<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T19:20:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW9415</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.101.451-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:22:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415 Gerechtshof 's-Gravenhage , 23-05-2012 / 200.101.451-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ouderschap na scheiding. Hof gelast ouderschapsonderzoek, waarvan de kosten ten laste van partijen komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9415:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak 			: 23 mei 2012</para>
      <para>Zaaknummer			: 200.101.451/01</para>
      <para>Rekestnummer rechtbank		: FA RK 11-7719</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann te Breda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[geïntimeerde],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat mr. T. Möller te Tilburg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: </para>
      <para>de raad voor de kinderbescherming te Tilburg,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>De moeder is op 2 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 november 2011 van de rechtbank Dordrecht. </para>
    <para />
    <para>De vader heeft op 16 maart 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>van de zijde van de moeder:</para>
      <para>- op 24 februari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;</para>
      <para>- op 2 april 2012 een brief van 1 april 2012 met bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De raad heeft bij brief van 7 maart 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Voorts heeft de raad bij brief van 2 april 2012 zijn rapport raadsonderzoek strafzaken met betrekking tot de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] van 16 februari 2012 aan het hof overgelegd.</para>
    <para />
    <para>De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op 3 april 2012 in raadkamer gehoord.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op 5 april 2012 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting waren aanwezig:</para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Nadien is bij het hof op 16 april 2012 van de zijde van de moeder een faxbericht van diezelfde datum ingekomen.</para>
    <para />
    <para>Het hof heeft bij brief van 25 april 2012 de vader tot 9 mei 2012 in de gelegenheid gesteld te reageren op voormeld faxbericht van de moeder, welke brief in kopie aan de moeder is gezonden.</para>
    <para />
    <para>Van de zijde van de vader is op 7 mei 2012 een faxbericht van diezelfde datum ingekomen.</para>
    <para />
    <para>Van de zijde van de moeder is op 11 mei 2012 een brief van 10 mei 2012 ingekomen. Nu zij niet in de gelegenheid is gesteld om nogmaals nadere stukken in te dienen, heeft het hof op grond van artikel 1.4.3. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven geen acht geslagen op die brief en deze bij brief van 15 mei 2012 geretourneerd.</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN</para>
    <para />
    <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.</para>
    <para />
    <para>Bij die beschikking is bepaald dat de regeling betreffende het belcontact zoals opgenomen in het hierna te melden ouderschapsplan vervalt ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en blijft gelden ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 3]. De overige verzoeken zijn afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep niet tegenop is gekomen. Onder meer staat het volgende vast:</para>
      <para>Partijen zijn de ouders van:</para>
      <para>- [de minderjarige 1], geboren [in 1995] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]);</para>
      <para>- [de minderjarige 2], geboren [in 1999] te [geboorteplaats] (hierna ook: [de minderjarige 2])</para>
      <para>- [de minderjarige 3], geboren op [in 2005] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 3]);</para>
      <para>hierna gezamenlijk ook: de minderjarigen.</para>
      <para>Bij beschikking van 23 juni 2010 van de rechtbank Dordrecht is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de inhoud van het door partijen op 3 juni 2010 overeengekomen ouderschapsplan (verder: ouderschapsplan) opgenomen. In dit ouderschapsplan zijn partijen, onder meer, een zorg- en contactregeling overeengekomen voor de twee jongste kinderen.</para>
      <para>De echtscheidingsbeschikking is op 30 juni 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>1. In geschil is de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) tussen de vader en de minderjarigen, meer specifiek het belcontact tussen de vader en de minderjarige [minderjarige 3] en de verdeling van de kerst- en zomervakantie.</para>
    <para />
    <para>2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing omtrent de telefonische contacten te vernietigen en te bepalen dat, ter bevordering van ieders rust, hetgeen in het belang van alle kinderen moet worden geacht, de vader alle kinderen niet meer zal bellen op de momenten dat zij niet bij hem verblijven.</para>
    <para />
    <para>3. De vader bestrijdt het beroep en vraagt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de moeder af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de bestreden beschikking voor zover daarbij de verzoeken tot het opleggen van een dwangsom, voor doorverwijzing naar forensische mediation en vaststelling van een verdeling van de kerst- en zomervakantie zijn afgewezen, en opnieuw beschikkende, deze verzoeken alsnog toe te wijzen.</para>
    <para />
    <para>4. De moeder verzet zich daartegen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belcontacten</para>
      <para>5. De moeder stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang van [minderjarige 3] is dat het belcontact tussen hem en de vader blijft gelden. Zij voert daartoe het volgende aan. De vader weet geen maat te houden in zijn belgedrag en neemt er geen genoegen mee als [minderjarige 3] aangeeft dat hij de vader niet telefonisch wil spreken dan wel het gesprek met hem wenst te beëindigen. Het bellen van de vader naar [minderjarige 3] zorg voor veel onrust en brengt hem in een groter loyaliteitsconflict. De moeder is van mening dat in het ouderschapsplan al is voorzien in ruim contact met beide ouders zodat er geen enkele reden is om hierbuiten ook nog te telefoneren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De vader heeft zich daartegen verweerd. Hij bevestigt dat hij regelmatig telefonisch contact zoekt. Volgens hem is het de moeder die het telefonisch contact tussen [minderjarige 3] en de vader in de wegstaat. Sinds de bestreden beschikking heeft de vader [minderjarige 3] slechts driemaal gesproken, aldus de vader. Het is de moeder die debet is aan de onrust. Van de zijde van de vader is aan de advocaat van de moeder voorgesteld het telefonisch contact te beperken tot twee à driemaal per week. Op dit voorstel is geen reactie ontvangen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opleggen dwangsom aan regeling belcontacten</para>
      <para>7. In het incidenteel hoger beroep stelt de vader zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien een dwangsom te verbinden aan de regeling met betrekking tot het belcontact tussen de vader en [minderjarige 3]. De moeder is weigerachtig haar medewerking te verlenen aan dit belcontact. De vader acht het opleggen van een dwangsom redelijk en opportuun om haar medewerking te bevordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdeling van de vakanties</para>
      <para>8. De vader zich op het standpunt dat de verdeling van de kerst- en zomervakantie sinds het uiteengaan van partijen heeft geleid tot aanzienlijke onenigheid, discussie en ruzie. De moeder gaat niet met de vader in overleg over de verdeling van vakanties. Een uitspraak van het hof zal voor duidelijkheid zorgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De moeder heeft zich daartegen verweerd. Zij voert aan wel degelijk rekening te hebben gehouden met de bouwvak waar de vader naar eigen zeggen aan was gebonden, ofschoon was gebleken dat de huidige werkgever van de vader geen bouwvak kent. De moeder moet daarentegen haar vakanties afstemmen met haar directe collega.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Benoeming forensische mediator</para>
      <para>10. De vader meent dat sprake is van forse communicatieproblemen tussen de ouders waardoor de minderjarigen klem zitten tussen hun ouders. De vader verwijst naar een door de raad opgestelde rapportage in het kader van een strafrechtelijke kwestie, waaruit blijkt dat sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. De vader wenst dat het hof een forensisch mediator benoemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het hof overweegt als volgt. De communicatie tussen de ouders is al geruime tijd zeer slecht en zij stellen zich verwijtend jegens elkaar op. De opstelling van de ouders ten opzichte van elkaar, ook nadat inmiddels jaren zijn verstreken sedert de echtscheiding, heeft een zeer belastend effect op de minderjarigen. De kinderen worden daar nu al jaren mee geconfronteerd en lijden daar zichtbaar onder. De raad heeft in het naar aanleiding van het verdacht zijn van [minderjarige 1] van eenvoudige mishandeling opgestelde rapport raadsonderzoeken strafzaken van 16 februari 2012 geconcludeerd dat de problematische scheiding van de ouders een grote impact heeft op [minderjarige 1] (en de overige gezinsleden). De raad maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en spreekt van een vechtscheiding, waar de kinderen de dupe van zijn. [minderjarige 1], de inmiddels meerderjarige dochter van partijen, Maartje, en de moeder gaan thans eenmaal per week op woensdag een uur naar De Viersprong, waar zij onder begeleiding van een psycholoog in therapie zijn. Voorts is [de minderjarige 2] eveneens onder behandeling van een psycholoog. </para>
    <para />
    <para>12. Hoewel het hof onderkent dat de zaak zich lijkt te beperken tot het belcontact en de invulling van de vakanties, acht het hof, zoals ter zitting reeds met de ouders is besproken, het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk twee deskundigen te benoemen teneinde een forensische mediation te doen plaatsvinden. Het hof zal dit verzoek van de vader dan ook toewijzen. De ouders hebben hun relatie als ex-partners nog niet op goede wijze afgehecht. Het hof acht het in het belang van de kinderen van partijen dat de ouders door middel van een forensische mediation in staat worden geacht hun relatie als ex-partners zorgvuldig af te hechten, zodat zij in staat zullen zijn hun kinderen de ruimte te bieden om onbelast contact te hebben met de andere ouder. Als daarvan sprake zal zijn dan zal de thans bij de kinderen van partijen geconstateerde loyaliteitsproblematiek wellicht verminderd worden.</para>
    <para />
    <para>13. Het hof wijst ieder der partijen op het belang om zich ten volle in te zetten. In dit verband wijst het hof op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigenonderzoek dat zich aldus onderscheidt van hetgeen in het algemeen onder de term ‘mediation naast rechtspraak’ bekend is. Het hof wijst tot slot op het bepaalde in artikel 198, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met toepassing waarvan het het hof vrij staat om aan de houding die een partij tijdens de forensische mediation onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomt.</para>
    <para />
    <para>14. De hierna te noemen deskundigen zullen op grond van artikel 198, tweede lid Rv hun opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris. De deskundigen kunnen zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en voortgang van het onderzoek. </para>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>De deskundigen</para>
      <para>15. Ter zitting heeft het hof voorgesteld mevrouw I. Sandig te benoemen tot deskundige. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich over de persoon van de te benoemen deskundigen uit te laten. Nu zij daarvan geen gebruik hebben gemaakt, zal het hof de reeds voorgestelde deskundige alsmede een tweede deskundige benoemen. Het hof zal benoemen:</para>
      <para>- mevrouw I. Sandig, kantoorhoudende aan De Haasdekker 5, 5258 KS Berlicum, bereikbaar onder telefoonnummer: 073 50 34 633;</para>
      <para>- mevrouw mr. L. Stam, kantoorhoudende aan de Kempenlandstraat 11-B, 5262 GK Vught, bereikbaar onder telefoonnummer: 073 80 00 200; </para>
      <para>hierna te noemen: de deskundigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. De advocaat van de moeder dient de deskundigen binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opdracht</para>
      <para>17. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 24 november 2012 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundigen te laten plaatsvinden. Zij krijgen de opdracht onderzoek te verrichten naar de hierna te vermelden vragen en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap na de feitelijke scheiding van partijen zodanig vorm te doen geven dat de minderjarigen – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Het hof acht het wenselijk dat de deskundigen de minderjarigen in het onderzoek betrekt. De deskundigen hebben zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Het hof wenst dat de deskundigen bij de forensische mediation de volgende vragen betrekken:</para>
      <para>a. Hoe is de relatie van de partijen met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar? </para>
      <para>b. met betrekking tot de aan het hof voorgelegde geschilpunten (de belcontacten en de vakantieregeling): indien en voor zover de partijen er niet in slagen hun geschillen geheel of gedeeltelijk te overbruggen: op basis van welke feitelijke en relevante uitgangspunten dient het hof naar het inzicht van de deskundigen de voorgelegde geschilpunten te beoordelen en af te doen? </para>
      <para>c. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de verhouding tussen de partijen en de afdoening van het geschil? </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. De opdracht behelst niet de beantwoording van diagnostische onderzoeksvragen die door middel van individuele psychodiagnostiek beantwoord moeten worden. Het is niet de bedoeling om via testen en toetsen de ouders en de kinderen als individu in kaart te brengen. Het hof staat niet voor dat er individuele psychodiagnostiek bij partijen zal worden gedaan. De vragen zien op onderzoek naar en het bevorderen van de mogelijkheden van partijen om met een groeiend vertrouwen in zichzelf en elkaar als ouders te leren omgaan met elkaar na scheiding, op afstand en op die wijze een verantwoord contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. De deskundigen dienen het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dienen zij – bij gebreke van overeenstemming tussen de vader en de moeder – de door het hof gestelde vragen te beantwoorden.</para>
      <para>21. De deskundigen dienen hun werkzaamheden te verrichten conform de voor hun geldende gedrags- en beroepsregels. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Communicatie</para>
      <para>22. Indien de advocaten en/of de deskundigen vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw A.W.M. Verheijen, m.verheijen@rechtspraak.nl, te bereiken op telefoonnummer: 070-3811500.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kosten deskundigenonderzoek </para>
      <para>23. Het uurtarief van de deskundigen bedraagt € 107,92 exclusief btw. </para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>24. Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard van de procedure, de kosten van de deskundigen vooralsnog voor rekening van de moeder en vader zullen komen, ieder bij helfte. Zij zullen de kosten van het onderzoek, die voorlopig in totaal worden begroot op </para>
      <para>€ 4.500,- inclusief btw, dienen te voldoen. Hoewel de moeder te kennen heeft gegeven dat zij niet in staat is deze kosten te voldoen, heeft zij nagelaten om dit met verificatoire bescheiden te onderbouwen, zodat het hof - gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader - voorbij zal gaan aan deze stelling. Ook overigens ziet het hof geen grond om de vader alleen deze kosten bij wijze van voorschot te doen dragen. Het hof zal dan ook bepalen dat de vader en de moeder ieder de helft van dit bedrag bij wijze van voorschot zullen voldoen. De deskundigen behoeven de werkzaamheden niet aan te vangen alvorens dit voorschot is voldaan. Het hof houdt de definitieve beslissing over de vraag wie de kosten van de deskundigen moet dragen, aan tot de eindbeschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>25. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is acht het hof het in het belang van [minderjarige 3] dat er hangende het ouderschapsonderzoek geen uitvoering wordt gegeven aan de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde belcontacten, nu dit op dit moment onrust in de thuissituatie veroorzaakt.</para>
    <para> </para>
    <para>26. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING OP HET HOGER BEROEP </para>
    <para>  </para>
    <para>Het hof: </para>
    <para>  </para>
    <para>schorst de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zoals opgenomen in de bestreden beschikking ten aanzien van de belcontacten van de vader met [minderjarige 3];</para>
    <para>   </para>
    <para>houdt de behandeling aan tot zaterdag 24 november 2012 pro forma, ter fine als vermeld onder de rechtsoverweging 17: </para>
    <para>  </para>
    <para>beveelt een onderzoek door twee deskundigen teneinde aan het hof bericht uit te brengen omtrent de onder overweging 19 genoemde vragen; </para>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>benoemt als zodanig: </para>
      <para>mevrouw I. Sandig en mevrouw mr. L. Stam, voornoemd;</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: </para>
      <para>mr. H.P.Ch. van Dijk, en bij diens afwezigheid: mr. E.A. Mink; </para>
      <para>bepaalt dat de deskundigen bij het verrichten van hun werkzaamheden naast de normen van haar beroepsgroep tevens de leidraad deskundigen in civiele zaken in acht dienen te nemen; </para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de deskundigen hun werkzaamheden niet behoeven aan te vangen voordat:</para>
      <para>- de moeder als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 2.250,- heeft gestort op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Veiligheid en Justitie Arrondissement Den Haag 537, zulks onder vermelding: “voorschot deskundigen Gerechtshof ’s-Gravenhage” alsmede de namen van partijen en het zaaknummer 200.101.451/01; en</para>
      <para>- de vader als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 2.250,- heeft gestort op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Veiligheid en Justitie Arrondissement Den Haag 537, zulks onder vermelding: “voorschot deskundigen Gerechtshof ’s-Gravenhage” alsmede de namen van partijen en het zaaknummer 200.101.451/01;</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <para>bepaalt dat deze voorschotten beide uiterlijk op 7 juni 2012 moeten zijn voldaan. De griffier zal aan de deskundigen mededeling doen van de ontvangst van het voorschot; </para>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de deskundigen schriftelijk hun bericht ter griffie van het hof, civiele sector, team familie (postbus 20302, 2500 EH Den Haag) zullen deponeren. Uit dat bericht moet blijken: </para>
      <para>a. dat de deskundigen partijen in de gelegenheid hebben gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen waarvan de inhoud in het bericht vermeld dient te worden; </para>
      <para>b. dat de deskundigen, alvorens een definitief rapport op te maken, partijen een conceptrapport hebben doen toekomen en partijen daarbij in de gelegenheid hebben gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, waarvan de inhoud in het definitieve bericht vermeld dient te worden; </para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <para>bepaalt dat de deskundigen tegelijk met dit bericht een declaratie van loon en kosten ter griffie zullen indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer; </para>
    <para>  </para>
    <para>wijst partijen erop dat, indien zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundigen doen toekomen, zij daarvan terstond tevens een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken; </para>
    <para>   </para>
    <para>bepaalt dat de advocaat van de moeder binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundigen zal stellen;</para>
    <para>   </para>
    <para>bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundigen zal zenden;</para>
    <para>   </para>
    <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    <para> </para>
    <para>  </para>
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Mink en Van der Linden, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>