende was aan dissociatie, kunt u dan ook het aanvangsmoment hiervan (bij schatting) aangegeven?</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wilt u reageren op de volgende stelling van de raadsman: “<emphasis role="italic">Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de verwondingen van mevrouw [verdachte] , in combinatie met het ontbreken van “hesitation marks”, kan het niet anders zijn dan dat mevrouw [verdachte] niets heeft gevoeld en/of gedacht op het moment dat zij zich dit zelf aandeed. Een denkend, voelend mens is daartoe niet in staat.</emphasis>”</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">B. Vragen inzake de geestestoestand van verdachte:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Is de onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens in de ruimste zin van het woord (inclusief een eventuele eenmalige en/of korter durende verstoorde geestestoestand, in het bijzonder dissociatie) en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven? </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>a.   Hoe was dit ten tijde van het zichzelf toebrengen van het letsel?</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>b.   Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?</para>
      <para>c.   Is er wel of geen onderscheid te maken in de geestestoestand van onderzochte </para>
      <para>      op voornoemde twee momenten, waarbij het hof opmerkt dat deze twee </para>
      <para>      momenten elkaar in een korte tijdsspanne hebben opgevolgd?</para>
      <para>d.   Is er een moment aan te wijzen dat de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige</para>
      <para>      ontwikkeling van de geestesvermogens zich voor het eerst heeft aangediend en</para>
      <para>      zo ja welk moment?</para>
    </parablock>
    <para>3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens de gedragskeuzen van onderzochte dan wel haar gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden)?</para>
    <para>4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:</para>
    <parablock>
      <para>e. op welke manier dat gebeurde,</para>
      <para>f. of onderzochte nog enig inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan had,</para>
      <para>g. of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen, en </para>
      <para>h. indien geadviseerd wordt om in een verminderde mate toe te rekenen, preciseer dit gedragskundig.</para>
    </parablock>
    <para>5. a.   Wat is uw verwachting dat betrokkene, gelet op de hiervoor beschreven stoornis,    </para>
    <parablock>
      <para>      zal recidiveren? </para>
      <para>b.   Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of het functioneren dienen  </para>
      <para>      hierbij in ogenschouw te worden genomen? </para>
      <para>c.   Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in ogenschouw</para>
      <para>      te worden genomen? </para>
      <para>d.   Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en </para>
      <para>      condities?</para>
    </parablock>
    <para>6. a.  Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen   </para>
    <parablock>
      <para>     voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?</para>
      <para>b.  Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,</para>
      <para>mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. S. Riemens, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,</para>
      <para>en op 13 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>