<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:45:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BF1318</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2008-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07/00268</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingadvies 2008/20.2</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2008/47.6 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2008/1810</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T03:24:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2008 / 07/00268</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Hier doet zich het geval voor dat een teruggave van omzetbelasting ambtshalve wordt gevolgd door een tweede teruggave. Naar het oordeel van het Hof mag bij de beoordeling van de vraag of over de tweede teruggave heffingsrente moet worden vergoed niet uit het oog worden verloren, dat die teruggave verband houdt met eerder door leveranciers aan de fiscus voldane omzetbelasting. Dit betekent, naar het oordeel van het Hof, dat die voldoening bezien vanuit doel en opzet van de wettelijke regeling van de heffingsrente, op een lijn moet worden gesteld met de afdracht van voorheffingen, zoals loonbelasting of dividendbelasting. Anders dan de Inspecteur meent, mag niet voorbij worden gegaan aan het feit, dat de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting tot op de momenten van de teruggave onder de fiscus heeft berust. De fiscus lijdt - naar de Staatssecretaris in het Besluit van 7 maart 2008, CPP2007/3267, VN 2008/17.9 en NTFR 2008/598, naar het oordeel van het Hof terecht stelt - in die situatie geen liquiditeitsnadeel, reden waarom de Staatssecretaris in dat Besluit het niet vergoeden van heffingsrente niet wenselijk acht in de situatie dat, zoals te dezen, wordt verzocht een eerdere teruggave te corrigeren.</para>
        <para>Evenals in het geval waarover is beslist in Hoge Raad 15 december 1999, nr. 33.369, BNB 2000/168, brengt, naar belanghebbende terecht stelt, een redelijke - en in het wettelijk systeem van de heffingsrente passende - uitleg van artikel 30f, lid 2, letter b, van de AWR mee onder het geval dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven ook het geval te begrijpen, dat een teruggave wordt gecorrigeerd en, al dan niet ambtshalve, wordt gevolgd door een verdere teruggave. Het hoger beroep van de Inspecteur is daarom ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1318:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sector belastingrecht</para>
      <para>Kenmerk: 07/00268</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, </para>
      <para>hierna: de Inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2007, nummer 05/3354 in het geding tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>X GmbH,</para>
      <para>gevestigd te Y, Duitsland, </para>
      <para>hierna: belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van het geding</para>
    <para />
    <para>1.1. Belanghebbende heeft, naar het Hof verstaat, bij elf verzoeken van 21 april 2004 (4 verzoeken), 2 en 30 juli 2004, 10 november 2004, 8, 23, 28 en 30 december 2004 verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 2000 tot en met 2003 en ter zake van die teruggaaf heffingsrente te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>1.2. De Inspecteur heeft belanghebbende wegens overschrijding van de wettelijke termijnen niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken onder toepassing van artikel 65 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) in behandeling genomen. De Inspecteur heeft vervolgens bij ambtshalve genomen beschikking teruggaven verleend tot de hierna vermelde bedragen, zonder vergoeding van heffingsrente. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Nummer </para>
      <para>teruggaafbeschikking	tijdvak	dagtekening</para>
      <para>beschikking		bedrag van </para>
      <para>de teruggaaf	dagtekening uitspraak op bezwaar</para>
      <para>0000.00.000.O.01.0502	mei 2000	7 mei 2004	€	 4.293.625	30 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.0503	2000	13 augustus 2004	€  	75.050	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.0504	2000	1 februari 2005	€	674.998	5 augustus 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.0505	2000	1 februari 2005	€	151.121	30 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.1502	2001	31 juli 2004	€	14.208	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.2502	2002	31 juli 2004	€	33.393	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.2503	2002	3 december 2004	€	333.758	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.2504	2000 t/m 2002	1 februari 2005	€	 64.747	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.2505	2002	1 februari 2005	€	541.319	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.3501	2003	31 juli 2004  	€ 	31.172	22 juli 2005</para>
      <para>0000.00.000.O.01.3502	2003	9 mei 2005	€	296.504	22 juli 2005</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen van teruggaaf omzetbelasting gehandhaafd en wederom geen heffingsrente vergoed, noch uitdrukkelijk melding gemaakt van een weigering tot het vergoeden van heffingsrente. </para>
    <para />
    <para>1.4. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276.</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de Inspecteur gelast aan belanghebbende heffingsrente te vergoeden over de onderhavige teruggaven omzetbelasting en beslist dat aan belanghebbende de proceskosten en het griffierecht worden vergoed.</para>
    <para />
    <para>1.6. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 juni 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.</para>
    <para />
    <para>1.8. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. </para>
    <para />
    <para>1.9. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen wordt gezonden.</para>
    <para />
    <para>1.10. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. </para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Feiten</para>
    <para />
    <para>Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. </para>
    <para />
    <para>2.1. Belanghebbende is een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde, naar Duits recht opgerichte, rechtspersoon en houdt zich, voor zover te dezen van belang, bezig met de exploitatie van onroerende zaken gelegen binnen Nederland. Belanghebbende is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB).</para>
    <para />
    <para>2.2. De heffing van omzetbelasting over de diensten door belanghebbende wordt, onder toepassing van artikel 12, lid 3, Wet OB, grotendeels verlegd naar de afnemers van de diensten. De periodieke aangiften omzetbelasting van belanghebbende resulteren bijgevolg in de meeste gevallen in een teruggaaf.</para>
    <para />
    <para>2.3. Tijdens een interne controle van de administratie van belanghebbende is geconstateerd dat over de tijdvakken 2000 tot en met 2003 ten onrechte een deel van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet op aangifte is teruggevraagd. </para>
    <para />
    <para>2.4. Belanghebbende heeft bij verzoeken van 21 april 2004 en 2 juli 2004 alsnog om teruggaaf van omzetbelasting en vergoeding van heffingsrente verzocht. Deze elf verzoeken zijn met toepassing van artikel 65 van de AWR, behoudens hier niet in geschil zijnde correcties, door de Inspecteur ingewilligd. </para>
    <para />
    <para>2.5. Op de teruggaven noch op de formele uitspraken op de bezwaarschriften wordt apart melding gemaakt van de beslissing van de Inspecteur om geen heffingsrente te vergoeden. Evenmin is door de Inspecteur een aparte beschikking inzake de heffingsrente als bedoeld in artikel 30j AWR afgegeven. Ter zitting voor de Rechtbank alsmede ter zitting voor het Hof hebben partijen evenwel aangegeven, dat het niet-vermelden van enige beslissing over de heffingsrente op de teruggaven moet worden opgevat als een beschikking van de Inspecteur om geen heffingsrente te vergoeden als bedoeld in artikel 30j van de AWR, en dat de uitspraken mede geacht moeten worden tevens uitspraken te zijn op het bezwaar tegen het niet vergoeden van heffingsrente.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of</para>
      <para>heffingsrente moet worden vergoed, wanneer een eerder verleende teruggave van omzetbelasting ambtshalve wordt gevolgd door een verdere teruggave.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is met name:</para>
      <para>1. Of het begrip verschuldigde belasting in artikel 30f, lid 2, letter b, van de AWR bezien vanuit doel en opzet van de heffingsrente algebraïsch moet worden opgevat;</para>
      <para>2. Of een redelijke uitleg van artikel 30f, lid 2, letter b, van de AWR dwingt tot vergoeding van heffingsrente;</para>
      <para>3. Of enig rechtsbeginsel dwingt tot die vergoeding;</para>
      <para>4. Of het Europese recht de Inspecteur daartoe dwingt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal.</para>
    <para />
    <para>3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, bevestiging van de uitspraak op bezwaar en handhaving van de (nihil)beschikkingen heffingsrente. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. </para>
    <para />
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het geschil</para>
    <para />
    <para>4.1. Hier doet zich het geval voor dat een teruggave van omzetbelasting ambtshalve wordt gevolgd door een tweede teruggave. Naar het oordeel van het Hof mag bij de beoordeling van de vraag of over de tweede teruggave heffingsrente moet worden vergoed niet uit het oog worden verloren, dat die teruggave verband houdt met eerder door leveranciers aan de fiscus voldane omzetbelasting. Dit betekent, naar het oordeel van het Hof, dat die voldoening bezien vanuit doel en opzet van de wettelijke regeling van de heffingsrente, op een lijn moet worden gesteld met de afdracht van voorheffingen, zoals loonbelasting of dividendbelasting. Anders dan de Inspecteur meent, mag niet voorbij worden gegaan aan het feit, dat de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting tot op de momenten van de teruggave onder de fiscus heeft berust. De fiscus lijdt - naar de Staatssecretaris in het Besluit van 7 maart 2008, CPP2007/3267, VN 2008/17.9 en NTFR 2008/598, naar het oordeel van het Hof terecht stelt - in die situatie geen liquiditeitsnadeel, reden waarom de Staatssecretaris in dat Besluit het niet vergoeden van heffingsrente niet wenselijk acht in de situatie dat, zoals te dezen, wordt verzocht een eerdere teruggave te corrigeren.</para>
    <para />
    <para>4.2. Evenals in het geval waarover is beslist in Hoge Raad 15 december 1999, nr. 33.369, BNB 2000/168, brengt, naar belanghebbende terecht stelt, een redelijke - en in het wettelijk systeem van de heffingsrente passende - uitleg van artikel 30f, lid 2, letter b, van de AWR mee onder het geval dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven ook het geval te begrijpen, dat een teruggave wordt gecorrigeerd en, al dan niet ambtshalve, wordt gevolgd door een verdere teruggave. Het hoger beroep van de Inspecteur is daarom ongegrond. </para>
    <para />
    <para>4.3. In het midden kan dan blijven of de Inspecteur met zijn weigering in dit geval heffingsrente te vergoeden enig rechtsbeginsel dan wel het Europese recht heeft geschonden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5. Proceskosten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.</para>
      <para>Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak) is € 1.288.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>Het Hof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
      <para>- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;</para>
      <para>- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.288; en</para>
      <para>- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gedaan op 29 juli 2008 door P.J.M. Bongaarts voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Van de Staat wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Het aanwenden van een rechtsmiddel</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
      <para>2.	het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para>      a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>      b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>      d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
    <para />
    <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>