<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2016:4554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:44:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-10-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.172.270_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=322&amp;g=2009-10-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 322</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2016/326</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:4554">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:4554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-12T14:58:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2016:4554 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-10-2016 / 200.172.270_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2016:4554:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>appelgrens art. 322 lid 1 Rv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2016:4554:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.172.270/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 11 oktober 2016</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Begrafenis- en Crematievereniging [Begrafenis- en Crematievereniging]</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [Begrafenis- en Crematievereniging] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T. Bruinsma te Lemmer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R.P. Küffen te Kerkrade,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 4 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [Begrafenis- en Crematievereniging] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3360106/CV EXPL 14-9262)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven (met twee producties);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.1. 	Het gaat in deze zaak om een door [Begrafenis- en Crematievereniging] ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij is beslist op een door [geïntimeerde] als eiser ingestelde vordering. [geïntimeerde] vorderde, kort samengevat: 1. veroordeling van [Begrafenis- en Crematievereniging] tot betaling van een bedrag van € 1.634,50 in hoofdsom, 2. te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag der dagvaarding en 3. veroordeling van [Begrafenis- en Crematievereniging] in de proceskosten met inbegrip van nakosten en wettelijke rente over de proceskosten bij niet voldoening binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.2.	Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen 1 en 2 toegewezen. De kantonrechter veroordeelde [Begrafenis- en Crematievereniging] voorts in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot de uitspraak begroot op € 623,80, te vermeerderen met wettelijke rente bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na de uitspraak, en - tenzij [Begrafenis- en Crematievereniging] binnen twee weken na aanschrijving door [geïntimeerde] aan de veroordeling zou voldoen - in de nakosten, begroot op € 75,= te vermeerderen met de explootkosten indien betekening van het vonnis zou hebben plaatsgevonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.3.	[Begrafenis- en Crematievereniging] is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.1.	Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil de - door het hof overigens ook ambtshalve te beantwoorden - vraag of [Begrafenis- en Crematievereniging] in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen, gelet op de in art. 332 lid 1 Rv genoemde appelgrens van € 1.750,=.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2.	Op grond van art. 332 lid 1 Rv is een in eerste aanleg gewezen vonnis niet appellabel indien de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,=.  Bij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen gaat het om de hoogte van de door de eisende partij ingestelde vordering (i.c. € 1.634,50) plus de tot de dag van dagvaarding verschenen rente (i.c. niet aan de orde nu alleen rente vanaf de dag van dagvaarding is gevorderd). Anders dan [Begrafenis- en Crematievereniging] bepleit, behoort tot het bedrag waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet de - door de rechter ambtshalve uit te spreken - proceskostenveroordeling. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat een procespartij doorgaans mede een vordering tot veroordeling van de wederpartij in de proceskosten aan zijn vorderingen toevoegt. Het meewegen van een dergelijke nevenvordering zou bovendien niet te verenigen zijn met het feit dat mede gevorderde wettelijke rente voor de hoogte van de vordering alleen in aanmerking komt voor zover deze ten tijde van de dagvaarding reeds is verschenen.      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.3. Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof derhalve tot het oordeel dat [Begrafenis- en Crematievereniging] in het door haar ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.4.	[Begrafenis- en Crematievereniging] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [Begrafenis- en Crematievereniging] niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [Begrafenis- en Crematievereniging] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden worden begroot op € 311,= aan verschotten en op € 632,= aan salaris advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, W.J.J. Beurskens en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 oktober 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraad</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>