<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T12:12:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AE1919</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C0100553</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T17:44:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-04-2002 / C0100553</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1919:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>typ. BH</para>
      <para>rolnr. C0100553/BR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,</para>
      <para>vierde kamer, van 18 april 2002,</para>
      <para>gewezen in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[APPELLANTE][appellante]</para>
      <para>statutair gevestigd te[vestigingsplaats],</para>
      <para>appellante bij exploot van dagvaarding van </para>
      <para>8 juni 2001,</para>
      <para>procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[GEÏNTIMEERDE] [geïntimeerde]statutair gevestigd te[vestigingsplaats],</para>
      <para>geïntimeerde bij gemeld exploot,	</para>
      <para>niet verschenen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Breda gewezen vonnis van 13 maart 2001 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 93366/HA ZA 01-388) </para>
    <para />
    <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    <para>				</para>
    <para>2. Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <para>2.1. In de appeldagvaarding heeft [appellante] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vordering.</para>
    <para />
    <para>2.2. [geïntimeerde] is niet in rechte verschenen, waarna tegen haar verstek is verleend.</para>
    <para> </para>
    <para>2.3. [appellante] heeft daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.</para>
    <para />
    <para>3. De gronden van het hoger beroep</para>
    <para />
    <para>De drie grieven strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte niet de gehele vordering van [appellante] heeft toegewezen.</para>
    <para />
    <para>4. De beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.</para>
      <para>1. [appellante] heeft op grond van een geldleningsovereenkomst d.d. 17 februari 1999 (prod. 1 cve) F 50.000,- uitgeleend aan [geïntimeerde].</para>
      <para>Overeengekomen is dat aflossing uiterlijk op 1 september 1999 zou plaatsvinden door terugbetaling van een bedrag van F 55.000,-, bij gebreke waarvan [geïntimeerde] een boeterente verbeurt van 1% per maand over het niet-tijdig betaalde bedrag.</para>
      <para>2. Op 1 september 1999 vond geen aflossing als voormeld plaats. Na aanmaning door [appellante] heeft [geïntimeerde] op 25 november 1999 een bedrag van F 10.000,- betaald en op 8 februari 2000 een bedrag van F 7.500,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. [appellante] heeft [geïntimeerde] op 13 februari 2001 gedagvaard tot terugbetaling van de pro resto verschuldigde hoofdsom van F 40.950,-, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. </para>
    <para />
    <para>4.3. De rechtbank heeft bij verstekvonnis d.d. 13 maart 2001 de vordering van [appellante] grotendeels toegewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. [appellante] heeft in de toelichting op grief I (onder punt 1.2. in de op een na laatste zin) gesteld dat de pro resto verschuldigde hoofdsom van F 40.950,- de resultante is van de hoofdsom met de opeisbare (boete)rente, verminderd met de twee voormelde deelbetalingen. [appellante] verwijst naar een brief van 8 september 2000 met een berekening, maar deze heeft het hof niet aangetroffen. </para>
      <para>4.4.1. Uitgaande van de onweersproken stellingen van [appellante] en uitgaande van het feit dat de laatste deelbetaling plaatsvond op 8 februari 2000 is op grond van de geldleningsovereenkomst het door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigde bedrag als volgt te berekenen:</para>
      <para>de pro resto verschuldigde hoofdsom</para>
      <para>bedraagt                                F 40.950,-</para>
      <para>de overeengekomen boeterente van</para>
      <para>1% per maand vanaf 8 febr. 2000 </para>
      <para>tot 8 febr. 2001 (= 12 mnd a 1%)      + F  4.914,-</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het ten tijde van de inleidende</para>
      <para>dagvaarding d.d. 12 febr. 2001 te</para>
      <para>incasseren bedrag beliep dus            F 45.864,-</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>te vermeerderen met de in art. 3 van de geldleningsovereenkomst overeengekomen boeterente van 1% per maand over de restant-hoofdsom van F 40.950,- vanaf 8 februari 2001.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Grief 1 slaagt. De rechtbank heeft, gelet op art. 6: 44, lid 1 BW, de deelbetalingen ten onrechte in mindering gebracht op de oorspronkelijke hoofdsom van F 55.000,- en aldus ten onrechte de pro resto verschuldigde hoofdsom gesteld op F 37.500,-. De deelbetalingen dienen immers eerst in mindering te strekken op de reeds opeisbare rente.</para>
      <para>4.5.1. Grief 2 slaagt. De rechtbank heeft, gelet op art. 3 jo 6 van de geldleningsovereenkomst, de overeengekomen  boeterente van 1% per maand ten onrechte eerst doen ingaan op 22 november 2000.</para>
      <para>4.5.2. Grief 3 faalt.</para>
      <para>Terzake van buitengerechtelijke incassokosten heeft de rechtbank toegewezen het bedrag dat volgens de gebruikelijke tarieven van het "Rapport Voorwerk" toewijsbaar is, hetgeen het hof berekent op F 2.200,- (2 punten tarief III in eerste aanleg conform aanbeveling I).</para>
      <para>[appellante] vordert F 4.709,25 (10% van het te incasseren bedrag), doch zij heeft niet gesteld dat de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten hoger zijn dan F 2.200,- en zulks ook niet gemotiveerd. Hetgeen [appellante] dienaangaande in de toelichting op grief 3 aanvoert is daartoe onvoldoende. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de bedongen buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden gematigd tot F 2.200,-.</para>
      <para>Voorzover [appellante] subsidiair op bedoeld bedrag van F 4.709,25 aanspraak maakt op grond van art. 6: 96, lid 2, aanhef en sub c BW, stellende dat dit redelijke kosten zijn ter verkrijging van voldoening buiten rechte, heeft [appellante] ook geen feiten aangevoerd die de conclusie wettigen dat de werkelijk gemaakte kosten het bedrag van F 4.709,25 belopen en dat die kosten redelijk zijn. Ook daarvoor geldt dat hetgeen in de toelichting op grief 3 is aangevoerd onvoldoende is. Het hof ziet daarom geen grond de buitengerechtelijke kosten op het door [appellante] gevorderde bedrag vast te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Nu de grieven 1 en 2 slagen moet het beroepen vonnis worden vernietigd.</para>
      <para>Toewijsbaar is bovenvermeld bedrag van F 45.864,- plus F 2.200,- terzake van buitengerechteljke incassokosten, totaal F 48.064,-, in Euro's 21.810,49, vermeerderd met de overeengekomen rente over F 40.950,- (€ 18.582,29) vanaf 8 februari 2001. </para>
      <para>Hetgeen [appellante] meer wegens rente vordert, is niet toewijsbaar, nu haar berekening niet juist is.</para>
      <para>4.6.1. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>5. De uitspraak</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>vernietigt het vonnis d.d. 13 maart 2001;</para>
    <para />
    <para>en, opnieuw rechtdoende,</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 21.810,49, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1 % per maand over € 18.582,29 vanaf 8 februari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    <para />
    <para>wijst af het meer of anders gevorderde;</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg welke kosten, voorzover aan de zijde van [appellante] gevallen, tot op heden worden begroot op € 766,- (F 1.688,05);</para>
    <para />
    <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep welke kosten, voorzover aan de zijde van [appellante] gevallen, tot op heden worden begroot op € 676,11 (F 1.489,95) wegens verschotten en € 1.000,- wegens salaris van de procureur;</para>
    <para />
    <para>verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 april 2002.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>