<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T13:37:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BX0630</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.092.656-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:26:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630 Gerechtshof 's-Gravenhage , 22-02-2012 / 200.092.656-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kinderalimentatie. Wijziging van omstandigheden. Draagkracht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0630:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Sector Civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak		: 22 februari 2012</para>
      <para>Zaaknummer		: 200.092.656/01</para>
      <para>Rekestnr. rechtbank	: FA RK 10-9982</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat mr. K.J. Kerdel te ’s-Gravenhage,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verweerder], </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerder in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat mr. M.S. Odink te ’s-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>De moeder is op 22 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 mei 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage. </para>
    <para />
    <para>De vader heeft op 26 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>van de zijde van moeder:</para>
      <para>- op 2 december 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de zijde van de vader:</para>
      <para>- op 7 december 2011 een faxbericht van 5 december 2011 met bijlage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op 16 december 2011 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting waren aanwezig:</para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.</para>
      <para>De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.</para>
      <para>Bij die beschikking is, onder meer en met wijziging in zoverre van de beschikking van 12 februari 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de door de vader met ingang van 1 januari 2011 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 1997] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), op nihil bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: de kinderalimentatie).</para>
    <para />
    <para>2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige op nihil is bepaald en, in zoverre opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de vader alsnog af te wijzen, althans de kinderalimentatie op een zodanig bijdrage te bepalen als het hof vermeent te behoren.</para>
    <para />
    <para>3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijziging van omstandigheden</para>
      <para>4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een herbeoordeling van de behoefte en draagkracht. Zij voert daartoe het volgende aan. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een winst uit onderneming van € 24.435,-. Het is onaannemelijk dat het bedrijfsresultaat in 2010 ten opzichte van 2008 zou zijn gehalveerd. De door de vader in eerste aanleg overgelegde financiële stukken waren te laat en had de rechtbank buiten beschouwing moeten laten aangezien de moeder onvoldoende tijd had om daar op te kunnen reageren. Onduidelijk is door wie de jaarstukken zijn opgesteld en er ontbreekt een onduidelijke toelichting en accountantscontrole. Er zijn geen definitieve belastingaanslagen overgelegd van de jaren 2008 tot en met 2010. Het verschil tussen de winst uit onderneming in de voorlopige aangifte Inkomstenbelasting 2010, daterend van 29 november 2010 en de aangifte Inkomstenbelasting 2010 is aanzienlijk, terwijl de man geen verklaring heeft gegeven voor dit grote verschil. De herkomst van de omzet is niet bekend. De man had voldoende inzage moeten verschaffen over zijn inkomens- en uitgavenpatroon over de afgelopen zes maanden alsmede een prognose en de voorlopige cijfers over 2011. Volgens de DUO (voorheen: Informatie Beheer Groep) is de vader in staat een ouderbijdrage voor de dochter van partijen te betalen. Het is van belang dat de vader een door de accountant opgestelde vermogensvergelijking overlegt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De vader heeft die stellingen van de vrouw gemotiveerd bestreden. De moeder had voldoende tijd om de door de vader in eerste aanleg overgelegde stukken te bestuderen en de rechtbank heeft deze dan ook terecht geaccepteerd. Per abuis is op de financiële stukken van 2010 de naam van de boekhouder niet vermeld, maar hij heeft die stukken opgesteld. De definitieve belastingaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 zijn nog niet opgelegd. Het is niet duidelijk voor de vader waarom de moeder hem verzoekt zijn bankafschriften in te laten zien. De vader meent dat hij voldoende stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een winst uit onderneming van € 24.435,-. De vader acht het redelijk dat, nu de oudste, inmiddels jongmeerderjarige, dochter van de partijen bij hem woont ieder de kosten draagt van het kind dat bij hem/haar woont.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het hof overweegt als volgt. Nu de moeder in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de door de vader in eerste aanleg overgelegde financiële stukken, zijn eventuele onvolkomenheden in de procedure in eerste aanleg hersteld en heeft de moeder geen belang meer bij behandeling van haar bezwaren die daarop betrekking hebben.</para>
      <para>Voorts heeft de vader in hoger beroep zijn – aangepaste en volledige - financiële stukken overgelegd. Het hof acht het op basis van die stukken, met de rechtbank, genoegzaam aannemelijk dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de winst uit onderneming in 2010 is gedaald naar € 24.435,-. Het hof acht het voor die beoordeling niet noodzakelijk om te beschikken over de door de moeder gestelde bescheiden met betrekking tot de herkomst van de omzet, het inkomens- en uitgavenpatroon van de afgelopen zes maanden alsmede een door de accountant opgestelde inkomensvergelijking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van een gewijzigde omstandigheid. Het hof zal hierna beoordelen of dit zou moeten leiden tot een wijziging in de bijdrage ten behoeve van de minderjarige.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingangsdatum</para>
      <para>8. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 1 januari 2011, staat niet ter discussie, zodat het hof hier van uit zal gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Behoefte</para>
      <para>9. In eerste aanleg heeft de vader de behoefte aan een bijdrage van hem in de verzorging en opvoeding van de minderjarige niet betwist. Voorzover de vader dat thans wel doet, daar waar hij aan de orde stelt dat de moeder niet voldoende heeft aangetoond dat zij niet zou kunnen rondkomen, oordeelt het hof als volgt. Uit de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2009 blijkt dat de behoefte van de minderjarige in ieder geval € 400,- per maand bedraagt. Gezien het inkomen van de moeder en haar overige financiële omstandigheden is het hof van oordeel dat de moeder thans in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage van de vader ten behoeve van de minderjarige van een omvang als hierna bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Draagkracht vader</para>
      <para>10. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vader als uitgangspunt de door hem bij faxbericht van 5 december 2011 overgelegde draagkrachtberekening, voor zover de daarin opgenomen bedragen niet zijn betwist. </para>
      <para>Ter discussie staan, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder: </para>
      <para>- het inkomen van de vader;</para>
      <para>- de alleenstaande ouderkorting;</para>
      <para>- het eigen woningforfait;</para>
      <para>- de woonlasten van de vader;</para>
      <para>- de premie zorgverzekeringswet;</para>
      <para>- de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de vader;</para>
      <para>- de schulden;</para>
      <para>- de omgangskosten.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Inkomen</para>
      <para>11. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vader overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting van 2009 blijkt dat sprake was van een belastbare winst uit onderneming van € 35.314,-. De vader heeft toegelicht dat zijn winst door de economische recessie is gedaald. Uit het inkomen zoals genoemd in de aangifte Inkomstenbelasting 2010 blijkt ook dat deze is gedaald. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende gemotiveerd onderbouwd op welke gronden de in de aangifte Inkomstenbelasting 2010 genoemde bedragen onjuist zouden zijn. Ter zitting heeft de vader nader toegelicht dat hij de definitieve aanslag Inkomstenbelasting 2010 nog niet heeft ontvangen, hetgeen het hof aannemelijk voorkomt. Het hof sluit zich voor de bepaling van de draagkracht van de vader aan bij de door hem in zijn draagkrachtberekening opgevoerde belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2011, gebaseerd op een prognose voor 2011, van € 25.650,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Het hof houdt rekening met de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek, nu uit de door de vader overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2010 blijkt dat hij daar voor in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eigen woningforfait</para>
      <para>13. Het hof sluit bij de bepaling van het eigen woningforfait aan bij het door de vader in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2010 genoemde bedrag van € 935,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Woonlasten</para>
      <para>14. Het hof gaat uit van de door de vader in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2010 genoemde hypothecaire rente van € 8.599,- per jaar, ofwel van € 717,- per maand, hetgeen overeenkomt met het door de vader bij zijn inleidend verzoekschrift overgelegde stuk met betrekking tot de hypothecaire lasten. Voorts houdt het hof rekening met een premie levensverzekering van € 107,- per maand en een premie hypotheek risicoverzekering van € 17,42 per maand, nu zulks genoegzaam uit de overgelegde stukken blijkt. Het hof is van oordeel dat de woonlasten van de vader op dit moment ten opzichte van zijn inkomen enigszins te hoog kunnen worden geacht. Evenwel acht het hof het, gelet op de huidige economische situatie waarin woningen minder snel en/of met verlies worden verkocht, niet billijk om met een korting wegens onredelijk woonlasten rekening te houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Premie ziektekosten</para>
      <para>15. Het hof houdt rekening met een premie zorgverzekeringswet van € 126,- per maand. Het hof slaat geen acht op de stelling van de moeder dat de vader geen stukken heeft overgelegd van de premie ziektekosten, aangezien de vader daar wel degelijk verificatoire bescheiden van heeft overgelegd. Het hof houdt voorts rekening met de door de vader te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
      <para>16. Het hof houdt, gelet op de verklaring van de vader ter zitting dat hij deze niet kan bekostigen, geen rekening met de door de vader opgevoerde premie arbeids-ongeschiktheidsverzekering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omgangskosten</para>
      <para>17. Het hof overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat de minderjarige diverse dagen per maand bij de vader verblijft. Nu partijen over en weer verschillen over de vraag over de hoogte van de omgangskosten van de minderjarige en niet duidelijk is hoeveel dagen de minderjarige bij de vader verblijft per maand, acht het hof het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 60,- per maand aan omgangskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Schulden</para>
      <para>18. Het hof zal rekening houden met een bedrag van € 50,- per maand aan aflossing op de schulden van de vader, nu uit overgelegde stukken en de verklaring van de vader ter zitting is gebleken dat hij dit bedrag per maand aflost. Met het meerdere van € 30,- per maand, zal het hof geen rekening houden, nu dit bedrag niet met nadere verificatoire bescheiden is onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdeling van de draagkracht</para>
      <para>19. Het hof neemt bij de vaststelling van de kinderalimentatie voorts in aanmerking dat de draagkracht van de vader gelijkelijk over de minderjarige en haar zus moet worden verdeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
      <para>20. Gelet op het vorenstaande laat de draagkracht van de vader, rekening houdend met de fiscale aspecten, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige ten bedrage van € 85,- per maand toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>21. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2011 bepalen op € 85,- per maand.</para>
    <para />
    <para>22. De overige stellingen van de moeder met betrekking tot de kinderalimentatie behoeven geen nadere bespreking, nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Proceskosten</para>
      <para>23. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de vader heeft verzocht - de moeder te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal het verzoek van de vader derhalve afwijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING OP HET HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, opnieuw beschikkende: </para>
    <para>  </para>
    <para>bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 12 februari 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 januari 2011 op € 85,- per maand; </para>
    <para>  </para>
    <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    <para>  </para>
    <para>wijst het meer of anders verzochte af. </para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubois en Van Veen, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>