<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2018:1805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-30T15:27:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.224.884_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2017:6591" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6591</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1805">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-30T15:27:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2018:1805 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-04-2018 / 200.224.884_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2018:1805:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>partneralimentatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2018:1805:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.224.884/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank	: C/03/226040 / FA RK 16-3406</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige kamer van 26 april 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. Y.K. Kunze te Kerkrade,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. P. Winkens te Hoensbroek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 7 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De vrouw is op 5 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 7 juli 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De man heeft op 8 januari 2018 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts is ingekomen:</para>
        <para>- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 maart 2018 met bijlagen, ingekomen op 12 maart 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het huwelijk van partijen is op 23 oktober 2017 ontbonden door echtscheiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de vrouw te betalen uitkering in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (23 oktober 2017) bepaald op € 600,- per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven van de vrouw zien op de behoefte en de behoeftigheid van de man, alsmede op de draagkracht van de vrouw.</para>
        <para>De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man om een door de vrouw te bijdrage in zijn levensonderhoud van € 600,- per maand alsnog af te wijzen als ongegrond en onbewezen, althans deze bijdrage op nihil te stellen, althans een beslissing met betrekking tot de door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage te nemen die het hof juist acht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De man heeft verzocht de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ingangsdatum</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat een eventuele door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor de man dient in te gaan op 23 oktober 2017, zodat het hof daarvan uitgaat.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Behoefte en aanvullende behoefte van de man </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man kort na de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 juni 2017 is gaan werken als conciërge op een school. Uit de door de man bij zijn verweerschrift in hoger beroep overgelegde salarisstroken over de weken 27 tot en met 47/2017 blijkt dat de man een salaris heeft van € 392,- bruto per week. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de man en in zoverre in afwijking van het gestelde in het verweerschrift, verklaard dat de man alle weken in het jaar, fulltime als conciërge werkt. Tussen partijen is niet meer in geschil dat voor het bepalen van de hoogte van het inkomen van de man van deze gegevens moet worden uitgegaan.</para>
        <para>Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de man met ingang van 23 oktober 2017 een salaris heeft van € 20.380,- bruto per jaar, nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het hof gaat voorts uit van de door de vrouw als productie 11 in het geding gebrachte berekening van de draagkracht van de man, welke berekening de man niet heeft betwist. Uit deze berekening, waarin is gerekend met voormeld bruto jaarinkomen van de man, blijkt een netto besteedbaar inkomen van de man van € 1.610,- per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Partijen verschillen van mening over de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van de man, alsmede over de vraag in hoeverre de man zelf in zijn behoefte kan voorzien, dan wel geacht kan worden te voorzien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De man heeft in hoger beroep gesteld dat zijn huwelijksgerelateerde behoefte € 1.638,- netto per maand bedraagt. Gelet op deze stelling van de man, wat er verder ook van zij, constateert het hof dat de man met ingang van 23 oktober 2017 zelf (nagenoeg) volledig in de door hem gestelde behoefte kan voorzien. Het verschil tussen de door de man gestelde behoefte en het hiervoor becijferde netto inkomen van de man is dermate gering dat het hof voor dat verschil geen bijdrage van de zijde van de vrouw zal bepalen. Aan de vaststelling van de behoefte van de man komt het hof dan ook niet meer toe, evenmin als aan de beoordeling van de draagkracht van de vrouw.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande dient het verzoek van de man tot vaststelling van partneralimentatie alsnog te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 7 juli 2017, uitsluitend voor zover het de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de man betreft,  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst alsnog af het oorspronkelijk verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.C.E Ackermans-Wijn en </para>
      <para>Mr. A.E. van Solinge en bijgestaan door de griffier, en is op 26 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>