<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-28T11:54:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHSHE:2007:2719</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BA7822</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2007-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C0600075</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T01:34:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-06-2007 / C0600075</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het feit dat [persoon 1] gemachtigd was om met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [plaats] namens [geïntimeerde] op te treden, betekent op zichzelf genomen nog niet dat alle handelingen van [persoon 1] in verband daarmee uitsluitend namens haar zijn verricht en niet voor hemzelf kunnen zijn gedaan. Als mede-eigenaar van de woning was hij daar immers zelf ook bij betrokken. Uit niets blijkt dat [persoon 1] in dit verband op naam van [geïntimeerde] heeft gehandeld. De nota's waarvan [appellante] betaling vordert, staan op naam van [persoon 1] zelf, de betalingsregelingen hielden kennelijk (in ieder geval: mede) verband met zaken tussen [appellante] en [persoon 1] en toen verrekeningen niet mogelijk bleken, wendde [appellante] zich tot [persoon 1] zelf voor betaling en pas in tweede instantie tot [geïntimeerde]. Bij deze stand van zaken heeft [appellante] haar stelling dat [persoon 1] als gevolmachtigde van [geïntimeerde] handelde tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [geïntimeerde], onvoldoende onderbouwd. Dit brengt mee dat het ervoor gehouden dient te worden dat [persoon 1] voor zichzelf optrad en niet namens [geïntimeerde].</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7822:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>typ. CB</para>
      <para>rolnr. C0600075/HE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,</para>
      <para>sector civiel recht,</para>
      <para>vijfde kamer, van 12 juni 2007, </para>
      <para>gewezen in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE],</para>
      <para>gevestigd te [plaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>procureur: mr. C.C.E. Wilschut,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[GEÏNTIMEERDE],</para>
      <para>wonende te [plaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>op het bij exploot van dagvaarding van 19 december 2005 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen appellante, [appellante], als eiseres en geïntimeerde, [geïntimeerde], als gedaagde onder zaaknummer/rolnummer 126862/HA ZA 05-1191 gewezen vonnis van 14 december 2005.</para>
    <para />
    <para>1. De eerste aanleg</para>
    <para />
    <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 12 oktober 2005, die zich bij de processtukken bevinden.</para>
    <para />
    <para>2. Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het eindvonnis van 14 december 2005 is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen. </para>
      <para>Bij memorie van grieven tevens ho[plaats]de akte ter verduidelijking en aanvulling der rechtsgronden heeft [appellante] onder overlegging van twee producties drie grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven. Bij memorie van antwoord tevens antwoordakte heeft [geïntimeerde] onder overlegging van twee producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. </para>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De grieven</para>
    <para />
    <para>Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.</para>
    <para />
    <para>4. De beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.</para>
      <para>a) [geïntimeerde] is voor 99/100 deel eigenaresse geweest van een woning aan de [adres 1] te [plaats]; haar toenmalige partner [persoon 1] was voor 1/100 deel eigenaar. </para>
      <para>b) Bij notariële akte van [datum 1] heeft [geïntimeerde] aan [persoon 1] een algemene volmacht verstrekt met betrekking tot, onder meer, deze woning (prod. 1 mvg).</para>
      <para>c) In 1997/1998 zijn aan de woning verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd. </para>
      <para>d) [appellante] heeft bij [persoon 1] in verband met de uitvoering van de werkzaamheden en de levering van bouwmaterialen een aantal nota's opgesteld. Volgens een overzicht van 8 december 1998 gaat het hierbij om een bedrag van in totaal ƒ 44.948,33 (prod. 1 akte 18 mei 2005).</para>
      <para>e) Bij brief van 3 oktober 2001 aan [persoon 1] heeft [appellante] verzocht om betaling van de openstaande nota's van de verbouwingen aan de [adres 1] voor het bedrag van ƒ 44.948,33 (prod. 2 akte 18 mei 2005).</para>
      <para>f) De relatie tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] is in juni 2001 verbroken. De woning aan de [adres 1] te [plaats] is in 2003 aan een derde verkocht.</para>
      <para>g) [persoon 1] heeft [appellante] laten weten niet bereid zijn de nota's te voldoen en hem in een brief van 27 oktober 2004 verwezen naar [geïntimeerde]. Volgens [persoon 1] is het juist dat [geïntimeerde] de nota's voldoet omdat zij alleen de overwaarde van de woning heeft ontvangen (prod. 3 akte 18 mei 2005). </para>
      <para>h) In deze brief is sprake van een totaalbedrag van ƒ 41.571,44, hetgeen correspondeert met het overzicht van 8 december 1998 na aftrek van een daarop doorgestreepte post van ƒ 2.873,95 exclusief btw.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2 In deze procedure vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het volgens [appellante] openstaande bedrag van (omgerekend en afgerond) € 18.864,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 1999 en met € 1.188,= aan buitengerechtelijke kosten. [appellante] legt aan haar vordering ten grondslag primair nakoming van een verbintenis en subsidiair ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [appellante] is [persoon 1] in deze aangelegenheid opgetreden als gevolmachtigde van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] betwist een en ander. Daarbij beroept zij zich onder meer op verjaring van de vordering.</para>
    <para />
    <para>4.3 De rechtbank heeft in het vonnis van 14 december 2005 dit beroep gehonoreerd en op grond daarvan de vordering van [appellante] afgewezen. </para>
    <para />
    <para>4.4 In haar toelichting op grief I heeft [appellante] gesteld dat [persoon 1] een recht van koop van een perceel grond aan de [adres 2] te [plaats] had en dat [appellante] betrokken zou zijn bij de ontwikkeling van een bedrijfsruimte met appartementen, waarbij uit de door [geïntimeerde] te genereren opbrengst de openstaande nota's zouden worden verrekend. Medio september 2001 is evenwel het gehele project verkocht. [appellante] is daarmee akkoord gegaan, maar heeft daarbij aan [persoon 1] laten weten dat de nota's onmiddellijk betaald dienden te worden. [persoon 1] heeft toegezegd daarvoor te zorgen, aldus [appellante]. Toen vervolgens bleek dat betaling ook niet kon plaatsvinden uit de opbrengst van een ander object, heeft [persoon 1] namens [geïntimeerde] meegedeeld dat verrekening zou plaatsvinden met de te genereren overwaarde van de woning aan de [adres 1] te [plaats]. Uit de overgelegde notariële akte blijkt dat [persoon 1] bevoegd was hierbij namens [geïntimeerde] op te treden.</para>
    <para />
    <para>4.5 [geïntimeerde] heeft hier tegenover gesteld dat [persoon 1] niet namens haar maar voor zichzelf optrad. Zij wijst erop dat [appellante] en [persoon 1], zoals ook blijkt uit hetgeen [appellante] zelf naar voren heeft gebracht, geruime tijd een zakelijke relatie hebben onderhouden. In het kader van hun gezamenlijke belangen in onroerende goed en de af- en verrekeningen die daarbij plaatsvonden, zouden ook de facturen die nu in geschil zijn, worden voldaan. </para>
    <para />
    <para>4.6 Het hof overweegt hierover het volgende. Het feit dat [persoon 1] gemachtigd was om met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [plaats] namens [geïntimeerde] op te treden, betekent op zichzelf genomen nog niet dat alle handelingen van [persoon 1] in verband daarmee uitsluitend namens haar zijn verricht en niet voor hemzelf kunnen zijn gedaan. Als mede-eigenaar van de woning was hij daar immers zelf ook bij betrokken. Uit niets blijkt dat [persoon 1] in dit verband op naam van [geïntimeerde] heeft gehandeld. De nota's waarvan [appellante] betaling vordert, staan op naam van [persoon 1] zelf, de betalingsregelingen hielden kennelijk (in ieder geval: mede) verband met zaken tussen [appellante] en [persoon 1] en toen verrekeningen niet mogelijk bleken, wendde [appellante] zich tot [persoon 1] zelf voor betaling en pas in tweede instantie tot [geïntimeerde]. Bij deze stand van zaken heeft [appellante] haar stelling dat [persoon 1] als gevolmachtigde van [geïntimeerde] handelde tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [geïntimeerde], onvoldoende onderbouwd. Dit brengt mee dat het ervoor gehouden dient te worden dat [persoon 1] voor zichzelf optrad en niet namens [geïntimeerde]. De grieven I en II die beide betrekking op de kwestie van de volmacht, worden verworpen.</para>
    <para />
    <para>4.7 Grief III betreft het door de rechtbank aanvaarde beroep van [geïntimeerde] op verjaring. In haar toelichting op deze grief wijst [appellante] erop dat door [persoon 1] is erkend dat de nota's nog openstonden en dat zij haar brief van 3 oktober 2001 aan [persoon 1] heeft gericht aan het adres waar toen ook [geïntimeerde] woonde. Zowel door de erkenning als door de brief is de verjaring volgens [appellante] gestuit.</para>
    <para />
    <para>4.8 Ook deze grief wordt verworpen. Zoals hiervoor overwogen, kan het optreden van [persoon 1] tegenover [appellante] in deze aangelegenheid niet worden opgevat als optreden namens [geïntimeerde]. Dat betekent dat de erkenning van de nota's door [persoon 1] alleen hemzelf raakt in die zin dat daardoor jegens [persoon 1] de verjaring wordt gestuit, maar niet jegens [geïntimeerde]. De brief van 3 oktober 2001 is gericht aan [persoon 1] en niet aan [geïntimeerde], terwijl de inhoud ervan naar het oordeel van het hof niet kan worden aangemerkt als een mededeling waarbij [appellante] zich ondubbelzinnig haar recht op betaling door [geïntimeerde] voorbehoudt. Daarmee is ook deze brief ongeschikt om als stuitingshandeling te dienen. Enige andere stuitingshandeling is niet gesteld of gebleken. De gestelde vordering dateert van 1997/1998 en de inleidende dagvaarding van  10 mei 2005, zodat op dat moment de verjaringstermijn van vijf jaar reeds was verlopen.</para>
    <para />
    <para>4.9 [appellante] heeft in haar memorie van grieven verduidelijkt dat zij zich primair op nakoming van een verbintenis en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking baseert. Voor beide grondslagen geldt dat [geïntimeerde] zich met vrucht op verjaring kan beroepen. Door [appellante] is in ieder geval niet gesteld dat voor de ene grondslag een ander, in de zin van later, aanvangsmoment heeft te gelden dan voor de andere grondslag.</para>
    <para />
    <para>4.10 [appellante] heeft overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd. </para>
    <para />
    <para>4.11 Nu de grieven zijn verworpen, wordt het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.</para>
    <para />
    <para>5. De beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris procureur;</para>
    <para />
    <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 12 juni 2007.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>