<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2015:475</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-02-16T10:58:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">F 200.158.468_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:475">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:475</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-02-16T10:57:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2015:475 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-02-2015 / F 200.158.468_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2015:475:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>uithuisplaatsing; verwijzing naar NIFP</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2015:475:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF </emphasis>'<emphasis role="bold">s-HERTOGENBOSCH </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 12 februari 2015</para>
      <para>Zaaknummer	: F 200.158.468/01</para>
      <para>Zaaknummer 1e aanleg	: C/02/282780 JE RK 14-1102</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. L.S.T.H. Ruijters,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>hierna te noemen: de stichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbenden worden aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para>- de familie [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
    </parablock>
    <para>- de Raad voor de Kinderbescherming,</para>
    <parablock>
      <para>regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 augustus 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2014, heeft de moeder verzocht:</para>
      <para>- primair: voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen minderjarige;</para>
      <para>- subsidiair: te bepalen dat de stichting gedegen onderzoek doet naar de mogelijkheid tot plaatsing van de minderjarige bij de moeder. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 december 2014, heeft de stichting verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door mr. J.W.J. van den Broek, waarnemend voor mr. Ruijters; </para>
      <para>- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1], mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 3];</para>
      <para>- de pleegouders;</para>
      <para>- de heer [pleegzorgwerker], pleegzorgwerker;</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger raad].</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De heer [de vader] (hierna: de vader), opgeroepen om als informant door het hof te worden gehoord, is niet ter zitting verschenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 20 november 2014;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de pleegouders d.d. 15 december 2014;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde stukken, te weten het (complete) rapport van de raad van 6 augustus 2013 en door de advocaat van de moeder voorgedragen pleitaantekeningen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De inhoud van voormelde brief van de pleegouders is door de voorzitter ter zitting voorgehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Op grond van artikel 28 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake een ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór 1 januari 2015 volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 2 juni 2014, is derhalve artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat gold tot 1 januari 2015 in de onderhavige zaak van toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [dochter 1] (hierna: [dochter 1]) geboren. </para>
        <para>De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [dochter 1] uit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De moeder en de vader hebben nog een kind, genaamd [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2012, dat bij de moeder woont.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [dochter 1] staat sinds [geboortedatum] 2009 onder toezicht van de stichting en is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds diezelfde datum uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. [dochter 1] verblijft sedert 20 november 2010 in het gezin van de pleegouders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [dochter 1] met ingang van [datum bereiken 5e levensjaar] 2014 verlengd tot [datum bereiken 6e levensjaar] 2015 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [dochter 1] met ingang van [datum bereiken 5e levensjaar] 2014 tot uiterlijk [datum bereiken 6e levensjaar] 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De moeder kan zich met de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter 1] niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat niet langer wordt voldaan aan de wettelijke grond voor een uithuisplaatsing. Een uithuisplaatsing van [dochter 1] is niet langer noodzakelijk en derhalve in strijd met het Verdrag voor de Rechten van het Kind, meer in het bijzonder artikel 9 van dat verdrag. De moeder wil op termijn zelf voor [dochter 1] gaan zorgen. Uit de eindevaluatie van de intensieve gezinsbehandeling bij Prisma die de moeder heeft ondergaan blijkt dat er geen zorgen meer bestaan omtrent de moeder en haar gezin. De moeder heeft sinds de eerste uithuisplaatsing van [dochter 1] een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De moeder is - anders dan de stichting - van mening dat enkel het hechtingsaspect onvoldoende is om te kunnen concluderen dat voldaan is aan artikel 1:261 lid 1 BW. De stichting dient een onderzoek in te stellen naar de (on)mogelijkheid tot plaatsing (op termijn) van [dochter 1] bij de moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat [dochter 1] zich in het perspectief biedende pleeggezin goed ontwikkelt. Het is niet in het belang van de ontwikkeling van [dochter 1] dat zij na ruim vijf jaar in een pleeggezin te zijn opgegroeid wederom een wisseling in haar opvoedingssituatie zou dienen mee te maken. Er is geen onderzoek gedaan naar de pedagogische kwaliteiten van de moeder, omdat de moeder in de periode na de geboorte van [dochter 1] niet wilde meewerken aan een opname in een 24-uurs voorziening voor hulpverlening aan moeder en kind. Een dergelijke opname was een voorwaarde voor een eventuele thuisplaatsing. De moeder heeft voorts een lange periode, te weten van juni 2010 tot december 2010, geen contact gehad met [dochter 1]. Het is verder de vraag of de draagkracht van de moeder toereikend is voor de opvoeding van twee kinderen.</para>
        <para>Nu het perspectief van [dochter 1] in het pleeggezin ligt, ziet de stichting geen meerwaarde in een onderzoek naar de opvoedingscapaciteiten van de moeder in relatie tot [dochter 1]. </para>
        <para>
          [dochter 1] is bovendien een onzeker meisje. Een onderzoek zoals door de moeder verzocht zal te belastend voor haar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De raad heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard. [dochter 1] is gehecht in het huidige pleeggezin. Het is niet in haar belang om haar bij de moeder te plaatsen. De moeder heeft veel begeleiding nodig bij de opvoeding van [dochter 2]. Indien [dochter 1] bij de moeder wordt geplaatst, zal de moeder overvraagd worden, zo is de indruk van de raad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
        <para>Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over de noodzaak van de verlenging van de uithuisplaatsing van [dochter 1]. Het hof acht een onderzoek naar die noodzaak van belang en is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) opdracht te geven (een) deskundige(n) voor te dragen. Nu het hof het in het belang van [dochter 1] acht dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over haar opvoedperspectief, zal het hof het niet aan de stichting overlaten om een onderzoek te entameren, zoals door de moeder is verzocht, maar zal het hof zelf (een) deskundige(n) benoemen. </para>
        <para>Vervolgens heeft het hof het voornemen aan de deskundige(n) onderzoeksvragen zoals hierna vermeld voor te leggen en hij/zij zal (zullen) worden verzocht hieromtrent het hof te rapporteren en adviseren.</para>
        <para>Het hof zal aan de deskundige(n) verzoeken om in een tussenrapportage verslag te doen van het onderzoek ten aanzien van [dochter 1], alvorens - indien verplaatsing van [dochter 1] verantwoord wordt geacht - met het onderzoek ten aanzien van de moeder aan te vangen.</para>
        <para>Behoudens bijzondere omstandigheden zal er na het via het NIFP te verrichten onderzoek geen ruimte meer zijn voor een tegenonderzoek op de voet van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderzoeksvragen</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van [dochter 1]:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) bij de moeder in het belang van [dochter 1]?</para>
      <para>- Zo ja, is hulpverlening aangewezen voor [dochter 1] en/of de moeder om terugplaatsing naar               huis te verwezenlijken? Zo ja, welke?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien uit het onderzoek blijkt dat terugplaatsing van [dochter 1] bij de moeder in haar belang is en op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de moeder:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de moeder in relatie tot [dochter 1]?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Overig:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die van belang zijn met betrekking tot de vraag of [dochter 1] bij de moeder geplaatst kan worden?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De kosten van de deskundige(n) zullen ten laste worden gebracht van het Rijk.</para>
        <para>De deskundige(n) dient (dienen) hun werkzaamheden te begroten en uit te voeren conform:</para>
        <para>Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a Rv;</para>
        <para>Besluit van 26 oktober 2010, houdende vaststelling van de griffierechten en de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, tweede lid, respectievelijk 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, alsmede het tarief en de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 597 respectievelijk 838 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en tot intrekking van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken (Besluit griffierechten burgerlijke zaken), </para>
        <para>en:</para>
        <para>Besluit van 16 augustus 2003, houdende vaststelling van tarieven voor vergoedingen als bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken (Besluit tarieven in strafzaken 2003).</para>
        <para>Deze besluiten komen er op neer dat conform het daartoe vastgestelde uurtarief en binnen een maximum aan vastgestelde uren dient te worden gewerkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder en de stichting zullen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk een reactie te geven op het voornemen van het hof. </para>
        <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt de moeder en de stichting in de gelegenheid om uiterlijk op 19 februari 2015 schriftelijk te reageren op het voornemen van het hof als hiervoor omschreven onder</para>
      <para>rechtsoverweging 3.9 en 3.10;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, C.A.R.M. van Leuven en</para>
      <para>M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>