<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:29:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ0999</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C200400812</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:40:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 10-10-2006 / C200400812</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Al met al oordeelt het hof dan ook dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat er een fee van f. 6.000,- per kwartaal is overeengekomen tussen [naam 2] en [naam 1].</para>
        <para>Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0999:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>typ. NJ</para>
      <para>rolnr. C0400812/BR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,</para>
      <para>achtste kamer, van 10 oktober 2006,</para>
      <para>gewezen in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[APPELLANTE] B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [plaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>procureur: mr. A.K.M. van Meer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[GEÏNTIMEERDE],</para>
      <para>wonende te [plaats],</para>
      <para>geïntimeerde,	</para>
      <para>procureur: mr. J.E. Lenglet,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 september 2005 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 113161/HA ZA 02-1647 gewezen vonnis van 10 maart 2004 tussen appellante - [appellante] - als opposante en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als geopposeerde</para>
    <para />
    <para>6. Het tussenarrest van 27 september 2005  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij genoemd arrest is aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekt en is iedere verdere beslissing aangehouden.	</para>
      <para>7. Het verdere verloop van de procedure </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De enquête heeft plaatsgevonden op 22 december 2005 en de contra-enquête op 16 februari 2006. Van de verhoren is proces-verbaal opgemaakt waarvan afschriften bij de stukken.</para>
      <para>[geïntimeerde] heeft daarna een memorie na enquête genomen onder overlegging van een productie en [appellante] heeft dat vervolgens eveneens gedaan onder overlegging van een productie.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en uitspraak gevraagd.</para>
    <para />
    <para>8. De verdere beoordeling</para>
    <para />
    <para>8.1. In genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] toegelaten tot het bijbrengen van nader bewijs van haar stelling dat tussen wijlen [naam 1] en [appellante] is overeengekomen dat [appellante] aan [naam 1] h.o.d.n. Combiline een bedrag van               f. 7.140,00 inclusief btw (E. 3.239,00) per kwartaal zou voldoen als fee voor de bemiddeling bij de detacheringovereenkomst, zolang die overeenkomst inzake [naam 2] tussen [appellante] en PON zou voortduren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.2. [geïntimeerde] heeft daartoe drie getuigen doen horen: haarzelf en de heren [naam 2] en [naam 3].</para>
      <para>[appellante] heeft de heren [naam 4] en [naam 5] doen horen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8.3. Het hof overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>8.3.1. Tussen partijen staat vast dat [naam 2] namens [appellante] de onderhandelingen mocht voeren met [naam 1] over de bemiddelingsfee en dat hij de afspraken daaromtrent met [naam 1] heeft gemaakt. Voor de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst komt het dan ook aan op hetgeen [naam 2] aan [naam 1] heeft medegedeeld omtrent de instemming van [appellante] en is uiteindelijk niet relevant of [naam 2] daarover werkelijk de volledige instemming van de heren [naam 4] en/of [naam 5] van [appellante] had. Grief V, die opkomt tegen de met deze beslissing overeenkomende overweging van de rechtbank faalt derhalve. Ook grief IV faalt, aangezien de rechtbank terecht heeft overwogen dat [naam 4] en [naam 5] niet hebben kunnen verklaren omtrent de inhoud van de gesprekken tussen [naam 2] en [naam 1]. Zij hebben daarover immers alleen informatie gehad van [naam 2], aan wie zij het voeren van die gesprekken hebben overgelaten.</para>
    <para />
    <para>8.3.2. De grief III betreft de waardering en weging van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen. Het hof zal deze grieven betrekken in de beoordeling van het thans door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs.</para>
    <para />
    <para>De verklaring van [geïntimeerde] als getuige bij het hof is vrijwel gelijkluidend aan haar verklaring bij de rechtbank; zij geeft expliciet aan dat er in het restaurant [naam restaurant] overeenstemming is bereikt over een vast bedrag van f. 6.000,- per kwartaal onder voorbehoud van goedkeuring van [appellante], en dat zij daar destijds aantekeningen van heeft gemaakt.</para>
    <para />
    <para>De afspraak tussen [naam 2] (namens [appellante]) en [naam 1] omtrent f. 6.000,- per kwartaal wordt door [naam 3] bevestigd, die thans verklaart dit niet alleen van [naam 2] te hebben gehoord, maar ook van [naam 1] zelf, terwijl [naam 2] hem nadien nogmaals heeft bevestigd dat de afspraken met [naam 1] rond waren.</para>
    <para />
    <para>[naam 2] blijft bij zijn verklaring zoals in eerste aanleg afgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof oordeelt de verklaring van [geïntimeerde] nu wel voldoende gesteund door die van [naam 3], waarin deze immers thans verklaart ook zelf van [naam 1] te hebben vernomen dat er een fee van fl. 6.000,- per kwartaal is afgesproken.</para>
      <para>Het hof oordeelt het feit dat [naam 3] betrokken is geweest bij Combiline, mede gelet op de uitleg die daarover is gegeven door de getuigen [geïntimeerde] en [naam 3], geen reden om aan de geloofwaardigheid van de verklaring die [naam 3] in deze zaak heeft afgelegd, te twijfelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenmin oordeelt het hof het feit dat er een geschil bestond tussen [naam 2] en [appellante] en dat [naam 2] uit dien hoofde een bedrag aan [appellante] dient te betalen, reden om aan de verklaringen van [naam 2] te twijfelen, mede gelet op diens ontkenning enig belang te hebben bij de uitkomst van deze procedure.</para>
      <para>Grief III faalt derhalve eveneens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verklaring die [naam 4] als getuige aflegt verschilt op substantiële punten van zijn verklaring in eerste aanleg:</para>
      <para>[naam 4] verklaarde in eerste aanleg dat hij aan [naam 2] heeft medegedeeld dat [naam 5] en hij bereid waren tot betaling van een eenmalige vergoeding van     f. 6.000,- exclusief btw en dat "nadat" hij dat gesprek met [naam 2] had gevoerd, [naam 2] terug kwam met een getekende opdracht van PON. Hieruit volgt dat volgens [naam 4] deze afspraak met [naam 2] is gemaakt voordat [naam 2] in dienst trad bij PON.</para>
      <para>Thans in hoger beroep verklaart hij dat nadat [naam 2] bij PON was gestart, hij een e-mail kreeg van [naam 2] met een voorstel over de fee, en dat hij akkoord ging mits deze beperkt werd tot een bedrag gerekend over 6 maanden.</para>
      <para>Die e-mail is door hem aan het hof overgelegd ter gelegenheid van de enquête en is aan het proces-verbaal gehecht.</para>
      <para>[naam 5] verklaart eveneens dat pas nadat [naam 2] bij PON aan de slag was, [naam 2] met het verhaal kwam dat zijn relatie voor de bemiddeling een fee wenste, en dat [naam 2] daarover een voorstel per e-mail heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verklaringen die [naam 4] en [naam 5] in eerste aanleg hebben afgelegd, inhoudende dat vooraf een vaste limiet van fl. 6.000,- zou zijn genoemd door [naam 4] aan [naam 2] - waarmee nog niet gezegd is dat [naam 2] dit ook zo is overeengekomen met [naam 1] - wordt afbreuk gedaan door de daarmee in strijd zijnde verklaring in hoger beroep, dat er pas veel later door [naam 2] zou zijn gemeld dat [naam 1] een fee wenste.</para>
      <para>Uit de e-mail van [naam 2] die is overgelegd blijkt slechts een voorstel van [naam 2] aan [naam 4] om aan [naam 1] 4% over diens omzet bij PON te betalen, waarbij hij berekent dat dit over twee periodes neerkomt op f. 6.480,-. Uit de </para>
      <para>e-mail blijkt niet hoe het voorstel van [naam 4] aan [naam 5] om de fee tot een periode van 6 maanden te beperken, is gecommuniceerd met [naam 2]. Met name blijkt noch uit deze e-mail, noch uit de - niet consistente - verklaringen van [naam 4] en [naam 5] wat [naam 2] mogelijk voordien namens [appellante] heeft afgesproken met [naam 1]. Voorts schreef [naam 5] op 27 september 2001 aan [geïntimeerde] dat de bemiddelingskosten slechts voor een periode van drie maanden zouden gelden, wat ook weer niet overeenkomt met hetgeen [naam 4] en [naam 5] als getuigen in hoger beroep verklaren. Dit alles doet ernstig afbreuk aan het tegenbewijs. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al met al oordeelt het hof dan ook dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat er een fee van f. 6.000,- per kwartaal is overeengekomen tussen [naam 2] en [naam 1].</para>
      <para>Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8.3.3. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerde].</para>
    <para />
    <para>9. De uitspraak</para>
    <para> </para>
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 755,- aan verschotten en E. 2.592,- aan salaris procureur;</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 oktober 2006.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>