<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2014:273</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T23:14:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HD 200.091.805-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:273">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:273</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-23T11:09:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2014:273 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-02-2014 / HD 200.091.805-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2014:273:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>toewijzing naar redelijkheid van deel van de courtage waarop makelaar krachtens Algemene Voorwaarden na einde opdracht recht heeft</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2014:273:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer HD 200.091.805/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 11 februari 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats], Belgie,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J.T. Austen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [de man],<?linebreak?><?linebreak?>wonende te [woonplaats],</title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[de vrouw],</emphasis><?linebreak?><?linebreak?>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>advocaat: mr. R.A.M. Koolen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 20 september 2011 en 11 juni 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 147659/HA ZA 10-96 gewezen vonnis van 9 maart 2011.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:<?linebreak?>-	voormelde tussenarresten;</para>
      <para>- de antwoordmemorie na niet gehouden enquête van [appellant];</para>
      <para>
        <?linebreak?>Vervolgens is arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>10</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <para>Bij genoemd tussenarrest van 11 juni 2013 zijn [geïntimeerden c.s.] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellant] dat de koopovereenkomst gesloten tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] tot stand is gekomen als gevolg van de dienstverlening van [appellant] aan [geïntimeerden c.s.] tijdens de looptijd van de opdracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerden c.s.] hebben afgezien van het voorbrengen van getuigen. Zij hebben evenmin op andere wijze tegenbewijs geleverd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.3</nr>
      <para>Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof er in rechte van uit gaat dat de koopovereenkomst tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] tot stand is gekomen op grond van de dienstverlening van [appellant] aan [geïntimeerden c.s.] tijdens de looptijd van de opdracht. De grieven 2 tot en met 4, die zijn gericht tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank, slagen daarom. Het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, zal daarom vernietigd worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.4</nr>
      <para>Op grond van de devolutieve werking van het appel zal het hof thans de door de rechtbank niet behandelde c.q. verworpen verweren van [geïntimeerden c.s.] beoordelen. In de eerste plaats betreft dat het beroep van [geïntimeerden c.s.] op artikel 13.6 van de voorwaarden, in die zin dat de aan [appellant] toekomende courtage in redelijkheid op nihil dient te worden gesteld. [appellant] vordert betaling van € 10.147,50, zijnde de volledige krachtens de overeenkomst van opdracht, op grond van (naar het hof begrijpt) de tussen [geïntimeerden c.s.] en [kandidaat-kopers c.s.] overeengekomen koopprijs, verschuldigde courtage.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.5</nr>
      <para>Bij de bepaling van het naar redelijkheid vast te stellen deel van de courtage waarop [appellant] in dit geval krachtens artikel 13.3 van de voorwaarden recht heeft dient volgens artikel 13.6 rekening gehouden te worden met de reeds door [appellant] verrichte werkzaamheden, het voordeel dat [geïntimeerden c.s.] daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is beëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.6</nr>
      <para>De door [appellant] verrichte werkzaamheden zijn de volgende:<?linebreak?>- het opstellen van een verkoopbrochure;<?linebreak?>- het zes maal bijwonen van een bezichtiging van het huis door potentiële kopers;<?linebreak?>- het adverteren met het huis in kranten en op websites;<?linebreak?>- het bemiddelen tussen [kandidaat-kopers c.s.] en [geïntimeerden c.s.] toen eerstgenoemden een bod op het huis deden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.7</nr>
      <para>De redenen van de beëindiging door [geïntimeerden c.s.] van de opdracht aan [appellant] zijn te vinden in de brief van [geïntimeerden c.s.] van 15 februari 2009 (deels weergegeven in het tussenarrest van 11 juni 2013 onder 7.1.e.). Deze redenen komen er, zakelijk weergegeven, op neer dat [appellant], dan wel zijn medewerker [medewerker van appellant], zonder voorafgaande mededeling te laat aanwezig was op een aantal bezichtigingen en dat [appellant] (deels) niet in staat was vragen van de potentiële kopers te beantwoorden c.q. juiste informatie aan [kandidaat-kopers c.s.] te verstrekken. Voormelde verwijten ontkent [appellant] niet.<?linebreak?>Voorts wordt in de brief van 15 februari 2009 als reden genoemd dat [appellant], dan wel [medewerker van appellant], tijdens diens gesprekken met [kandidaat-kopers c.s.] over een bod op het huis heeft gehandeld in strijd met instructies en verzoeken van [geïntimeerden c.s.] Dat verwijt wordt door [appellant] bestreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.8</nr>
      <para>Het voordeel dat [geïntimeerden c.s.] hebben gehad van de door [appellant] verrichte werkzaamheden betreft het feit dat de uiteindelijke kopers, [kandidaat-kopers c.s.], door (een deel van) die werkzaamheden (verder) geïnteresseerd zijn geraakt in het huis en dat, na beëindiging van de opdracht aan [appellant], hebben gekocht.<?linebreak?>Feit is echter dat [geïntimeerden c.s.] in hun na de beëindiging van de opdracht aan [appellant] met [kandidaat-kopers c.s.] gevoerde onderhandelingen een koopsom zijn overeengekomen van <?linebreak?>€ 615.000,--. Het door [kandidaat-kopers c.s.] via [appellant] gedane bod was beduidend lager, namelijk € 585.000,--. Dat [appellant] c.q. [medewerker van appellant] zich concreet heeft ingespannen om te zorgen dat [kandidaat-kopers c.s.] tot een hoger bod zouden komen en dat [kandidaat-kopers c.s.] een hoger bod heeft gedaan heeft [appellant], tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerden c.s.]  onvoldoende concreet gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.9</nr>
      <para>Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het deel van de courtage waarop [appellant] in dit geval op grond van artikel 13.6 van de voorwaarden in redelijkheid aanspraak kan maken 50% van het gevorderde bedrag is. Het hof zal derhalve een bedrag van € 5.073,75 toewijzen, te vermeerderen met de op zich niet weersproken wettelijke rente als gevorderd. Voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden c.s.] heeft [appellant] geen gronden aangevoerd. Die hoofdelijke veroordeling zal, nu op grond van artikel 6:6 BW verbondenheid voor gelijke delen hoofdregel is, worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.10</nr>
      <para>De vordering van [appellant] ter zake van buitengerechtelijke incassokosten ad € 952,-- zal worden afgewezen. [appellant] heeft, tegenover het verweer van [geïntimeerden c.s.] dat deze kosten vallen onder de kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 241 Rv. een vergoeding plegen in te sluiten, niets aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.11</nr>
      <para>De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] in conventie zal worden toegewezen tot na te melden bedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.12</nr>
      <para>De proceskosten zullen, nu partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gecompenseerd worden zoals hierna in het dictum is vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep van 9 maart 2011 voor zover <emphasis role="bold">in conventie</emphasis> gewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerden c.s.] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 5.073,75 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, J.C.J. van Craaikamp en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>