<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-26T23:20:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL3657</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HV 200.034.835</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:55:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-02-2010 / HV 200.034.835</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kinderalimentatie voorrang boven boedelafdracht WSNP</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>JN</para>
      <para>9 februari 2010</para>
      <para>Sector civiel recht</para>
      <para>Zaaknummer: HV 200.034.835/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: 195764 FA RK 08-4857</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[X.],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. P.A. Blaas,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Y.],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat: mr. P. Doorakkers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het geding in eerste aanleg</para>
    <para />
    <para>Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 28 april 2009.</para>
    <para />
    <para>2. Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juni 2009, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijke verzoek van de man om, naar het hof begrijpt, de beschikking van dit hof d.d. 17 september 2002 te wijzigen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen [zoon 1.] en [zoon 2.] met ingang van 1 september 2008 op nihil te stellen zolang de wettelijke schuldsanering op de man van toepassing is, af te wijzen. </para>
      <para>Ter zitting van het hof heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot [zoon 2.] ingetrokken. Bij brief d.d. 11 december 2009 van mr. Blaas heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot [zoon 1.] gewijzigd en het hof verzocht om, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1.] van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009 wordt vastgesteld op € 74,32 per maand en vanaf 1 juli 2009 op € 167,17 per maand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 juli 2009, heeft de man verzocht - verkort weergegeven - voormelde beschikking te bekrachtigen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de vrouw, bijgestaan door mr. Blaas;</para>
      <para>- de man, bijgestaan door mr. Doorakkers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 december 2009;</para>
      <para>- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 november 2009;</para>
      <para>- de door de vrouw ter zitting overgelegde stukken met betrekking tot de ontvangen kinderbijslag en de kosten van [zoon 1.];</para>
      <para>- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 11 december 2009;</para>
      <para>- de brief  van de advocaat van de man d.d. 28 december 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De beoordeling</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>3.1. Partijen zijn op 15 september 1995 met elkaar gehuwd. Voordien is geboren:</para>
      <para>- [zoon 1.] (hierna: [zoon 1.]), op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats].</para>
      <para>De man heeft [zoon 1.] erkend. Uit het huwelijk van partijen is geboren:</para>
      <para>- [zoon 2.] (hierna: [zoon 2.]) op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats].</para>
      <para>Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Bij beschikking d.d. 17 september 1999 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 15 oktober 1999 is </para>
      <para>ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking heeft de rechtbank voorts (voor zover thans van belang), bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van fl 250,- per kind per maand met ingang van dag waarop de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. </para>
      <para>Na een daartoe door de vrouw ingediend verzoek heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de kinderalimentatie bij beschikking d.d. 4 januari 2002 gewijzigd. Deze beschikking is door dit hof vernietigd bij beschikking d.d. 17 september 2002 en de kinderalimentatie ten behoeve van [zoon 2 .] en [zoon 1.] is met ingang van 10 september 2001 vastgesteld op een bedrag van € 201,93 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2002 op een bedrag van € 211,22 per kind per maand. De kinderalimentatie bedroeg in 2008 € 236,69 per kind per maand.</para>
      <para>Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de voornoemde beschikking van het hof gewijzigd en de kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2009 op nihil gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3. De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <para>3.4. De grieven van vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man.</para>
    <para />
    <para>Draagkracht</para>
    <para />
    <para>3.5.1. De vrouw heeft - kort samengevat -, zoals aangevuld ter zitting, aangevoerd dat de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie ten onrechte gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling op nihil heeft gesteld. De man heeft op geen enkele wijze de noodzaak van de schulden waarvoor thans de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is verklaard aangetoond. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat de door de man opgevoerde schulden zijn aangegaan nadat de man bekend was met de door hem te betalen kinderalimentatie. De belangen van het kind dienen te prevaleren boven het belang van de man bij de uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). </para>
    <para />
    <para>3.5.2. De man heeft - kort samengevat -, zoals aangevuld ter zitting, aangevoerd dat de rechter bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling mede heeft bepaald dat de man de schulden kennelijk te goeder trouw heeft laten ontstaan. De civiele rechter behoeft een dergelijke toets in het kader van het nihilstellingsverzoek niet nogmaals te doen, aldus de man. De bewindvoerder heeft een verzoek bij de rechter-commissaris ingediend om een hoger vrij te laten bedrag vast te stellen in verband met de kinderalimentatie, doch tevergeefs. De rechter-commissaris heeft de man opgedragen om een procedure nihilstelling kinderalimentatie op te starten. Tenslotte voert de man nog aan dat hij de huwelijkse schulden op zich heeft genomen en dat hij, nadat zijn auto door een verkeersongeval total-loss was verklaard, onder meer vanwege de omgangsregeling een nieuwe auto heeft moeten aanschaffen. </para>
    <para />
    <para>4. Het hof overweegt het navolgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1.1  In artikel 1:400 lid 1 Burgerlijk Wetboek, welk artikel met ingang van </para>
      <para>1 maart 2009 is gewijzigd, is onder meer bepaald dat, indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Het betreft een aanscherping in de wet waarin kinderalimentatie prioriteit heeft verkregen boven andere onderhoudsbijdragen. Op grond van deze wetswijziging zijn ook de Tremanormen aangescherpt teneinde te bereiken dat een onderhoudsplichtige een groter deel van zijn draagkracht ter beschikking stelt aan de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Gezien deze aanscherping moet aan een bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van een minderjarige kind een hoge prioriteit worden toegekend. </para>
      <para>Het hof is dan ook van oordeel dat een dergelijke bijdrage in beginsel dient te prevaleren boven de afdracht die in het kader van de WSNP aan de boedel dient te worden verricht. Het hof constateert dat het rapport van de Werkgroep Rekenmethode van Recofa voor dit oordeel ook voldoende ruimte biedt nu in dat rapport is bepaald dat het vrij te laten bedrag vooralsnog wordt gecorrigeerd in verband met te betalen alimentatie indien geen nihilstelling kan worden verkregen. Van bijzondere omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat in deze geen voorrang aan de bijdrage ten behoeve van de kinderen zou moeten worden gegeven is niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1.2. Voor de bepaling van de gewijzigde behoefte van [zoon 1.] ten gevolge van zijn uithuisplaatsing, sluit het hof aan bij de berekening zoals door de man is opgesteld in de brief d.d. 28 december 2009, nu deze berekening het hof juist en redelijk voorkomt. Aldus stelt het hof de behoefte van [zoon 1.], althans de kosten die de vrouw met ingang van 1 juli 2009 ten behoeve van [zoon 1.] maakt, op een bedrag van € 108,- per maand. </para>
    <para />
    <para>4.1.3. Met betrekking tot de periode van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009 heeft de vrouw tweemaal kinderbijslag voor [zoon 1.] ontvangen. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor die periode daadwerkelijk kosten voor [zoon 1.] heeft gemaakt die uitstijgen boven het bedrag dat zij aan kinderbijslag heeft ontvangen, zodat het hof de nihilstelling van de kinderalimentatie ten behoeve van [zoon 1.] voor de periode van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009, weliswaar op andere gronden dan de rechtbank, juist acht. </para>
    <para />
    <para>4.1.4. Met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 2009 constateert het hof dat de vrouw, gezien haar inkomen op grond van de Wet Werk en Bijstand, niet in staat is een bijdrage te leveren in de kosten van [zoon 1.], terwijl de man op zichzelf genomen voldoende ruimte heeft om een kinderalimentatie van € 108,- per maand te betalen. Na betaling van dit bedrag behoudt de man ruimte om een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de crediteuren te voldoen. Het hof gaat ervan uit dat de rechter-commissaris bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag in het kader van de WSNP rekening zal houden met de hierna vast te stellen kinderalimentatie.</para>
    <para />
    <para>5. De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 28 april 2009, doch slechts voor zover het betreft de nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [zoon 1.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] vanaf 1 juli 2009, en opnieuw rechtdoende:</para>
    <para />
    <para>bepaalt dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [zoon 1.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] met ingang van 1 juli 2009 wordt vastgesteld op € 108,- per maand;</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 28 april 2009 voor het overige;</para>
    <para />
    <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Raab, Mertens-Steeghs en Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2010.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>