<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-03T18:34:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY5772</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.111.038-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:15:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772 Gerechtshof 's-Gravenhage , 14-11-2012 / 200.111.038-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontheffing van het gezag. Bekrachtiging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5772:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak 			: 14 november 2012</para>
      <para>Zaaknummer			: 200.111.038/01</para>
      <para>Rekestnummer rechtbank		: JE RK 12-854</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, </para>
      <para>verweerder in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende zijn aangemerkt:</para>
      <para>1. [de vader],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>hierna te noemen: de vader;</para>
      <para>2. de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,</para>
      <para>optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Rotterdam, </para>
      <para>hierna te noemen: de WSS. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, zijn aangemerkt:</para>
      <para>1. Stichting De Ontmoeting te Rotterdam,</para>
      <para>hierna te noemen: de Stichting,</para>
      <para>2. Het Dok te Rotterdam,</para>
      <para>hierna te noemen: het Dok.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>De moeder is op 2 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 mei 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>van de zijde van de moeder:</para>
      <para>- 	op 24 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De raad heeft bij brief van 24 september 2012 aan het hof laten weten ter zitting te zullen verschijnen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op 10 oktober 2012 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting waren aanwezig:</para>
      <para>-	de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>-	mevrouw P. van Vessem namens de raad;</para>
      <para>-	de vader;</para>
      <para>-	mevrouw M. Jap-A-Joe namens de WSS.</para>
      <para>De Stichting en het Dok zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De hierna te noemen minderjarige [kind Z] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling of schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN</para>
    <para />
    <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>-	de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen [kind X], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] hierna: [X]) en [kind Y], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], (hierna: [Y])</para>
      <para>alsmede,</para>
      <para>-	de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind Z], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], (hierna: [Z]) hierna ook gezamenlijk: de minderjarigen.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank Jeugdzorg tot voogdes benoemd over de minderjarigen en is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de WSS. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.</para>
    <para />
    <para>Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.</para>
    <para />
    <para>De minderjarigen zijn geboren uit de moeder. De vader heeft de minderjarigen erkend. De ouders hadden gezamenlijk het gezag over [X] en [Y]. De moeder was van rechtswege alleen met het gezag over [Z] belast.</para>
    <para />
    <para>[X] en [Y] staan sinds 10 november 2003 onder toezicht. [Z] staat sinds 21 augustus 2001 onder toezicht. De minderjarigen verblijven thans feitelijk in een residentiële voorziening. </para>
    <para />
    <para />
    <para>BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen.</para>
    <para />
    <para>2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot ontheffing van de moeder over de minderjarige af te wijzen. </para>
    <para />
    <para>3. De moeder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de wettelijke gronden voor een ontheffing, omdat niet is gebleken dat zij ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te kunnen vervullen. De moeder meent dat daarnaar onderzoek moet worden gedaan. De moeder voert voorts aan dat de relatie tussen haar en de vader is beëindigd en dat zij nu alleen (begeleid) woont. </para>
    <para />
    <para>4. De raad is van mening dat de stelling van de moeder een gepasseerd station is. Het perspectief ligt niet meer bij de ouders. De afgelopen jaren is voldoende gebleken dat de ouders pedagogisch onmachtig zijn en dat zij de minderjarigen geen veilige thuissituatie kunnen bieden. De ouders hebben onvoldoende inzicht in de problematiek van de minderjarigen en onvoldoende inzicht in hun eigen beperkingen. Zij zoeken de schuld steeds buiten zichzelf en blijven de strijd met de hulpverlening aangaan, ook in het bijzijn van de minderjarigen, hetgeen verwarrend voor hen is. </para>
    <para />
    <para>5. De WSS heeft ter zitting verklaard dat de ouders de betrokken hulpverlener negeren en niet meewerken, omdat zij boos zijn. Er loopt een bezoekregeling tussen de ouders en de minderjarigen, maar die verloopt niet vlekkeloos, omdat de ouders zich niet altijd aan de afspraken houden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:266 en 1:268 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter een ouder (tegen zijn wil) van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige(n) af te wenden. </para>
      <para>Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat het gezin ruim tien jaar te maken heeft met hulpverlening. Uit onderzoek, in 2007 en opnieuw in 2011, is gebleken dat bij alle drie de minderjarigen sprake is van ernstige gedragsproblematiek voortkomend uit onder meer een hechtingsstoornis, ADHD en een negatief zelfbeeld. Ondanks de reeds langdurige aanwezigheid van de maatregel van ondertoezichtstelling en het feit dat de minderjarigen uit huis geplaatst zijn, bestaat bij de minderjarigen onduidelijkheid en onrust over hun verblijfplaats en de rol van de ouders. Dit wordt veroorzaakt door de voortdurende strijd van de ouders tegen de hulpverlening en de loyaliteit van de minderjarigen aan de ouders. Hoewel duidelijk is dat het toekomstperspectief van de minderjarigen gezien het voorstaande niet bij de ouders ligt en dit ook uitsproken is naar de ouders, geven zij andere signalen aan de minderjarigen. De ouders tonen geen inzicht in de ernst van de problematiek van de minderjarigen en in hun eigen handelen. Het belang van de minderjarigen hebben zij onvoldoende voor ogen. Nu de minderjarigen gebaat zijn bij duidelijkheid en rust omtrent hun opvoedingsperspectief, is het hof van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden de huidige jeugdbeschermingsmaatregelen als gevolg van de ongeschiktheid of onmacht van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. </para>
      <para>Dat de moeder thans de relatie met de vader heeft verbroken en (onder begeleiding) alleen woont, maakt het oordeel van het hof niet anders. Weliswaar is de spanning tussen de ouders in het verleden een van de risicofactoren geweest, maar op dit moment is de problematiek van alle drie de minderjarigen en de reeds jarenlange aanwezigheid van hulpverlening en beschermingsmaatregelen van doorslaggevende betekenis. </para>
      <para>Het hof ziet voorts geen aanleiding om, zoals de moeder heeft verzocht, nu een nieuw onderzoek te laten plaatsvinden naar haar pedagogische vaardigheden. In 2007 en in 2011 heeft uitgebreid onderzoek plaatsgevonden. De moeder heeft in het verleden nooit willen meewerken aan die onderzoeken. Het hof acht het in dit stadium, gelet op de problematiek van de minderjarigen, niet in het belang van de minderjarigen om opnieuw onderzoek te laten doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Uit het bovenstaande volgt dat de wettelijke gronden voor ontheffing aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. </para>
    <para />
    <para>8. Het voorstaande laat onverlet dat het in het belang van de minderjarigen is dat er contact tussen de ouders en de minderjarigen is en dat de betrokken hulpverlening zich daarvoor dient in te spannen. </para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING OP HET HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;</para>
    <para />
    <para>draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Rotterdam;</para>
    <para />
    <para>wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Leuven en Stuurop, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>