<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T01:01:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY0416</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C0100357</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:14:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-06-2006 / C0100357</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat (in de zaak onder rolnr. 01/357) de grieven van [appellante sub 2] en TVM, wat betreft het oordeel over hun aansprakelijkheid jegens Aegon cs, moeten worden verworpen. In de verhouding tussen deze partijen speelt de loi Badinter immers geen rol, nu het hof [appellante sub 2] reeds op grond van de algemene regeling van de onrechtmatige daad naar Frans recht aansprakelijk heeft geacht (r.o. 4.7.8).</para>
        <para>Ook heeft het hof alle grieven van [transportbedrijf x] in de procedure tegen Aegon cs (rolnr. 00/1146) behandeld (op de vierde grief van [transportbedrijf x] tegen de proceskostenveroordeling na) alsmede de voorwaardelijke incidentele grief van [transportbedrijf x] in de zaak onder rolnr. 01/357.</para>
        <para>De vragen die thans nog openstaan en die het hof heeft aangeduid in r.o. 4.11.1 e.v., betreffen mitsdien alleen de vordering in vrijwaring van [appellante sub 2] en TVM tegen [transportbedrijf x] (rolnr. 01/357, naar aanleiding van de vierde grief van [appellante sub 2] en TVM).</para>
        <para>In de zaak onder rolnr. 00/1146 houdt het hof opnieuw de verdere uitspraak aan, totdat ook op die vierde grief kan worden beslist. De thans nog te beoordelen aspecten betreffen alleen de zaak 01/357 tussen [appellante sub 2] en TVM, en [transportbedrijf x] (de vrijwaring).</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0416:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>typ. JD</para>
      <para>rolnrs. C0100357/RO en C0001146/RO</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,</para>
      <para>vierde kamer, van 20 juni 2006,</para>
      <para>gewezen in de gevoegde zaken van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>rolnr. 01/357:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de onderlinge waarborgmaatschappij TRANSVEMIJ U.A.,</para>
      <para>   gevestigd te Hoogeveen,</para>
      <para>2. de besloten vennootschap [APPELLANTE SUB 2],</para>
      <para>   gevestigd te [plaats],</para>
      <para>appellanten in principaal appel bij exploot van    </para>
      <para>dagvaarding van 29 november 2000,	</para>
      <para>geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appel</para>
      <para>van incidenteel appellante [transportbedrijf X],</para>
      <para>procureur: mr. H.E.G. van der Flier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,</para>
      <para>   gevestigd te 's-Gravenhage,</para>
      <para>2. de besloten vennootschap [GEÏNTIMEERDE SUB 2],</para>
      <para>   gevestigd te [plaats],</para>
      <para>3. de besloten vennootschap VAKO B.V.,</para>
      <para>   gevestigd te 's-Hertogenbosch,</para>
      <para>geïntimeerden bij gemeld exploot,</para>
      <para>procureur: mr. W.J. Kolkert,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht [TRANSPORTBEDRIJF X],</para>
      <para>gevestigd te [plaats], </para>
      <para>geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot, </para>
      <para>appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,</para>
      <para>procureur: mr. J.E. Lenglet,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>rolnr. 00/1146:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap naar Belgisch recht [TRANSPORTBEDRIJF X],</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudend te [plaats],</para>
      <para>appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 27 november 2000,</para>
      <para>geïntimeerde in incidenteel appel,</para>
      <para>procureur: mr. J.E. Lenglet,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,</para>
      <para>   gevestigd te 's-Gravenhage,</para>
      <para>2. de besloten vennootschap [GEÏNTIMEERDE SUB 2],</para>
      <para>   gevestigd te [plaats],</para>
      <para>3. de besloten vennootschap VAKO B.V.,</para>
      <para>   gevestigd te 's-Hertogenbosch,</para>
      <para>geïntimeerden in principaal appel bij gemeld exploot, appellanten in incidenteel appel,</para>
      <para>procureur: mr. W.J. Kolkert,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>als vervolg op het tussenarrest in deze gevoegde zaken van 8 november 2005.</para>
    <para />
    <para>In beide zaken:</para>
    <para />
    <para>6. Het tussenarrest van 8 november 2005</para>
    <para />
    <para>In dit arrest werd beslist dat de stukken weer in handen van partijen gesteld om zich uit te laten over een aantal door het hof aan de orde gestelde punten.</para>
    <para />
    <para>7. Het verdere verloop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellante sub 2] en TVM, Aegon cs, en [transportbedrijf x] hebben ieder een akte met producties genomen.</para>
      <para>Daarna hebben partijen de stukken opnieuw overgelegd en uitspraak gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De verdere beoordeling</para>
    <para />
    <para>8.1. Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 8 november 2005 is overwogen, met dien verstande dat in r.o. 4.2.1 als datum van het ongeval gelezen dient te worden 26 april 1996.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.2. In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat (in de zaak onder rolnr. 01/357) de grieven van [appellante sub 2] en TVM, wat betreft het oordeel over hun aansprakelijkheid jegens Aegon cs, moeten worden verworpen. In de verhouding tussen deze partijen speelt de loi Badinter immers geen rol, nu het hof [appellante sub 2] reeds op grond van de algemene regeling van de onrechtmatige daad naar Frans recht aansprakelijk heeft geacht (r.o. 4.7.8).</para>
      <para>Ook heeft het hof alle grieven van [transportbedrijf x] in de procedure tegen Aegon cs (rolnr. 00/1146) behandeld (op de vierde grief van [transportbedrijf x] tegen de proceskostenveroordeling na) alsmede de voorwaardelijke incidentele grief van [transportbedrijf x] in de zaak onder rolnr. 01/357.</para>
      <para>De vragen die thans nog openstaan en die het hof heeft aangeduid in r.o. 4.11.1 e.v., betreffen mitsdien alleen de vordering in vrijwaring van [appellante sub 2] en TVM tegen [transportbedrijf x] (rolnr. 01/357, naar aanleiding van de vierde grief van [appellante sub 2] en TVM).</para>
      <para>In de zaak onder rolnr. 00/1146 houdt het hof opnieuw de verdere uitspraak aan, totdat ook op die vierde grief kan worden beslist. De thans nog te beoordelen aspecten betreffen alleen de zaak 01/357 tussen [appellante sub 2] en TVM, en [transportbedrijf x] (de vrijwaring).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8.3. Aegon cs heeft mitsdien terecht in haar akte naar voren gebracht, dat de vragen die [appellante sub 2] en TVM voorstellen aan het I.J.I voor te leggen niet van belang zijn voor zover het de vordering van Aegon cs betreft; voor zover die vordering is gericht tegen [appellante sub 2] en TVM geldt hetgeen zojuist is overwogen, en voor zover die vordering is gericht tegen [transportbedrijf x] heeft het hof reeds geoordeeld, met verwerping van de betreffende grieven van [transportbedrijf x], dat [transportbedrijf x] op grond van het CMR jegens Aegon cs aansprakelijk is en zich niet op overmacht kan beroepen.</para>
    <para />
    <para>8.4. Alvorens een oordeel te geven over de stellingen en producties van [appellante sub 2] en TVM over de loi Badinter en het Verdrag verkeersongevallen zal het hof het I.J.I verzoeken het hof voor te lichten en de navolgende vragen te beantwoorden:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Is het Verdrag verkeersongevallen van toepassing op de vordering in de vrijwaringszaak van [appellante sub 2] en TVM tegen [transportbedrijf x]? Zo ja, op welke grond en welke consequenties heeft dat?</para>
      <para>2. Is de zo geheten loi Badinter uit het Franse recht van toepassing op deze vordering van [appellante sub 2] en TVM tegen [transportbedrijf x]? Zo ja, op welke grond en wat is de consequentie daarvan? </para>
      <para>3. Indien beide vorige vragen negatief beantwoord worden, rijst de vraag naar welk Frans recht de vrijwaringsvordering moet worden beoordeeld. Wat zijn daar de consequenties van? </para>
      <para>4. Welke invloed heeft de omstandigheid dat het hof [appellante sub 2] en TVM uit onrechtmatige daad (naar Frans recht) aansprakelijk acht jegens de belanghebbenden bij de lading die [transportbedrijf x] vervoerde? </para>
      <para>5. Is van belang dat het hof bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [transportbedrijf x] jegens deze ladingbelanghebbenden het beroep van [transportbedrijf x] op overmacht op grond van art. 17 lid 2 CMR heeft verworpen? Welke invloed heeft de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van [transportbedrijf x] jegens de ladingbelanghebbenden volgens het CMR tot bepaalde maxima is gelimiteerd?</para>
      <para>3. Zijn er verder nog (internationaal privaatrechtelijke) aspecten bij de beoordeling van de aansprakelijkheidstelling door [appellante sub 2] en TVM van [transportbedrijf x], waarvan u kennisneming voor het hof van belang acht? </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.5. Het hof zal de zaak thans in handen stellen van het I.J.I ter beantwoording van bovengeformuleerde vragen.</para>
      <para>Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>in de zaak onder rolnummer 01/357:</para>
    <para />
    <para>stelt de stukken in handen van het I.J.I. ter beantwoording van de in r.o. 8.4 gestelde vragen;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de griffie van dit hof daartoe kopieën van de navolgende stukken zal zenden aan het I.J.I, Spui 186, 2511 BW 's-Gravenhage:</para>
      <para>- het vonnis waarvan beroep (d.d. 31 augustus 2000)</para>
      <para>- de memorie van grieven van [appellante sub 2] en TVM (van belang:   </para>
      <para>  grief IV)</para>
      <para>- de memorie van antwoord van Aegon cs (van belang:   </para>
      <para>  reactie op grief IV)</para>
      <para>- de memorie van antwoord van [transportbedrijf x] (van belang: de reactie </para>
      <para>  op grief IV)</para>
      <para>- het tussenarrest van 8 november 2005 (vooral van belang: </para>
      <para>  r.o. 4.11.1 e.v.)</para>
      <para>- de akte van [appellante sub 2] en TVM van 10 januari 2006</para>
      <para>- de akte van Aegon cs van 7 februari 2006</para>
      <para>- de akte van [transportbedrijf x] van 7 februari 2006, met bepaling dat </para>
      <para>  als het I.J.I behoefte heeft aan meer processtukken, zij </para>
      <para>  de griffie van het hof om toezending van kopieën daarvan </para>
      <para>  kan vragen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verzoekt het I.J.I om een gemotiveerd advies omtrent deze vragen zo mogelijk binnen twee maanden te zenden aan het hof en aan de procureurs van partijen;</para>
    <para />
    <para>bepaalt dat de zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle van 19 september 2006 voor memorie na advies I.J.I aan de zijde van [appellante sub 2] en TVM;</para>
    <para />
    <para>in beide zaken:</para>
    <para />
    <para>houdt voor het overige iedere uitspraak aan.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs De Groot-van Dijken, Pellis en De Kok en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 20 juni 2006.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>