<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2013:4911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T03:43:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HD 200.095.313/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBBRE:2011:6335" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:6335, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:4911">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:4911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-10-23T13:32:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2013:4911 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-10-2013 / HD 200.095.313/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2013:4911:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Erfrecht. Afstand van recht met betrekking tot niet opeisbaar erfdeel?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2013:4911:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF  ̓s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
  </para>
  <para>Afdeling civiel recht</para>
  <parablock>
    <para>zaaknummer HD 200.095.313/01</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">arrest van 22 oktober 2013</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [appellant]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats], </para>
    <para>appellant,</para>
    <para>verder: [appellant],</para>
    <para>advocaat: mr. E.R. Knoester,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [geïntimeerde]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats],</para>
    <para>geïntimeerde,</para>
    <para>verder: [geïntimeerde],	</para>
    <para>advocaat: mr. S.H. van Os,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 6 december 2011 en 4 december 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda tussen partijen, alsmede [voormalige partij 3.], onder zaaknummer/rolnummer: 231934/HA ZA 11-420 gewezen vonnis van 3 augustus 2011.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Het verdere verloop van het geding </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het tussenarrest van 4 december 2012;</para>
    <para>- het proces-verbaal van de enquête van 29 maart 2013;</para>
    <para>- het H-formulier met producties (nrs. 4-6) van [geïntimeerde];</para>
    <para>- het proces-verbaal van de contra-enquête van 5 juni 2013;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de memorie na enquête van [appellant];</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] met producties (nrs. 7-8).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna uitspraak bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>10</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenarrest van 4 december 2012 heeft het hof geoordeeld, kort gezegd, dat de vordering van [geïntimeerde] uit hoofde van de nalatenschap van zijn vader in beginsel opeisbaar is en dat de erfgenamen van [erflater] gehouden zijn hem het desbetreffende bedrag te betalen, tenzij komt vast te staan dat dit vorderingsrecht niet meer bestaat. </para>
        <para>Daarbij gaat het om de vraag of [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht, om baat of om niet (r.o. 7.4). Vervolgens heeft het hof onderzocht of sprake is geweest van afstand van recht om niet en geconcludeerd dat dit niet het geval is (r.o. 7.5). Met betrekking tot de resterende mogelijkheid, afstand van recht om baat, heeft het hof geoordeeld dat door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat [geïntimeerde] bij het tot stand komen van de overnameovereenkomst heeft afgezien van zijn aanspraak op zijn erfdeel tegen een tegenprestatie van de kant van [erflater] (r.o. 7.6). Uit de overgelegde correspondentie heeft het hof afgeleid dat afstand van het erfdeel aanvankelijk bij de besprekingen over de overname is betrokken, maar ook dat dit onderwerp bij nader inzien geen deel is gaan uitmaken van de overeenkomst. Het aanvankelijk gelegde verband van het erfdeel met de overnameovereenkomst is verbroken, zodat aan de toezeggingen van [geïntimeerde] in dit verband geen consequenties kunnen worden verbonden. Daarmee is evenwel, aldus het hof, niet uitgesloten te achten dat [geïntimeerde] in samenhang met het tot stand komen van de overnameovereenkomst jegens [erflater] daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn vordering op haar uit hoofde van zijn aanspraak op zijn erfdeel (r.o. 7.7). Het hof heeft daarom [appellant] toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat dit laatste het geval is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2</nr>
      <para>
        [appellant] heeft in verband hiermee naast zichzelf als getuigen doen horen accountant [accountant] en [zwager erflater], zwager van [erflater], die destijds betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overnameovereenkomst. In contra-enquête is naast [geïntimeerde] diens echtgenote, [echtgenote geïntimeerde], als getuige gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.3</nr>
      <para>De getuigenverklaringen van [appellant] en [zwager erflater] bevatten onder meer de omstandigheid dat [geïntimeerde] bij gelegenheid van de crematie van [erflater] heeft bevestigd dat hij afstand had gedaan van zijn erfdeel. [geïntimeerde] heeft dit betwist onder verwijzing naar drie producties die met het oog op de contra-enquête door hem in het geding zijn gebracht. Het gaat hier om </para>
      <para>- een brief van de notaris van 17 december 2009, waarin deze namens [voormalige partij 3.] en [appellant] aan [geïntimeerde] laat weten dat zij tot uitbetaling van het erfdeel willen overgaan maar nog niet over voldoende contanten beschikken en daarom de betaling willen uitstellen tot na de verkoop van de woning;</para>
      <para>- een brief van [geïntimeerde], diens broer en diens zus van 15 juni 2010 aan [appellant] en [voormalige partij 3.], waarin zij aandringen op uitbetaling van de erfdelen voor 1 augustus 2010 aangezien niet blijkt van activiteiten om de woning te verkopen;</para>
      <para>- een brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 7 juli 2010 waarin hij hierop antwoordt dat het mogelijk moet zijn voor 1 augustus 2010 te betalen en waarin hij [geïntimeerde] vraagt om de rekeningnummers van hemzelf en van zijn zus voor het overmaken van het geld.  </para>
      <para>
        [appellant] is niet ingegaan op deze stukken, hoewel hij daartoe de gelegenheid had in zijn memorie na enquête. Dat betekent dat uitgegaan kan worden van de juistheid ervan. Gelet op de inhoud van deze stukken acht het hof de getuigenverklaringen van [appellant] en [zwager erflater] over de mededeling van [geïntimeerde] bij de crematie ongeloofwaardig. De inhoud van de nadien geschreven brief van [appellant] van 7 juli 2010 is immers niet te rijmen met een dergelijke mededeling, terwijl van de kant van [appellant] voor deze tegenstrijdigheid geen verklaring is gegeven. Hetzelfde geldt voor het onderdeel van de getuigenverklaring van [appellant] dat zijn moeder er steeds van uitgegaan is dat het erfdeel van [geïntimeerde] afgehandeld was.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.4</nr>
      <para>De verklaring van getuige [accountant] betreft de gang van zaken bij de totstandkoming van de overnameovereenkomst en de rol die het aanbod tot afstand van het erfdeel van [geïntimeerde] daarbij heeft gespeeld. Volgens deze getuige hielp dit aanbod [erflater] over de streep om met de overeenkomst akkoord te gaan, maar betrof het geen voorwaarde vooraf van haar kant. Bij de verdere afwikkeling van de overeenkomst is deze getuige niet betrokken geweest. Dat [geïntimeerde] daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn vordering uit hoofde van zijn aanspraak op zijn erfdeel blijkt niet uit deze verklaring. Getuige [zwager erflater] verklaart dat [geïntimeerde] in de bespreking over de overnameovereenkomst eind 1994 afstand heeft gedaan van zijn erfdeel, dat [erflater] er tegenover hem ook steeds van uitgegaan is dat dit erfdeel was vervallen en dat [geïntimeerde] dit bij haar crematie heeft bevestigd. Dit laatste acht het hof, zoals gezegd, niet geloofwaardig. Wat de bespreking van eind 1994 aangaat, verwijst het hof naar hetgeen hierover in het tussenarrest van 4 december 2012 is geoordeeld (hiervoor onder 10.1 samengevat). Ook voor het overige blijkt uit de verklaring van deze getuige niet dat [geïntimeerde] tegenover [erflater] daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn aanspraak op zijn erfdeel, terwijl door [geïntimeerde] in zijn getuigenverklaring stellig wordt betwist dat daarvan sprake is geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.5</nr>
      <para>Een en ander leidt tot de slotsom dat [appellant] er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. In zijn toelichting op grief V heeft [appellant] nog opgemerkt dat voor zover de afstand niet zou zijn gedaan, de eisen van redelijkheid en billijkheid zich in hoger beroep tegen bekrachtiging van het bestreden vonnis verzetten (punt 38). Waarom dit het geval zou zijn, wordt niet toegelicht, laat staan onderbouwd; het hof gaat daarom aan deze losse opmerking voorbij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.6</nr>
      <para>Het hof komt tot de slotsom dat de grieven van [appellant] falen, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde vcan [geïntimeerde] begroot op € 649,= aan vast recht en op € 2.682,= aan salaris advocaat;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>