<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2014:6246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-09T13:18:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002259-10</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:6246">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:6246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-09T13:08:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2014:6246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 10-09-2014 / 20-002259-10</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2014:6246:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2014:6246:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer	: 20-002259-10 </para>
    <para>Uitspraak	: 10 september 2014</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 juni 2010 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-610057-07 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [veroordeelde],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, </para>
      <para>wonende te [woonplaats], [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 6.327,00 en is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd om dat bedrag te betalen aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep  alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beroepen uitspraak zal bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de verdediging is:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>primair betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat de veroordeelde in de strafzaak dient te worden vrijgesproken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>subsidiair betoogd dat bij toewijzing van de vordering, de aan de benadeelde partij(en) toegekende geldbedragen daarop in mindering dienen te worden gebracht. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekte tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 11.227,00. </para>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie dit bedrag verlaagd tot </para>
      <para>€ 5.375,00. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het door de rechtbank opgelegde bedrag groot </para>
      <para>€ 6.327,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Door het hof gebruikte bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.</para>
      <para>Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 10 september 2014 (parketnummer 20-002258-10) voor zover hier van belang veroordeeld tot straf ter zake van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Parketnummer 04/610057:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. afpersing door twee of meer verenigde personen.</para>
    <para>4. verduistering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel in totaal moet worden geschat op netto € 1.325,00. Het wederrechtelijk voordeel uit feit 2 wordt geschat op € 375,00 en het wederrechtelijk voordeel uit feit 4 op € 950,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">1.325,00 (duizend driehonderdvijfentwintig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de veroordeelde de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 1.325,00 (duizend driehonderdvijfentwintig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,</para>
      <para>mr. H. Eijsenga en mr. P.M. Frielink, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,</para>
      <para>en op 10 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>