<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2018:3779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T14:18:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/03557</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2016:3739" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3739, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/90</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/11.27.2</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/0150</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-0155</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019011410</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:3779">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:3779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-11T16:27:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2018:3779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-09-2018 / 16/03557</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2018:3779:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Compromis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2018:3779:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Kenmerk: 16/03557</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de Inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 juni 2016, nummer BRE 15/2267 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag schenkbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] en dagtekening 3 december 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek ter zitting</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 31 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] en [B] , als gemachtigden van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [D] en [E] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 14 september 2018, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de uitspraak van de Inspecteur;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">vermindert</emphasis> de aanslag tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging vrij van recht van € 86.263;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> de Staat (Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Minister) tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een bedrag van € 500 en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de heden in het openbaar gedane uitspraak van het Hof, tot aan de dag van de algehele voldoening; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> de Minister in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 250,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Partijen zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen dat de aanslag dient te worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging vrij van recht van € 86.263.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ter zitting heeft de Inspecteur toegezegd dat het overeengekomene, zoals vermeld in 3.1, overeenkomstig heeft te gelden voor het in 2012 krachtens schenking door belanghebbende van [C] verkregene.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft, voor het geval de redelijke termijn in hoger beroep wordt overschreden, verzocht om een vergoeding van immateriële schade. Het hoger beroepschrift van de Inspecteur is ingekomen op 2 augustus 2016. Het Hof doet heden, 14 september 2018, uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met meer dan één maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Als uitgangspunt dient een schadevergoeding ter hoogte van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden aan belanghebbende te worden toegekend. Het Hof ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het Hof zal de Minister derhalve veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep heeft geleden tot een bedrag van € 500.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het Hof zal voorts, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, zaaknummer 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, de Minister veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 500, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de uitspraak heden in het openbaar van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Nu aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, acht het Hof termen aanwezig de Minister te veroordelen tot betaling van een vergoeding in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten <emphasis role="italic">x</emphasis> € 501 (waarde per punt) <emphasis role="italic">x</emphasis> 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 250,50.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Slot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, B.F.A. van Huijgevoort en L.B.M. Klein Tank, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 september 2018 </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH </para>
        <para>‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.</para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in<?linebreak?> cassatie is gericht.</para>
      <para>d. de gronden van het beroep in cassatie</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>