<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2018:218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-08T08:28:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.206.445_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2019:793" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:793</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:218">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-07T11:22:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2018:218 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-01-2018 / 200.206.445_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2018:218:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>creditcardovereenkomst/Wft niet van toepassing/beroep op wilsgebreken verworpen/schending zorgplicht door creditcardmaatschappij/naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar om gehele openstaande bedrag te vorderen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2018:218:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.206.445/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 23 januari 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de bewindvoerder] , </emphasis>
      </para>
      <para>in haar hoedanigheid van bewindvoerder van <emphasis role="bold">[betrokkene]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hierna aan te duiden als: de bewindvoerder en [betrokkene] ,</emphasis>
      </para>
      <para>advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vennootschap] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hierna aan te duiden als: [geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 21 september 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg van 30 maart 2016 en 6 juli 2016, gewezen tussen de bewindvoerder als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 4612669 CV EXPL 15-9120)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord met één productie.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In de inleidende dagvaarding van 2 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] de veroordeling gevorderd van de bewindvoerder, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>- om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.288,79, te vermeerderen met de 	wettelijke rente over een bedrag van € 5.492,51 vanaf de dag der dagvaarding tot aan 	de dag der algehele voldoening en </para>
      <para>- om de creditcard aan [geïntimeerde] af te geven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft daartoe gesteld dat tussen haar en [betrokkene] een creditcard overeenkomst bestaat, dat in het kader hiervan aan [betrokkene] een creditcard in bruikleen is verstrekt, dat [betrokkene] gehouden was de met de creditcard gedane opnames/bestedingen maandelijks volledig aan [geïntimeerde] te voldoen, maar dat [betrokkene] ondanks gezonden overzichten, aanmaningen en ingebrekestelling het opeisbare saldo van € 5.492,51 niet heeft voldaan. Verder heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij recht heeft op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 768,05, welke kosten zij heeft gemaakt om betaling te krijgen, alsmede op de contractueel gemaximeerde boete van € 1.000,-- omdat [betrokkene] niet heeft voldaan aan de sommatie om de creditcard in te leveren en op de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2015.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De bewindvoerder heeft in eerste aanleg in persoon verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij tussenvonnis van 30 maart 2016 heeft de kantonrechter het verweer van de bewindvoerder verworpen en [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen waaruit blijkt dat de Wet op het consumentenkrediet niet van toepassing is op de onderhavige vordering. [geïntimeerde] heeft vervolgens een akte genomen, waarna de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen, echter met uitzondering van de gevorderde nakosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De bewindvoerder is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft 13 grieven aangevoerd waarmee het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof wordt voorgelegd. Alvorens de grieven te behandelen, wenst het hof nader te worden geïnformeerd over het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>In het bestreden vonnis van 30 maart 2016 heeft de kantonrechter onder 2 sub a overwogen: <emphasis role="italic">Bij beschikking van de kantonrechter (datum is onbekend) zijn alle aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) toebehorende goederen onder bewind gesteld met benoeming van [de bewindvoerder] tot de bewindvoerder van [betrokkene] .</emphasis></para>
        <para>Het hof wil weten op welke datum de (toekomstige) goederen van [betrokkene] onder bewind zijn gesteld en [de bewindvoerder] tot de bewindvoerder van [betrokkene] is benoemd. De bewindvoerder zal daarom in de gelegenheid worden gesteld de door de kantonrechter bedoelde beschikking in het geding te brengen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Verder wenst het hof nadere informatie van [geïntimeerde] over de feitelijke gang van zaken bij het aanvragen van de creditcard in de bankshop van [bank] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is om informatie te verkrijgen op de hiervoor genoemde punten. Voorts kan de comparitie worden benut om een minnelijke regeling te beproeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat partijen – de curator in persoon en [geïntimeerde] deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. J.I.M.W. Bartelds als raadsheer-commissaris, </para>
      <para>die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te </para>
      <para>'s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverweging 3.7 t/m 3.9 vermelde doeleinden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 6 februari 2018 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de bewindvoerder een kopieën van de hiervoor onder 3.7 bedoelde beschikking uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, E.A.M. van Oorschot en B.E.L.J.C. Verbunt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>