<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-26T22:23:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK9403</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HV 200.044.871</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:46:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-12-2009 / HV 200.044.871</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uithuisplaatsing; verwaarlozing; voorgeschiedenis twee andere kinderen; twijfels pedagogische vaardigheden; volwassenproblematiek; hechtingsproces.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2009:BK9403:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>TL</para>
      <para>22 december 2009</para>
      <para>Sector civiel recht</para>
      <para>Zaaknummer: HV 200.044.871/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: 95071 / JE RK 09-986</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[X.],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. P. Ograjensek,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Y.],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen : de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. L.P.H. Hameleers</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,</para>
      <para>gevestigd te Roermond,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: de stichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De moeder en de vader zullen hierna tezamen ook de ouders genoemd worden. </para>
    <para />
    <para>1. Het geding in eerste aanleg</para>
    <para />
    <para>Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 9 september 2009.</para>
    <para />
    <para>2. Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <para>2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2009, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen doch enkel voor zover het betreft de machtiging tot plaatsing van na te noemen minderjarige bij een pleegouder tot uiterlijk 16 september 2010 en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat die minderjarige per omgaande weer thuis bij de ouders zal worden geplaatst.</para>
    <para />
    <para>2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2009, heeft de stichting verzocht, zoals nader duidelijk is geworden op de zitting, de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
    <para />
    <para>2.3. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 november 2009, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking voor zover het betreft de machtiging tot uithuisplaatsing te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de stichting als ongegrond en onbewezen af te wijzen.</para>
    <para />
    <para>2.4. Bij faxbericht met bijlage van 26 november 2009 heeft mr. Hameleers het hof laten weten dat hij desisteert in de procedure voor de moeder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. P. Ograjensek;</para>
      <para>- de advocaat van de vader, mr. L.P.H. Hameleers;</para>
      <para>- de stichting, vertegenwoordigd door de heer G.J.M. Verlaek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.5.1. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De advocaat van de vader heeft medegedeeld dat de vader wegens ziekte verhinderd is. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. </para>
    <para> </para>
    <para>2.6. De stichting heeft ter zitting verklaard op 25 november 2009 per fax het beroepschrift van de moeder te hebben ontvangen en er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof dit stuk betrekt bij zijn beoordeling. Gelet hierop heeft het hof beslist dat dit stuk wordt toegelaten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- de brief van de raad d.d. 9 oktober 2009;</para>
      <para>- het faxbericht met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 27 november 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De beoordeling</para>
    <para />
    <para>3.1. Uit de relatie tussen de vader en de moeder is, voor zover hier van belang, op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [Z.] (hierna te noemen: [Z.]) geboren. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [Z.]. [Z.] heeft twee oudere zussen, [A.] (geboren op [geboortedatum] 2004) en [B.] (geboren op [geboortedatum] 2007), die beiden uit huis geplaatst zijn.</para>
    <para />
    <para>3.2. [Z.] staat sinds 3 september 2008 onder toezicht van de stichting en is sedertdien op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst. [Z.] is eerst ondergebracht bij Rubicon Jeugdzorg. Sinds 1 oktober 2008 woont zij samen met haar zus [B.] in een perspectiefbiedend pleeggezin.</para>
    <para />
    <para>3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [Z.] verlengd tot 16 september 2010 en de aan de stichting verleende machtiging om [Z.] uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder tot uiterlijk diezelfde datum verlengd.</para>
    <para />
    <para>3.3. De moeder en de vader kunnen zich met deze beslissing voor wat betreft de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [Z.] niet verenigen en zijn hiervan elk afzonderlijk in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de situatie omtrent [Z.] buitengewoon zorgelijk is en dat haar ontwikkeling wordt bedreigd, indien zij bij de ouders zou opgroeien. Er is geen sprake van ondoorzichtige familiaire verhoudingen. Voor [Z.] is duidelijk wie haar ouders zijn. De moeder betwist dat [Z.]’s zussen [A.] en [B.] ten tijde van hun uithuisplaatsing slecht lichamelijk waren verzorgd. De contacten van de ouders met de stichting zijn goed, alleen met de heer Verlaek botert het niet. De moeder heeft een goed contact met mevrouw Strijbos van de stichting. Voorts blijft de stichting ten onrechte wijzen op de twijfelachtige seksuele moraal van de vader. Het gaat alleen maar om vermoedens en gissingen en het is onduidelijk waar de stichting op doelt. Het standpunt van de stichting dat de vader zich moet terugtrekken uit het gezin teneinde een terugplaatsing van de kinderen mogelijk te maken, is in strijd met het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op een gezinsleven.</para>
      <para>Verder voert de moeder aan dat de gezinsvoogd te allen tijde het gezin kan controleren. De ouders zijn bereid hulp in de thuissituatie te accepteren en opvoedcursussen te volgen. Dat de ouders de kinderen tijdens de bezoekcontacten meer cadeaus en snoep geven dan ze normaliter zouden doen, hoeft niet te bevreemden, aangezien de contacten met de kinderen zeer beperkt zijn. Dit laatste verklaart ook waarom het voor de moeder moeilijk is goed zicht te hebben op de belevingswereld van de kinderen.</para>
      <para>Tenslotte wijst de moeder op de beschikking van dit hof d.d. 30 september 2009, bij welke beschikking de uithuisplaatsing van [Z.]’s halfbroer [C.] is beëindigd. Indien [Z.] thuis geplaatst zou worden, kan de moeder zich er in vinden dat dit geleidelijk plaatsvindt, gelet op de ontstane hechting van [Z.] binnen het pleeggezin. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.5. De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Uit de inhoud van de bestreden beschikking wordt niet duidelijk waar de zorgen omtrent de situatie van [Z.] uit bestaan. De ouders hebben de kinderen nooit zorg onthouden. Ze gingen eerder te vaak dan te weinig met de kinderen naar de huisarts. De vader stelt dat [Z.] uit huis is geplaatst op basis van een verdenking waarvan de rechter heeft vastgesteld dat die ongegrond was. Van enig risico voor [Z.] hoeft geen sprake te zijn, aangezien de gezinsvoogd controle kan uitoefenen op de situatie thuis. De ouders zijn bereid desnoods dagelijkse controle te accepteren.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. De stichting stelt zich in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - op het volgende standpunt. De uithuisplaatsing van [Z.] en de andere kinderen van het gezin is gebaseerd op de volgende pijlers: de ondoorzichtige familiaire verhoudingen, het feit dat de ouders geen openheid geven over de afkomst van [Z.]’s zus [A.], de slechte lichamelijke verzorging van [A.] en [B.], de wijze waarop de hulpverlening door de ouders, met name de vader, bejegend wordt en de zorgen die er zijn over de seksuele moraal van de vader.</para>
      <para>De ondoorzichtige familiaire verhoudingen spelen een grote rol in de onduidelijkheid die de kinderen hebben over de eigen positie binnen het gezin en over de rol en de positie van de vader hierin. Het gaat namelijk niet alleen over de huidige gezinssamenstelling maar ook over de verhoudingen binnen het grotere familieverband. Ook is de gevraagde openheid over de biologische vader van [A.] nog steeds niet gegeven. In de opvatting van de stichting is het voor een kind belangrijk om te weten wie de biologische vader is.</para>
      <para>De kinderen werden thuis slecht verzorgd. Ze waren erg vuil. Het verwaarloosde melkgebit van [A.] is onder narcose hersteld. Hun fysieke verzorging is na de uithuisplaatsing sterk verbeterd, maar de in de thuissituatie opgelopen ontwikkelingsachter- stand op sociaal, emotioneel en lichamelijk gebied is evenwel nog steeds merkbaar.</para>
      <para>Het afgelopen jaar heeft de stichting weinig positieve verandering kunnen constateren in de houding van de vader richting de hulpverlening. Om de hulpverlening niet te frustreren heeft de stichting mevrouw Strijbos als tweede gezinsvoogd naast de heer Verlaek bij de hulpverlening betrokken, maar ook met mevrouw Strijbos verloopt het contact niet goed. Bij problemen kunnen de ouders zich verstaan met een gedragsdeskundige van Rubicon Jeugdzorg, maar tot een verbetering van de samenwerking heeft dit nog niet geleid. Bij wijze van voorbeeld voert de stichting aan dat het slechts met vervangende toestemming van de rechter gelukt is om voor [Z.] een identiteitskaart te verkrijgen.</para>
      <para>Bij de bezoekcontacten laten de ouders zien dat zij weinig inzicht hebben in leeftijdadequaat kindgedrag, mede doordat de ouders deze contacten tevens gebruiken om de kinderen lichamelijk minutieus te onderzoeken op tekenen van mishandeling en/of verwaarlozing, en kunnen ze zich onvoldoende verplaatsen in de leef- en belevingswereld van de kinderen.  </para>
      <para>De zorgen omtrent de seksuele moraal van de vader zijn niet weggenomen door de vrijspraak van de vader van verkrachting. Het openbaar ministerie heeft cassatie tegen de vrijspraak aangetekend.  De stichting is van mening dat de opvattingen en gewoonten van de vader op het gebied van seksualiteit en intimiteit in juridische zin misschien niet strafbaar zijn, maar ver af staan van wat in de Nederlandse cultuur wordt gezien als normaal en gebruikelijk. Voor de stichting is een dergelijk gedrag niet verenigbaar met de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van kinderen, omdat van ouders ook op seksueel gebied voorbeeldgedrag wordt verwacht. De stichting blijft dan ook van mening dat [Z.] niet veilig thuis kan wonen, zolang de vader deel uitmaakt van het opvoedingssysteem waarin zij verblijft. De stichting maakt verder nog melding van het feit dat het consultatiebureau vermoedens had dat er bij [A.] sprake was van seksueel misbruik.</para>
      <para>Tenslotte is de stichting van mening dat het voor het hechtingsproces van [Z.] desastreus is, indien dat proces thans door een plaatsing bij de ouders wordt doorbroken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7. Het hof overweegt het volgende. </para>
    <para />
    <para>3.7.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige uit huis plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.</para>
      <para>Het hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7.3. Uit zowel de overgelegde stukken als hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het het hof gebleken dat [Z.]’s zussen [A.] en [B.] op het moment dat zij uit huis geplaatst werden lichamelijk slecht verzorgd waren. Zo was bij [A.] sprake van een verwaarloosd melkgebit dat inmiddels onder narcose hersteld is. Ook was sprake van, kort gezegd, emotionele verwaarlozing van beide kinderen, met een ontwikkelingsachterstand als gevolg. [Z.] is zeer kort na haar geboorte uit huis geplaatst. Het hof deelt, gelet op de voorgeschiedenis, de zorgen van de stichting over de lichamelijke verzorging van [Z.], indien zij thans thuis zou worden geplaatst. Hoewel de moeder stelt de verzorging van [Z.] aan te kunnen, acht het hof dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast acht het hof het, met het oog op het belang van [Z.], zorgelijk dat de samenwerking tussen de ouders en de stichting nog steeds zeer moeizaam verloopt, hetgeen een extra belemmering in de hulpverlening vormt. De ouders weigeren met de gezinsvoogd, de heer Verlaek, in gesprek te gaan en de moeder heeft de gesprekken met mevrouw Strijbos, die in een later stadium als gezinsvoogd bij de hulpverlening betrokken is, in mei 2009 stopgezet, hetgeen ter zitting niet of onvoldoende is weersproken door de moeder. Deze gesprekken zijn pas in oktober 2009 hervat. Tenslotte brengt de wijze waarop de ouders de bezoekcontacten met de minderjarigen invullen het hof tot ernstige twijfels over de pedagogische vaardigheden van de ouders. Door de stichting is onweersproken gesteld dat de ouders tijdens de bezoekcontacten de minderjarigen lichamelijk minutieus onderzoeken op blauwe plekken, schaafwondjes of andere beschadigingen. Verder worden er veel snoep en cadeaus meegebracht en mogen de minderjarigen ongebreideld eten en drinken. Ook belasten de ouders de minderjarigen met volwassenenproblematiek. </para>
      <para>Onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht het hof de veiligheid en de ontwikkeling van [Z.] in de thuissituatie onvoldoende gewaarborgd, zeker nu het hier om een kwetsbaar, zeer jong kind gaat. Het hof heeft bij zijn oordeel bovendien betrokken dat de hechting van [Z.] inmiddels goed op gang is gekomen. Ze herkent haar pleegouders en voelt zich vertrouwd, geborgen en veilig in het pleeggezin. Het hof acht het niet in het belang van [Z.] dit proces thans te doorbreken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7.4. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden ex artikel 1:261 BW voor de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat het in het belang van [Z.] is dat de uithuisplaatsing blijft gehandhaafd. Derhalve dient de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd.</para>
    <para />
    <para>4. De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 9 september 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Raab en Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2009.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>