<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2014:4867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-21T11:28:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">F 200.153.633_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=798&amp;g=2014-11-21">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:4867">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:4867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-21T11:26:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2014:4867 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-11-2014 / F 200.153.633_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2014:4867:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ondertoezichtstelling</para>
        <para>De vader zonder gezag is in een procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geen belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. De vader is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2014:4867:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">GERECHTSHOF </emphasis>'<emphasis role="bold">s-HERTOGENBOSCH </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 20 november 2014</para>
      <para>Zaaknummer	: F 200.153.633/01</para>
      <para>Zaaknummer 1e aanleg	: C/01/280206 / JE RK 14/958MZ04</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te[woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. M.S. Krol,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd en tevens kantoorhoudende te Eindhoven,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>hierna te noemen: de stichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende kan worden aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para>- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).</para>
    <para>Als betrokkene in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt:</para>
    <para>- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2]; </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door mr. N. Vinke.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2.</nr>
        <para>De vader en diens advocaat zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3.</nr>
        <para>Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het V2-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 15 september 2014;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 29 oktober 2014.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – geboren: </para>
        <para>- [de zoon] (hierna te noemen: [de zoon]), op [geboortedatum] 2002, te [geboorteplaats] (België).</para>
        <para>De moeder en de vader zijn na de echtscheiding aanvankelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] blijven uitoefenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [de zoon] staat sinds 6 augustus 2012 onder toezicht van de stichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking van 1 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en de moeder voortaan alleen belast met het gezag over [de zoon]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de zoon] verlengd met ingang van 6 augustus 2014 voor de duur van één jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Nu de vader niet (langer) belast is met het ouderlijk gezag over [de zoon], heeft het hof alle partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep bericht dat tijdens deze mondelinge behandeling slechts de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep zal worden behandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader heeft met betrekking tot zijn ontvankelijkheid in het door hem ingestelde hoger beroep – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen.</para>
        <para>De vader is belanghebbende nu hij door de rechtbank als zodanig is aangemerkt. </para>
        <para>De vader voert verder aan dat een ouder op grond van artikel 1:254 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om een ondertoezichtstelling kan verzoeken en in dit artikel niet expliciet staat vermeld dat deze ouder een gezaghebbende ouder dient te zijn. Nu de vader als ouder van de minderjarige bevoegd is zelf een ondertoezichtstelling te verzoeken, is hij ook gerechtigd zich, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te verweren tegen een dergelijk</para>
        <para>verzoek van een (andere) op grond van artikel 1:254 lid 4 BW bevoegde persoon of instelling. De vader verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710) waarin het hof conform het vorenstaande heeft beslist. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De moeder kan zich verenigen met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de zoon].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De stichting heeft zich ter zitting in hoger beroep bij het standpunt van de moeder – omtrent de niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep – aangesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.10.1.</nr>
        <para>De vader stelt dat hij ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep en verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710). Nadien heeft de Hoge Raad op 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) in een andere procedure van het hof 's-Hertogenbosch antwoord gegeven op de navolgende door het hof gestelde prejudiciële vraag: “Dient in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de ouder zonder gezag, indien het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is, als belanghebbende te worden aangemerkt?”</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De Hoge Raad heeft op 12 september 2014 deze vraag ontkennend beantwoord en, voor zover ten deze relevant, het volgende overwogen:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“3.3.4. 	De ondertoezichtstelling van minderjarigen is geregeld in de vierde afdeling van titel 	14 van Boek 1 BW, welke titel ziet op het gezag over minderjarige kinderen. Het 	ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind 	te verzorgen en op te voeden (art.1:247 lid 1 BW). De maatregel van 	ondertoezichtstelling beperkt het gezag. De met het toezicht belaste stichting kan ter 	uitvoering van haar taak zo nodig schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de 	verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de 	minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen (art. 1:258 BW). Dergelijke 	aanwijzingen kunnen op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de 	minderjarige van twaalf jaar of ouder vervallen worden verklaard (art. 1:259 lid 1 	BW). Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan door een ouder, een 	ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de Raad 	voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie (art. 1:254 lid 4 BW). Zij die 	bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling zijn tevens 	bevoegd tot het indienen van een verzoek tot verlenging van die maatregel; voorts 	komt de bevoegdheid om verlenging te verzoeken toe aan de met het toezicht belaste 	stichting (art. 1:256 lid 2 BW).</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">	De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor 	niet langer bestaat. Het verzoek tot opheffing kan worden gedaan door de stichting 	die met het toezicht is belast, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 	twaalf jaar of ouder (art. 1:256 lid 4 BW).</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.5.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de 	rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige en 	aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende 	rechten en verplichtingen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag 	beklede ouder worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van art. 798 lid 1 	van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hiermee strookt dat, 	wanneer een ondertoezichtstelling eenmaal van kracht is geworden, slechts de met 	het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige zelf (mits twaalf jaar of ouder) tegen 	de door de met het toezicht belaste stichting gegeven aanwijzingen kunnen opkomen 	en – naast de stichting – om opheffing van de maatregel kunnen vragen en dus niet 	de niet met het gezag beklede ouder. Aan dat laatste ligt blijkens de parlementaire 	geschiedenis de gedachte ten grondslag dat het niet wenselijk is dat een beperking 	van het gezag van de ouder, die zowel door de ouder die de beperking moet dulden 	als door de stichting die met het toezicht is belast wordt aanvaard respectievelijk 	gewenst, op verzoek van een niet met het gezag belaste derde zou kunnen worden 	opgeheven (Kamerstukken II 1992-1993, 23 003, nr. 3, p. 33).</emphasis>
        </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.6.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gelet hierop kan de niet met het gezag beklede ouder in het kader van een 	ondertoezichtstelling niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 	798 lid 1 Rv en dus evenmin als belanghebbende in de zin van art. 806 lid 1 Rv. Hem 	komt daarom niet uit dien hoofde de bevoegdheid toe hoger beroep in te stellen van 	een beslissing tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling. De omstandigheid dat de 	wetgever aan de niet met gezag beklede ouder wel de bevoegdheid heeft toegekend 	een (verlenging van de) ondertoezichtstelling – een beperking van het gezag van de 	andere ouder – te verzoeken doet daaraan niet af. In dit verband is van belang dat de 	wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen diegenen die een verzoek kunnen 	doen en degenen die als belanghebbenden worden beschouwd”.</emphasis>
        </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.3.</nr>
        <para>In lijn met voornoemde beslissing van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat de vader, nu hij geen gezagdragende ouder van [de zoon] (meer) is, in de onderhavige procedure niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Dat de vader door de rechtbank wel als belanghebbende is aangemerkt maakt dat niet anders. Het hof dient in hoger beroep de vraag of de vader belanghebbende is in de procedure zelfstandig en ambtshalve te beoordelen en deze beoordeling leidt ertoe dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Het vorenstaande brengt met zich dat de vader niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven  en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>