<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2018:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-27T08:38:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.231.288_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROE:2011:1846" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:1846</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=843a&amp;g=2002-01-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1863">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-26T10:19:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2018:1863 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 01-05-2018 / 200.231.288_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2018:1863:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>appellant niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij zijn strafrechtelijk verleden heeft meegedeeld aan de assurantietussenpersoon</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2018:1863:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.231.288/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 1 mei 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen in het incident ex artikel 843a Rv </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. E.P.E. van Ekelen te Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vennootschap] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 11 juli 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 april 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [de vennootschap] – als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/296702 / HA ZA 15-534)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 28 mei 2015, 23 juli 2015 en 2 september 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven inclusief aanvulling van gronden tevens incident ex artikel 208 Rv jo 843a Rv met een productie; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de antwoordmemorie in het incident met producties. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, na vermeerdering van eis, dat [de vennootschap] wordt veroordeeld tot betaling aan hem van bedragen van € 17.821,02, </para>
        <para>€ 39.470,37 en € 8.678,40, te vermeerderen met rente en kosten. </para>
        <para>
          [appellant] stelt dat [de vennootschap] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en stelt daardoor schade te hebben geleden, waarvoor hij [de vennootschap] aansprakelijk houdt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij mondeling vonnis van 1 maart 2016 heeft de rechtbank als volgt overwogen. </para>
        <para>
          [appellant] heeft gesteld dat [de vennootschap] haar zorgplicht niet is nagekomen omdat zij de door hem verstrekte gegevens over zijn strafrechtelijk verleden niet aan de verzekeringsmaatschappij heeft doorgegeven. Volgens [appellant] heeft hij in 2007 bij de aanvraag van een verzekering en ook daarna nog, in de periode voorafgaand aan de verzekeringsaanvraag voor zijn camper, aan [de vennootschap] verklaard dat hij met politie en justitie in aanraking is geweest voor diefstal, inbraak, heling, geweldpleging en een vuurwerkdelict. [de vennootschap] heeft betwist dat [appellant] dat strafrechtelijk verleden aan haar heeft meegedeeld. Het ligt op de weg van [appellant] , die op het gestelde onzorgvuldig handelen van [de vennootschap] zijn aanspraak op schadevergoeding heeft gegrond, om van het doen van die mededeling bewijs bij te brengen. Overeenkomstig zijn aanbod zal hij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens is [appellant] bij dat vonnis opgedragen te bewijzen dat hij bij de verzekeringsaanvraag in 2007 dan wel op enig ander moment voorafgaand aan de aanvraag voor de verzekering van de camper aan [de vennootschap] heeft medegedeeld dat en wanneer hij in het verleden contacten met politie en justitie heeft gehad in verband met inbraak, diefstal, heling, geweld en een vuurwerkdelict.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het bestreden eindvonnis van 12 april 2017 heeft de rechtbank [appellant] niet </para>
        <para>in de bewijslevering geslaagd geacht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen  van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proces- en nakosten veroordeeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In het incident ex artikel 843a Rv vordert [appellant] inzage en afschrift van het volledige dossier dat [de vennootschap] heeft bijgehouden in het kader van de met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht, teneinde zijn stelling dat [de vennootschap] haar zorgplicht niet is nagekomen te bewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij antwoordmemorie in het incident heeft [de vennootschap] zowel het privé (productie 1) als het zakelijk (productie 2) assurantiedossier van [appellant] over de periode 2007 tot en met 2011 voor een groot deel overgelegd. Stukken uit het assurantiedossier van [appellant] over deze periode die extern zijn opgeslagen, zijn opgevraagd en zullen na ontvangst worden nagezonden, zo stelt [de vennootschap] . </para>
        <para>Voor zover [appellant] aanspraak wenst te maken op stukken uit zijn assurantiedossier van na 2011, stelt [de vennootschap] dat [appellant] nader concreet dient aan te geven welke stukken hij wenst, over welke periode en met welk belang. [de vennootschap] stelt dat voor een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv, de verlangde stukken voldoende bepaald dienen te zijn, teneinde een “fishing expedition” te voorkomen en dat [appellant] niet heeft voldaan aan dat vereiste. [de vennootschap] refereert zich terzake aan het oordeel van het hof.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het bepaalde in artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. </para>
        <para>Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.</para>
        <para>De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een “fishing expedition” te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Periode 2007 tot en met 2011</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Bij antwoordmemorie in het incident heeft [de vennootschap] zowel het privé (productie 1) als het zakelijk (productie 2) assurantiedossier van [appellant] over de periode 2007 tot en met 2011 voor een groot deel overgelegd. Stukken uit het assurantiedossier van [appellant] over deze periode die extern zijn opgeslagen, zijn opgevraagd en zullen na ontvangst worden nagezonden, zo stelt [de vennootschap] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [appellant] bij zijn incidentele vordering voor zover betrekking hebbend op de periode 2007 tot en met 2011 geen belang meer heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Periode na 2011 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] wil zijn stelling dat [de vennootschap] tekort is geschoten in haar zorgplicht bewijzen aan de hand van het volledige dossier dat [de vennootschap] heeft bijgehouden in het kader van de met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht en vordert inzage en afschrift daarvan.  </para>
        <para>Voor zover de vordering al ziet op het dossier zoals dat na 2011 verder is opgebouwd, heeft te gelden dat er geen voldoende belang is gesteld. In 2011 is de aanvraag voor de camperverzekering gedaan door [appellant] zodat alleen een mededeling van zijn strafrechtelijk verleden, gedaan aan (een of meerdere medewerkers van) het [de vennootschap] vóór die aanvraag relevant is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Uit het bovenstaande volgt dat de incidentele vordering van [appellant] zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Bij antwoordmemorie in het incident stelt [de vennootschap] dat [appellant] het incident onnodig heeft ingesteld, nu in eerste aanleg reeds alle relevante stukken door partijen zijn overgelegd en [de vennootschap] op eerste verzoek van [appellant] een kopie van het assurantiedossier van [appellant] zou hebben verstrekt, zodat de proceskosten van het incident voor rekening van [appellant] dienen te komen. [appellant] is nog niet in de gelegenheid geweest om te reageren op deze stelling van [de vennootschap] . Het hof zal de beslissing over de proceskosten van het incident derhalve aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [de vennootschap] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de hoofdzaak: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 12 juni 2018 voor memorie van antwoord aan de zijde van [de vennootschap] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, P.P.M. Rousseau en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>