<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2013:6086</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-25T14:10:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HD 200.133.814-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2016:1424" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1424</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2017:4042" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4042</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:6086">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:6086</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-13T15:45:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2013:6086 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 17-12-2013 / HD 200.133.814-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2013:6086:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge koopovereenkomst met betrekking tot percelen grond. Bewijsperikelen met betrekking tot de totstandkoming en de inhoud van de koopovereenkomst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2013:6086:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer HD 200.133.814/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 17 december 2013</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen in het ambtshalve incident in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant in de hoofdzaak,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Trouwborst te Middelharnis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak,</para>
      <para>advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnissen van 13 februari 2013 en 10 juli 2013 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaaknr.  C/12/82564/HA ZA 12-44)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 20 juni 2012 waarbij een comparitie van partijen is gelast.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- de dagvaarding in hoger beroep;</para>
    <para>- de ambtshalve rolbeslissing van 8 oktober 2013; </para>
    <para>- de akte van [appellant] ;</para>
    <para>- de antwoordakte van [geïntimeerde] . </para>
    <para>Vervolgens is arrest bepaald in het incident. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident en in de hoofdzaak. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij het bestreden eindvonnis van 10 juli 2013 is [appellant] op vordering van [geïntimeerde] in conventie veroordeeld om binnen twee maanden aan [geïntimeerde] te leveren de percelen [perceelletter] [perceelnummer] , [perceelletter] [perceelnummer] , [perceelletter] [perceelnummer] en [perceelletter] [perceelnummer] , totaal 99 are en 60 ca vrij van pacht en of andere aanspraken tot gebruik, leeg en ontruimd en onbelast tegen betaling van € 2,- per vierkante meter, en is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de notariële akte tot levering indien [appellant] met levering in gebreke blijft. De vordering van [appellant] in reconventie, strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] om de door laatstgenoemde verrichte herininrichtingswerkzaamheden op het perceel [perceelletter] [perceelnummer] ongedaan te maken en te verwijderen, heeft de rechtbank afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft bij appelexploot van 5 september 2013 hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen daarvan worden ingeschreven in de in artikel 433 Rv bedoelde registers (de rechtsmiddelenregisters). Omdat uit de reeds overgelegde stukken niet bleek dat bedoelde inschrijving heeft plaatsgevonden, heeft het hof [appellant] bij rolbeslissing ambtshalve in de gelegenheid gesteld zich bij akte daaromtrent uit te laten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij akte heeft [appellant] een "akte hoger beroep" van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het geding gebracht waarin de griffier verklaart dat [appellant] op 9 september 2013 het verzoek tot inschrijving van het hoger beroep heeft ingediend en dat het verzoek diezelfde dag is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank. </para>
        <para>Uit die verklaring blijkt naar het oordeel van het hof dat aan het vereiste van artikel 3:301 lid 2 BW is voldaan. De door [geïntimeerde] opgeworpen formele bezwaren tegen de inschrijving van het hoger beroep worden verworpen. Daartoe overweegt het hof als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>De betwisting door [geïntimeerde] dat de (griffier van de) rechtbank daadwerkelijk het verzoek van [appellant] tot inschrijving van het hoger beroep op 9 september 2013 heeft ontvangen (blz. 2, eerste alinea, antwoordakte) wordt gelogenstraft door de akte van de griffier. Daaruit blijkt dat het verzoek van [appellant] wel degelijk op 9 september 2013 is ontvangen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het bestreden eindvonnis, laat staan het hoger beroep, op 9 september 2013 niet kon worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, gelet op de vereisten van artikel 3:301 lid 1 BW (blz. 2, derde alinea, antwoordakte). </para>
          <para>Dit standpunt van [geïntimeerde] berust op een onjuiste lezing van artikel 3:301 BW. </para>
          <para>Het eerste lid van dat artikel ziet op het geval dat degene ten gunste van wie een vonnis is gewezen dat in de plaats treedt van een tot levering registergoed bestemde akte wenst over te gaan tot inschrijving van dat vonnis in de openbare registers (niet de in artikel 433 Rv bedoelde rechtsmiddelenregisters maar de in artikel 3:16 BW bedoelde openbare registers waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn worden ingeschreven). In dat geval kan de executant daartoe slechts overgaan indien de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (lid 1 onder a) of uitvoerbaar bij voorraad is en de onder b van dat artikellid bepaalde termijn in acht is genomen. </para>
          <para>Lid 2 van artikel 3:301 BW schrijft voor dat een partij die hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis als bedoeld dat tijdig moet laten inschrijven in de rechtsmiddelenregisters. De voorwaarden van lid 1 gelden hier niet. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Artikel 433 Rv luidt: <emphasis role="italic">"De partij die (…) hoger beroep (…) heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van (…) het hoger beroep (…)."</emphasis></para>
          <para>Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd (blz. 2, laatste alinea, antwoordakte) volgt uit de omstandigheid dat de akte van de griffier niet de datum vermeldt waarop hoger beroep is ingesteld, niet dat het hoger beroep niet (geldig) is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Bovendien blijkt uit het verzoek van [appellant] aan (de griffier van) de rechtbank (productie 2 bij akte) dat kopieën van het bestreden eindvonnis en van het betekende appelexploot d.d. 5 september 2013 bij het verzoek zijn gevoegd en dat [appellant] daarmee opgave heeft gedaan van de namen van partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het hoger beroep. Dat het verzoek per abuis 6 september 2013 als datum vermeldt waarop hoger beroep is ingesteld - een kennelijke verschrijving - doet daaraan niet af. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>Ook uit de omstandigheid dat [appellant] de akte van de griffier niet reeds bij het aanbrengen van de zaak in het geding heeft gebracht volgt, anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd (blz. 3, laatste alinea, antwoordakte), niet dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande zal de hoofdzaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van de memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft nog aan de orde gesteld (blz. 4 antwoordakte) dat de <emphasis role="italic">"Notities ten behoeve van de comparitie van partijen d.d. 18 juli 2012" </emphasis>(stuk 6 op de inventarislijst van [appellant] ) geen onderdeel uitmaken van de gedingstukken. [appellant] wordt verzocht hierop bij memorie van grieven te reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 28 januari 2014 voor memorie van grieven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en </para>
      <para>M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op </para>
      <para>17 december 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>