<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T17:51:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BR4568</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.071.723-01 en 200.071.724-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:39:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568 Gerechtshof 's-Gravenhage , 13-07-2011 / 200.071.723-01 en 200.071.724-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kinderalimentatie en uitvoerige beoordeling van de verdeling van de gemeenschap na echtscheiding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4568:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak		: 13 juli 2011 </para>
      <para>Zaaknummer		: 200.071.723/01 &amp; 200.071.724/01</para>
      <para>Rekestnr. rechtbank	: F2 RK 07-2440 &amp; F2 RK 08-544</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende op een geheim adres,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel, </para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. P.A. den Hollander te Portugaal, gemeente Albrandswaard,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[geïntimeerde],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen, gemeente Tiel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrouw is op 9 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van </para>
      <para>11 mei 2010 van de rechtbank Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De man heeft op 13 oktober 2010 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.</para>
    <para />
    <para>De vrouw heeft op 26 november 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>van de zijde van de vrouw:</para>
      <para>- op 10 augustus 2011 een brief van 9 augustus 2010 met bijlagen;</para>
      <para>- op 30 augustus 2010 een brief van 27 augustus 2010 met bijlagen;</para>
      <para>- op 25 oktober 2010 een brief van 22 oktober 2010 met bijlagen;</para>
      <para>- op 16 mei 2011 een faxbericht met bijlagen;</para>
      <para>van de zijde van de man:</para>
      <para>- op 13 mei 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;</para>
      <para>- op 26 mei 2011 een faxbericht met bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op 27 mei 2011 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting waren aanwezig:</para>
      <para>- vrouw, bijgestaan door haar advocaat.</para>
      <para>De man en de advocaat van de man zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.</para>
      <para>Bij voormelde brief van 26 mei 2011 heeft de advocaat van de man pleitnotities overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN </para>
    <para />
    <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:</para>
      <para>-	bepaald dat de man met ingang van  11 mei 2010 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en 	opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 180,-- per 		maand per kind, welke bijdrage jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd 		ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering;</para>
      <para>-	de verdeling van de gemeenschap als volgt vastgesteld: </para>
      <para>	deelt toe aan de man:</para>
      <para>-	het Hästens bed;</para>
      <para>-	de auto, merk Subaru, type Impreza, kenteken [X];</para>
      <para>-	de Aegon lijfrentepolis [Y];</para>
      <para>-	de premiespaarregeling ten name van de man bij ING Bank, nr. [Z];</para>
      <para>-	de spaarloonregeling ten name van de man bij ING Bank, nr. [A];</para>
      <para>-	het door de man opgebouwde ANWB kortingstegoed;</para>
      <para>-	de polis Fortis ASR met polisnummer [C];</para>
      <para>-	de ontbindingsvergoeding ten bedrage van € 11.643,40 bruto ofwel € 6.752,59 netto;</para>
      <para>	onder de verplichting om voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen:</para>
      <para>-	de schuld ter zake van kosten van een dak-reparatie;</para>
      <para>-	de helft van de schuld bij [de camping] ter zake van achterstallige staangelden over de jaren 2008 en 2009;</para>
      <para>-	de belastingschuld over het jaar 2005;</para>
      <para>-	de lening bij mevrouw [Q];</para>
      <para>-	de overige schulden, welke per peildatum bestonden op naam van alleen de man; </para>
      <para>deelt toe aan de vrouw:</para>
      <para>-	de auto, merk Toyota, type Starlet, kenteken [G];</para>
      <para>-	de sta-caravan/recreatiewoning te [H];</para>
      <para>-	de Aegon lijfrentepolis nummer [I];</para>
      <para>-	de polis levensverzekering Aegon nummer [J];</para>
      <para>-	de spaarloonregeling ten name van de vrouw bij ING Bank, nr. [K];</para>
      <para>-	de beleggersgiro kapitaalopbouw/aandelenfonds bij Postbank rekeningnr. [L];</para>
      <para>-	de beleggersgiro inkomensaanvulling/obligatiefonds bij Postbank rekeningnr. [L];</para>
      <para>-	het door de vrouw opgebouwde ANWB kortingstegoed;</para>
      <para>-	contant geld ad € 1.500,-;</para>
      <para>-	het afkoopbedrag van het Winstvastplan bij de Postbank polisnummer [M];</para>
      <para>onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen:</para>
      <para>-	de helft van de schuld bij [de camping] ter zake van achterstallige staangelden over de jaren 2008 en 2009;</para>
      <para>-	de schuld bij [de camping] ter zake van (achterstallige) staangelden over het jaar 2010;</para>
      <para>-	(het debetsaldo op) girorekening Postbank nummer [D];</para>
      <para>-	schuld bij Tandartsen Groepspraktijk Zuiderterras;</para>
      <para>-	schuld bij Subaru-dealer Kleinwier BV;</para>
      <para>-	schuld bij Centraal Beheer Achmea;</para>
      <para>-	schuld bij de heer [E];</para>
      <para>-	schuld bij de RABO Bank;</para>
      <para>-	schulden bij SVHW en</para>
      <para>-	de overige schulden, welke per de peildatum bestonden op naam van alleen de vrouw. </para>
      <para>-	de vrouw veroordeeld ten titel van overbedeling aan de man te betalen een bedrag van € 14.537,42;</para>
      <para>-	de vrouw veroordeeld ten titel van door de man betaalde kosten van taxatie van de stacaravan aan hem te 		betalen een bedrag van € 118,50;</para>
      <para>-	de man veroordeeld ten titel van door de vrouw betaalde kosten in verband met niet-tijdige levering van de 		echtelijke woning aan haar te betalen een bedrag van € 119,--;</para>
      <para>-	bepaald dat de vrouw, in geval zij in gebreke blijft binnen een maand na 11 mei 2010 het Hästens bed aan 		de man af te geven, aan de man uit hoofde van vervangende vergoeding dient te betalen € 2.000,--;</para>
      <para>-	vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de polis levensverzekering Universal Leven met 		polisnummer [F] zal worden gesplitst in twee afzonderlijke polissen van gelijke waarde, voor ieder van 		partijen één polis. Indien deze splitsing niet mogelijk blijkt te zijn, zal de polis worden beëindigd (afgekocht) 	en zal de opbrengst van de polis - na aftrek van de met die beëindiging verband houdende en door de 		verzekeraar in rekening te brengen kosten - tussen partijen bij helfte worden gedeeld. De vrouw zal de 		beoogde splitsing, subsidiair beëindiging van de polis bij de verzekeraar aanhangig maken;</para>
      <para>-	bepaald dat de man gehouden is namens partijen herziening te verzoeken van de aanslag 			Inkomstenbelasting 2007 en dat, zodra op dat verzoek is beslist en daarmee de aanslag definitief 		vaststaat, ieder van partijen voor de helft gerechtigd is tot het bedrag van teruggaaf c.q. ieder van partijen 		gehouden is de helft van het bedrag van de aanslag te voldoen;</para>
      <para>-	de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;</para>
      <para>-	verklaard niet in staat te zijn te beslissen op de overige, door ieder van partijen ten aanzien van de verdeling 	van de inboedelzaken geformuleerde verzoeken;</para>
      <para>-	afgewezen: </para>
      <para>-	het verzoek van de vrouw haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarigen;</para>
      <para>-	hetgeen met betrekking tot de kinderbijdrage door de vrouw meer of anders is verzocht;</para>
      <para>-	het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud; 	en</para>
      <para>-	hetgeen met betrekking tot de verdeling va de gemeenschap door ieder van partijen meer of anders is 		verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. </para>
    <para />
    <para />
    <para>BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In geschil zijn de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:</para>
      <para>[minderjarige 1], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats]; en</para>
      <para>[minderjarige 2], geboren [in] 2002 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk ook verder: de minderjarigen, alsmede de waardering/hoogte van de navolgende in de door de rechtbank vastgestelde verdeling betrokken goederen en schulden en daarmee het bedrag van de overbedelingsschuld danwel onderbedelingsvordering. Het betreft de navolgende gemeenschapsgoederen/- schulden en verrekeningen wegens door partijen verrichte partiële verdelingen:</para>
      <para>-	het Hästens bed en de waarde daarvan;</para>
      <para>-	de Aegon lijfrentepolis [I];</para>
      <para>-	de polis levensverzekering Aegon nummer [J];</para>
      <para>-	de beleggersgiro kapitaalopbouw/aandelenfonds bij Postbank rekeningnr. [L];</para>
      <para>-	de beleggersgiro inkomensaanvulling/obligatiefonds bij Postbank rekeningnr. [L];</para>
      <para>-	het bedrag aan contanten </para>
      <para>-	de teruggave Inkomstenbelasting 2007;</para>
      <para>-	de belastingschuld Inkomstenbelasting 2005;</para>
      <para>-	het bedrag van € 488,93 in het kader van een onkostenvergoeding;</para>
      <para>-	het afkoopbedrag van het Winstvastplan bij de Postbank polisnummer [M];</para>
      <para>-	de kosten van beslaglegging onder de ING Bank ad € 100,--;</para>
      <para>-	de restschuld ad € 7.326,24 na overdracht van de echtelijke woning;</para>
      <para>-	het ter zake van de verdeling van inboedelgoederen in aanmerking te nemen bedrag wegens overbedeling;</para>
      <para>-	de spaarloonregeling ten name van de man bij ING Bank, nr. [A];</para>
      <para>-	(het debetsaldo op) girorekening Postbank nummer [D];</para>
      <para>-	het bedrag van € 5.300,-- wegens door de vrouw onder haar genomen inboedelgoederen;</para>
      <para>-	 de schuld bij [de camping] ter zake van achterstallige staangelden over de jaren 2008 en 2009, en</para>
      <para>-	de door de man ontvangen netto ontslagvergoeding. </para>
      <para>De door de rechtbank vastgestelde verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap op zichzelf  is niet in geschil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover deze betrekking heeft op de bestreden onderdelen, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen: </para>
      <para>-	ingevolge grief Ia tot en met Ic: dat de man met een bedrag van € 350,-- per maand per kind dient bij te 		dragen aan kinderalimentatie, althans een bedrag door het hof te bepalen;</para>
      <para>-	ingevolge grief II: dat het Hästingsbed wordt toebedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de 		restwaarde aan de vrouw te bepalen op maximaal € 1.000,--, dan wel een bedrag als door het hof te 		bepalen;</para>
      <para>-	ingevolge grief III: dat de Aegon lijfrentepolis [O] wordt toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 		2.195,--, rekening houdend met een belastinglatentie, onder verrekening van de helft van dit bedrag aan de 		man; </para>
      <para>-	ingevolge grief IV: dat de polis levensverzekering Aegon nummer [J] zonder verrekening wordt toebedeeld 		aan de vrouw;</para>
      <para>-	ingevolge grief V: dat de twee beleggersgirorekeningen met nummer [L] worden toebedeeld aan de vrouw 		tegen een waarde gelijk aan het feitelijk aan de vrouw uitgekeerde totaalbedrag ad € 32.076,65 minus de 		door de vrouw van dit bedrag betaalde huwelijkse schulden ad € 10.964,67, geeft € 21.111,98, onder 		verrekening van de helft van laatstgenoemd bedrag met de man;</para>
      <para>-	ingevolge grief VI: dat de vordering van de man tot vergoeding van een bedrag van € 1.500,- wordt 		afgewezen;</para>
      <para>-	ingevolge grief VII: dat de belastingschuld over 2007 tussen partijen als voldoende verdeeld en verrekend 		dient te worden beschouwd;</para>
      <para>-	ingevolge grief VIII: dat de belastingschuld over 2005 primair zonder verrekening wordt toebedeeld aan de 		man, en subsidiair wordt toebedeeld aan de man onder verrekening van aan de vrouw van de helft van het 		restantsaldo van deze schuld ten tijde van de peildatum, voor zover dit restantsaldo is gebleken en 		aannemelijk is gemaakt door de man;</para>
      <para>-	ingevolge grief IX: dat de man een bedrag van € 488,93 dient te vergoeden aan de vrouw;</para>
      <para>-	ingevolge grief X: dat het bedrag van de afkoopwaarde van polis Winstvastplan, polisnummer [M], zonder 		verrekening wordt toebedeeld aan de vrouw;</para>
      <para>-	ingevolge grief XI: dat de man een bedrag van € 100,- dient te vergoeden aan de vrouw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof: </para>
      <para>in appel:</para>
      <para>de vrouw in haar aangevoerde gronden (door partijen steeds als grieven aangeduid en waarbij het hof zich in het hierna volgende gemakshalve aansluit) niet-ontvankelijk te verklaren althans de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren althans af te wijzen;</para>
      <para>in incidenteel appel:</para>
      <para>1.	de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de onderdelen waarop de grieven 12 tot en met 20 		zijn gericht; en</para>
      <para>2.	opnieuw beschikkende, een beschikking af te geven conform de grieven en de toelichting van de man zoals 	geformuleerd sub 63 tot en met 99 van het incidenteel appel van de man, kosten rechtens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof om de man in incidenteel appel in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren althans deze ongegrond te verklaren althans deze af te wijzen. </para>
    <para />
    <para>Indiening pleitnotities voorafgaand aan mondelinge behandeling </para>
    <para>  </para>
    <para>5. De stukken die de man bij brief van 26 mei 2011 heeft overgelegd zijn buiten de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement overgelegd. Nu de vrouw tegen het overleggen van deze stukken bezwaar heeft gemaakt en deze stukken bovendien niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn, zal het hof dit bezwaar honoreren en deze overgelegde stukken niet in zijn beoordeling betrekken. Het hof overweegt daarbij nog ten overvloede dat de overgelegde stukken pleitnotities betreffen, een geschrift dat wordt gebruikt tijdens een rechtszitting, ter ondersteuning van wat ter terechtzitting door de advocaat wordt verklaard.</para>
    <para />
    <para>6. Het hof ziet aanleiding het verzochte in principaal en incidenteel appel gelijktijdig te behandelen. </para>
    <para />
    <para>Kinderalimentatie</para>
    <para />
    <para>7. De behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding en de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie van 11 mei 2010 staan als niet bestreden vast. Alleen de draagkracht van de man is in geschil.</para>
    <para />
    <para>Draagkracht man</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De vrouw stelt in principaal appel dat de man voldoende draagkracht heeft om de door haar in eerste aanleg verzochte kinderalimentatie van € 350,-- per kind per maand te voldoen. De vrouw voert daartoe twee subgrieven aan. Zij acht het op basis van de door haar overgelegde bescheiden aannemelijk dat de man naast zijn WIA-uitkering ook een bedrag van € 800,-- netto per maand aan neveninkomsten heeft als muzikant. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte met een bedrag van € 113,45 per maand aan premie voor een polis levensverzekering rekening gehouden. Dit moet een bedrag van € 73,81 per maand zijn nu de man deze kosten deelt met zijn huidige partner, die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. </para>
      <para>De vrouw heeft ter zitting bij het hof haar derde subgrief betreffende het eigen risico van de ziektekostenverzekering van de man ingetrokken, zodat deze subgrief geen verdere bespreking behoeft. </para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <para>9. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken en hij stelt in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij draagkracht heeft de vastgestelde kinderalimentatie van € 180,-- per kind, per maand te voldoen. De man voert daartoe aan dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de maandtermijn van € 262,50 in verband met het door hem opgenomen doorlopend krediet bij Interbank. Daarnaast is de inkomenssituatie van de man na december 2007 verslechterd, hij bouwt bij het UWV geen enkel pensioen op zodat rekening moet worden gehouden met een bedrag aan pensioenopbouw van € 22,69 per maand. De vrouw heeft de stellingen van de man in incidenteel appel gemotiveerd weersproken.</para>
    <para />
    <para>10. Het hof stelt voorop dat partijen uitsluitend grieven hebben gericht tegen specifieke onderdelen van de door de rechtbank gemaakte draagkrachtberekening. Er zijn geen grieven gericht tegen de overige lasten, zoals door de rechtbank gehanteerd. Het hof verwijst naar deze financiële gegevens en neemt deze als vaststaand over. </para>
    <para />
    <para>11. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de man neveninkomsten geniet. Om dit te weerleggen had de man inzicht moeten verschaffen in zijn financiële huishouding en de aanslagen Inkomstenbelasting voor de jaren 2008 en 2009 moeten overleggen danwel andere stukken die zijn ontkenning van deze neveninkomsten ondersteunen. Het hof overweegt dat ongeacht of de man bedrijfsmatig in bandjes speelt of niet, hij hiervan iets aan stukken in zijn administratie moet hebben en had kunnen overleggen. Aangezien de man dit heeft nagelaten, ondanks meerdere verzoeken daartoe, is het hof van oordeel dat nu het inkomen van de man niet exact kan worden vastgesteld, in redelijkheid een bedrag aan € 800,-- netto per maand als neveninkomsten in aanmerking dient te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de man.</para>
    <para />
    <para>12. Ten aanzien van de polispremie levensverzekering neemt het hof een bedrag ter hoogte van de helft van € 113,45 per maand - zijnde een bedrag van € 56,73 per maand - in aanmerking, nu dit blijkt uit de als productie A bij brief van 26 april 2010 van de man bijgevoegde wijzigingsaanhangsel van de desbetreffende polis en de nieuwe partner van de man wordt geacht de helft van de polispremie voor haar rekening te nemen.</para>
    <para />
    <para>13. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man voorts rekening met de door de man opgevoerde maandtermijn van € 262,50 in verband met het door hem opgenomen doorlopend krediet bij Interbank, nu het uitgangspunt is dat op de draagkracht van een onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn en de vrouw geen omstandigheden heeft aangevoerd die het buiten beschouwing laten van deze schuld rechtvaardigen.</para>
    <para />
    <para>14. Het hof houdt geen rekening met een bedrag aan pensioenopbouw, nu door de man niet aannemelijk is gemaakt dat een reservering voor zijn pensioen noodzakelijk is en door de rechtbank terecht is overwogen dat hiermee geen rekening moet worden gehouden ten koste van zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen. </para>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>15. Rekening houdend met vorenstaande, stelt het hof vast dat de draagkracht van de man de door de vrouw gevraagde kinderalimentatie van € 350,-- per kind per maand toelaat. </para>
    <para />
    <para>Verdeling van de huwelijksgemeenschap</para>
    <para />
    <para>Het Hästingsbed </para>
    <para />
    <para>16. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de man bij zijn vertrek uit de echtelijke woning het Hästingsbed heeft achtergelaten. De man heeft het bed meegenomen, zo stelt de vrouw. De vrouw gaat akkoord met toedeling van het bed aan de man, waarbij de man de helft van de door de rechtbank vastgestelde restwaarde aan haar dient te vergoeden. De restwaarde, door de rechtbank te hoog bepaald op € 2.000,--, is echter € 1.000,--. De man betwist uitdrukkelijk dat hij het Hästingsbed heeft meegenomen.</para>
    <para />
    <para>17. Naar het oordeel van het hof blijkt uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd niet, althans onvoldoende, dat de man het Hästingsbed heeft meegenomen. Voorts acht het hof - gezien de stukken - aannemelijk dat de vrouw in gebreke is gebleven om het Hästingsbed aan de man af te geven. Mede gelet op de aanschafdatum, acht het hof evenwel redelijk om uit te gaan van een restwaarde van het bed van € 1.500,--, De verdeling door de rechtbank als zodanig is niet in geschil, zodat de toedeling van het bed aan de man door de rechtbank is vastgesteld. De man dient aan de vrouw ter zake wegens overbedeling een bedrag van €  750,-- te vergoeden. De verdeling dient echter nog feitelijk te geschieden door afgifte van het bed aan de man. Zodra dat gebeurt, dient de man bij gelegenheid daarvan aan de vrouw een bedrag van €  750,- te betalen.</para>
    <para />
    <para>De Aegon lijfrentepolis [I]</para>
    <para />
    <para>18. De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Aegon lijfrentepolis [I] geen lijfrenteverzekering betreft, maar een beleggingspolis. Hierdoor moet wel rekening worden gehouden met een belastinglatentie. Omdat de belastingdienst de uitkering als inkomen meerekent en het jaarinkomen van de vrouw als gevolg daarvan hoger wordt, kan de belastingdienst voorts nog een extra naheffing opleggen ten aanzien van door de vrouw ten onrechte ontvangen zorg- en huurtoeslag van vermoedelijk een bedrag van € 1.032,-- en zal zij hierdoor aan haar verleende kwijtschelding gemeentelijke belastingen en waterschapsheffing van in totaal € 735,-- moeten terugbetalen. De vrouw stelt dan ook dat slechts met het bedrag van de feitelijke uitkering, zijnde een bedrag van € 3.962,73, te verminderen met voormelde bedragen van € 735,-- en € 1.032,--, derhalve een bedrag van € 2.195,-- rekening moet worden gehouden. </para>
    <para />
    <para>19. De man stelt zich op het standpunt dat de waarde van voormelde polis dient te worden gesteld op € 7.540,04 minus een belastinglatentie van 30%, zijnde een bedrag van € 5.278,--. Voorts stelt de man dat voor zover voormelde polis al is afgekocht door de vrouw, hetgeen door haar niet is aangetoond, Aegon in het door haar uitgekeerde bedrag onder andere ook revisierente in rekening zal hebben gebracht, welke niet voor rekening van de man dient te komen. Indien de vrouw het gezamenlijk vermogen intact had gelaten, was afkoop niet nodig geweest. De man betwist voorts dat rekening moet worden gehouden met nadere aanslagen en/of terugbetaling van zorg- en/of huurtoeslag.</para>
    <para />
    <para>20. Op grond van de door de vrouw overgelegde stukken is het hof gebleken dat de Aegon polis met nummer [I] een lijfrentepolis betreft zodat de grief van de vrouw in zoverre slaagt. Het hof zal voor de bepaling van de waarde van de desbetreffende polis enkel uitgaan van de feitelijk betaalde belasting, zodat de stellingen van de vrouw ten aanzien van nadere aanslagen en/of terugbetaling van een bedrag aan ten onrechte ontvangen toeslagen worden gepasseerd. De belastinglatentie bedraagt 30%, zodat de waarde van de polis waarmee rekening dient te worden gehouden bij de verdeling € 5.278,-- bedraagt. Het hof gaat voorbij aan de door de man geponeerde stelling (zoals voor het eerst verwoord in zijn als productie 11 overgelegde schriftelijke reactie op het verweerschrift tegen incidenteel appel) met betrekking tot de Aegon Lijfrentepolis [Y], nu de man ter zake geen grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank op dit punt. </para>
    <para />
    <para>De polis levensverzekering Aegon met nummer [J] </para>
    <para />
    <para>21. In de visie van de vrouw is de polis levensverzekering Aegon met nummer [J] een uitvaartverzekering op haar naam. Aangezien de op naam van de man gestelde uitvaartverzekering bij Fortis ASR met polisnummer [C] ook zonder verrekening aan de man is toebedeeld, dient voormelde polis levensverzekering aan de vrouw te worden toebedeeld zonder verrekening van de helft van de waarde aan de man. De man betwist de stellingen van de vrouw.</para>
    <para />
    <para>22. Het hof verenigt zich ten aanzien van de polis levensverzekering Aegon met nummer [J] met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. De polis levensverzekering Aegon met nummer [J] betreft een polis levensverzekering en niet een polis ter verzekering van de kosten van een uitvaart. Hetgeen de vrouw ter zitting naar voren heeft gebracht maakt niet dat het hof tot een ander oordeel komt.</para>
    <para />
    <para>De beleggersgiro kapitaalopbouw/aandelenfonds met rekeningnummer [L] en de beleggersgiro inkomensaanvulling/obligatiefonds met rekeningnummer [L] bij de voormalige Postbank  </para>
    <para />
    <para>23. De vrouw stelt zich ten aanzien van beleggersgiro kapitaalopbouw/aandelenfonds met rekeningnummer [L] en beleggersgiro inkomensaanvulling/obligatiefonds met rekeningnummer [L] bij de voormalige Postbank op het standpunt dat moet worden uitgegaan van het in begin oktober 2009 daadwerkelijk aan haar uitgekeerde bedrag van in totaal € 32.076,65, waarop het bedrag van € 10.964,67 ter zake door haar betaalde huwelijkse schulden in mindering dient te worden gebracht. Het restantbedrag van € 21.111,98 moet tussen partijen bij helfte worden verdeeld. </para>
    <para />
    <para>24. De man betoogt dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de waarde van de desbetreffende fondsen per mei 2008 zoals blijkt uit de door partijen in het geding gebrachte stukken nu dit de datum is die ligt nabij de echtscheidingsdatum van 4 augustus 2008. De vrouw heeft deze fondsen zonder medewerking (en toestemming) van de man verzilverd. Voorts betwist de man het bestaan van de door de vrouw gemelde huwelijkse schulden die zij van de door haar geïncasseerde fondsen ten laste van beide partijen heeft betaald.</para>
    <para />
    <para>25. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de desbetreffende fondsen per de peildatum moeten worden toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de door de rechtbank vastgestelde waarde met de man. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Vast staat dat de man al een bedrag van € 3.500,-- is toegekomen, zodat de rechtbank hier terecht rekening mee heeft gehouden. Het hof overweegt voorts nog dat indien en voor zover de vrouw van het aan haar uitgekeerde bedrag huwelijkse schulden heeft voldaan, zoals door de vrouw wordt gesteld en door de man wordt betwist, dit niet tot een ander oordeel kan leiden nu sprake is van betaling van gemeenschapsschulden, waarvoor beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn en die met gemeenschapsgelden zijn betaald. Gelet op het vorenstaande zal het hof bij de verdeling rekening houden met een waarde van de beleggersgiro kapitaalopbouw/aandelenfonds van € 25.035,15 en met een waarde van de beleggersgiro inkomensaanvulling/obligatiefonds van € 7.889,64.</para>
    <para />
    <para>Een bedrag aan contanten van € 1.500,--</para>
    <para />
    <para>26. De vrouw verzet zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voorafgaande aan de peildatum als verkoopopbrengst van verkochte inboedelgoederen een bedrag aan contanten van € 1.500,-- in de echtelijke woning aanwezig was en dat dit bedrag voor verdeling in aanmerking komt. De vrouw stelt dat de verkoopopbrengst van diverse inboedelgoederen een veel lager bedrag bedroeg, namelijk € 200,--, welk bedrag tijdens een vakantie in Center Parcs is opgemaakt. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.</para>
    <para />
    <para>27. Het hof overweegt als volgt. Bij de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, is door de man niet aangetoond dat een bedrag aan contanten van € 1.500,-- voorafgaande aan de peildatum in de echtelijke woning aanwezig was. Nu de man in hoger beroep geen nadere bewijsstukken in het geding gebracht waaruit het tegendeel blijkt, zal het hof, in afwijking van de rechtbank, uitgaan van een bedrag aan contanten van € 200,--, welke zich voorafgaande aan de peildatum in de woning bevond. </para>
    <para />
    <para>De belastingaanslag/- teruggaaf over het jaar 2007</para>
    <para />
    <para>28.  De vrouw maakt bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de belastingaanslag/ - teruggaaf 2007 tussen partijen als gemeenschappelijke schuld c.q. bate dient te worden verdeeld. De vrouw stelt dat de man herziening van de aanslag inkomstenbelasting 2008 in plaats van de aanslag inkomstenbelasting 2007 dient te verzoeken. Immers, de betalingen van de hypotheeklasten door de man hebben plaatsgevonden in 2008. De belastingdienst heeft naar aanleiding van een door de vrouw ingediend bezwaarschrift de aanslag inkomstenbelasting 2007 gecorrigeerd, hetgeen heeft geresulteerd in een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007. Ervan uitgaande dat deze navorderingsaanslag geheel ten laste van de man komt - nu hij na het uiteengaan van partijen een voorlopige teruggave op zijn privérekening heeft ontvangen doch niet de hypotheeklasten meteen voldaan - betoogt de vrouw dat de belastingschuld over 2007 als voldoende verdeeld en verrekend moet worden beschouwd, zodat dit geen verdere beoordeling van het gerechtshof behoeft. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken.</para>
    <para />
    <para>29. Het hof overweegt als volgt. Beide partijen hebben door het maken van bezwaar danwel het doen van een verzoek bewerkstelligt dat niet over het gehele jaar 2007 het fiscaal partnerschap in aanmerking wordt genomen waardoor de negatieve opbrengst eigen woning op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 resulteert in een 50/50 verdeling. De gevolgen van deze solitaire acties van partijen komen voor ieders eigen rekening.</para>
    <para />
    <para>De belastingschuld over het jaar 2005</para>
    <para />
    <para>30. De vrouw stelt primair dat geen verrekening van de belastingschuld over het jaar 2005 dient plaats te vinden nu de vrouw pas onlangs bekend is geworden met deze aanslag en de man heeft nagelaten gemotiveerd bezwaar te maken tegen deze aanslag. Bij gebrek aan wetenschap betwist de vrouw derhalve deze belastingschuld, althans dat deze schuld als huwelijkse schuld tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Subsidiair kan de vrouw akkoord gaan met toedeling van deze schuld aan de man, met verrekening aan haar van de helft van het restantsaldo van deze schuld per de peildatum. Het vorenstaande is door de man betwist.</para>
    <para />
    <para>31. Het hof verenigt zich ten aanzien van de belastingschuld over het jaar 2005 met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat zich berust. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de belastingschuld over het jaar 2005 een schuld betreft die gedurende het huwelijk is ontstaan en derhalve valt in de gemeenschap van goederen. De stellingen van de vrouw dat zij niet op de hoogte was van de schuld en dat hiertegen door de man geen bezwaar is gemaakt, doen daar niet aan af. Ook de subsidiaire stellingen van de vrouw maken niet dat het hof tot een ander oordeel komt ten aanzien van het saldo van deze schuld.</para>
    <para />
    <para>De vordering van de man op zijn band ter zake van een onkostenvergoeding</para>
    <para />
    <para>32. De vrouw is ten aanzien van de vordering van de man op zijn band ter zake van een onkostenvergoeding van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze buiten beschouwing moet worden gelaten. De door de man gemaakte onkosten (benzinekosten) zijn betaald van de gezamenlijke rekening van partijen en de daarmee verband houdende reiskostenvergoeding is rechtstreeks overgemaakt aan (de privérekening van) de man. De vrouw maakt aanspraak op de helft van het bedrag van de onkostenvergoeding van € 977,85, zijnde een bedrag van € 488,93. De man is van mening dat de aan hem betaalde onkostenvergoeding niet voor verdeling in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>33. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken voldoende vast staat dat de uitbetaling van de onkostenvergoeding op enig moment in 2007 heeft plaatsgevonden. Gelet op vorenstaande, het feit dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan op welke rekening de vergoeding is uitbetaald en in acht nemende de peildatum voor de omvang van de gemeenschap, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de vergoeding bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap buiten beschouwing moet worden gelaten. De stellingen van de vrouw in hoger beroep leiden niet tot een ander oordeel.</para>
    <para />
    <para>Het Winstvastplan bij de voormalig Postbank met polisnummer [M] </para>
    <para />
    <para>34. De vrouw betoogt dat het Winstvastplan bij de voormalige Postbank met polisnummer [M] vóór de peildatum tot uitkering is gekomen. Het uitgekeerde bedrag is aangewend voor de kosten levensonderhoud van de vrouw en de minderjarigen, zodat het bedrag van de uitkering zonder verrekening met de man in zijn geheel aan de vrouw dient te worden toebedeeld.</para>
    <para />
    <para>35. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Daarnaast stelt de man dat nu de vrouw de opbrengst uit deze polis aan de gemeenschap heeft onttrokken, althans te eigen bate heeft aangewend, althans dit geld hangende de echtscheidingsprocedure heeft verkwist, zij deze op grond van artikel 1:164 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aan de gemeenschap dient te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>36. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank ten aanzien van deze polis terecht overwogen en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de opbrengst van de polis als bestanddeel van de gemeenschap in de verdeling moet worden betrokken. Nu de opbrengst van de polis door de rechtbank aan de vrouw is toebedeeld, dient zij de helft van dit bedrag te verrekenen met de man. Het beroep van de man op artikel 1:164 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slaagt niet nu de man op geen enkele wijze in het licht van de stellingen van de vrouw nader heeft geconcretiseerd waarom deze bepaling van toepassing zou zijn in het onderhavige geval. </para>
    <para />
    <para>De kosten van het conservatoir derdenbeslag</para>
    <para />
    <para>37.  De vrouw stelt dat de man de ten laste van de vrouw gekomen kosten van het door de man onder de ING Bank gelegde conservatoir derdenbeslag ad € 100,-- dient te vergoeden nu zij voldoende heeft onderbouwd dat de man op onjuiste en onbillijke gronden tot beslaglegging is overgegaan. De man heeft zich verweerd.</para>
    <para />
    <para>38. Het hof verenigt zich met betrekking tot de kosten van het conservatoir derdenbeslag met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof overweegt daarbij nog dat nu de verhoudingen tussen partijen getroebleerd waren en de onderlinge communicatie slecht was, de beslaglegging geïnitieerd door de man, geen misbruik van procesrecht of anderszins onbillijk of onredelijk was, waardoor de kosten voor zijn rekening zouden moeten blijven. </para>
    <para />
    <para>De restschuld ter zake van de verkoop van de voormalige echtelijke woning</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>39. Door de man wordt in incidenteel appel gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de restschuld ad € 7.326,24 na overdracht van de echtelijke woning buiten beschouwing dient te blijven nu deze schuld op </para>
      <para>21 april 2008 in zijn geheel is voldaan. De man voert daartoe aan dat hij de restschuld mede heeft betaald uit een door mevrouw [Q] aan hem verstrekte persoonlijke lening, op welke lening staande huwelijk niet is afgelost. Nu het de man aantoonbaar ontbreekt aan voldoende financiële middelen om deze - gedurende de echtscheidingsprocedure aan zijn zijde ontstane - schuld te voldoen, dient de vrouw aan hem de helft van gemelde schuld te voldoen. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>40. Het hof overweegt dat vast staat dat de restschuld is betaald op een datum gelegen vóór de peildatum, zodat deze niet meer bestond op de meervermelde peildatum. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat deze betaling slechts kan zijn verricht met geld van de gemeenschap, zodat de betaling ten laste van de gemeenschap is gekomen. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de man (een deel van) de restschuld heeft voldaan uit een alleen hem toebehorend, van de gemeenschap afgescheiden, vermogen. De grief van de man in incidenteel appel is derhalve ongegrond. </para>
    <para />
    <para>Een bedrag van € 6.000,-- uit hoofde van overbedeling ter zake van de inboedelzaken </para>
    <para />
    <para>41. De man klaagt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek inhoudende dat de vrouw aan hem een bedrag van € 6.000,-- moet betalen uit hoofde van overbedeling ter zake van de inboedelgoederen, heeft afgewezen. De man voert daartoe aan dat hij de echtelijke woning volledig intact en ingericht heeft achtergelaten. Indien de waarde van de inboedel, exclusief het  Hästingsbed, niet kan worden gesteld op € 12.000,--, dan dient deze in redelijkheid te worden vastgesteld op € 6.000,--, als zijnde de handelswaarde van een behoorlijke en volledige huishoudelijke inboedel, zodat de vrouw ter zake een bedrag van € 3.000,-- aan de man moet betalen. </para>
    <para />
    <para>42. De vrouw betoogt dat de man een groot deel van de inboedel heeft meegenomen en het aanbod van de vrouw om extra inboedelgoederen mee te nemen, heeft geweigerd. Nu de man heeft nagelaten tijdig en behoorlijk in overleg met haar te treden over de verdeling van de inboedel, heeft de rechtbank terecht het verzoek van de man inzake de inboedelgoederen afgewezen.</para>
    <para />
    <para>43. Naar het oordeel van het hof zijn ook in hoger beroep voor de stelling van de man ten aanzien van de inboedelgoederen onvoldoende gronden gebleken of aannemelijk geworden, zodat de grief van de man dienaangaande faalt. </para>
    <para />
    <para>De spaarloonregeling bij de ING bank met rekeningnummer  [A]</para>
    <para />
    <para>44. In de visie van de man is ten onrechte aan een spaarloonregeling bij de ING bank met rekeningnummer [A] op zijn naam een waarde toegekend van € 5.446,--. De man voert daartoe aan dat een bedrag van € 2.526,24 is vrijgevallen in januari 2008, welk bedrag door hem is aangewend om gemeenschapsschulden te betalen. Per peildatum 4 augustus 2008 was de waarde van de spaarloonregeling derhalve met dit bedrag verminderd. De vrouw voert gemotiveerd verweer. </para>
    <para />
    <para>45. Het hof verenigt zich met betrekking tot voormelde spaarloonregeling met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. De stellingen van de man in hoger beroep maken niet dat het hof tot een ander oordeel komt, nu de man - bij gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw - zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>De girorekening bij de voormalig Postbank met rekeningnummer [D] </para>
    <para> </para>
    <para>46. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat hij de helft van het debetsaldo van de girorekening [D] ten name van de vrouw ad € 995,32 met haar dient af te rekenen. De man voert daartoe onder meer aan dat partijen ten tijde van de echtscheiding al meer dan een jaar een gescheiden financiële huishouding hadden en dat de vrouw voldoende financiële middelen voorhanden had om de kosten voor zichzelf en de minderjarigen te kunnen betalen. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd bestreden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>47. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank ten aanzien van deze girorekening terecht overwogen en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat door de man ook in hoger beroep niet is aangetoond dat dit debetsaldo is ontstaan door uitgaven welke alleen door de vrouw zijn gedaan en dat deze alleen haar ten goede zijn gekomen. Dat de vrouw over voldoende financiële middelen beschikte om de kosten voor zichzelf en de minderjarigen te voldoen is in hoger beroep evenmin gebleken. Er zijn overigens door de man geen omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de draagplicht bij helfte zou moeten worden afgeweken. </para>
      <para>Het bedrag van € 5.300,-- </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>48. De man klaagt dat de rechtbank ten aanzien van het bedrag van € 5.300,--, dat de vrouw zich van de boedel heeft toegeëigend, ten onrechte heeft beslist dat de vrouw hier niets meer van met hem behoeft te verdelen of af te rekenen. De man sluit niet uit dat de vrouw op enig moment over onvoldoende financiële middelen beschikte om te voorzien in het levensonderhoud van haarzelf en de minderjarigen, maar door de vrouw is niet aangetoond dat dit zodanig is geweest dat zij het gehele bedrag van € 5.300,-- daarvoor nodig heeft gehad. Subsidiair stelt de man dat de vrouw minimaal dient te verantwoorden waaraan voormeld bedrag door haar is besteed. De vrouw persisteert bij de haar ingenomen stelling dat van voormeld bedrag er per de peildatum niets resteerde, zodat er niets te verdelen valt.</para>
    <para />
    <para>49. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken voldoende vast staat dat per de peildatum er niets van gemeld bedrag resteerde, nadat de vrouw dit heeft aangewend voor onder meer kosten van levensonderhoud. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er met betrekking tot meergemeld bedrag niets meer te verdelen valt en dat ook geen verrekening dient plaats te vinden. De grief van de man faalt nu voorafgaande aan de peildatum slechts sprake is van gelden van de gemeenschap en door de man ook in hoger beroep niet is aangetoond dat de bestedingen van de vrouw dusdanig onredelijk zijn geweest dat de man hieraan niet zou behoren bij te dragen. </para>
    <para />
    <para>Het bedrag van € 1.000,--</para>
    <para />
    <para>50. De man stelt dat door de rechtbank ten onrechte is geoordeeld dat het bedrag van € 1.000,-- door de vrouw is opgenomen voorafgaand aan de peildatum en dat derhalve niets te verdelen valt. De man doet voor wat betreft dit bedrag uitdrukkelijk een beroep op artikel 1:164 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. </para>
    <para />
    <para>51. De vrouw betoogt dat het betreffende bedrag  door de vrouw van de gezamenlijke rekening met nummer [L] is opgenomen als salaris voor de maanden juli en augustus 2007, welk bedrag vervolgens door haar is besteed aan de kosten van levensonderhoud. </para>
    <para />
    <para>52. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof passeert daarbij het beroep van de man op artikel 1:164 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek nu de man op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in voormeld artikellid. </para>
    <para />
    <para>De openstaande vordering bij [de camping] te [H]</para>
    <para />
    <para>53. In de visie van de man heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij de helft van de openstaande vordering bij [de camping] te [H] tot en met het einde van het jaar 2009 voor zijn rekening dient te nemen. De man betwist dat aan de vrouw de toegang ontzegd is geweest en hij stelt dat van meet af aan duidelijk was dat de caravan haar toegescheiden zou worden. Nu per de peildatum de helft van het campingseizoen al voorbij was, acht de man het redelijk dat hij slechts een kwart van het staangeld over 2008 voor zijn rekening neemt. Alle kosten met betrekking tot de periode vanaf de peildatum dienen voor rekening van de vrouw te komen. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.</para>
    <para />
    <para>54. Voor de periode tot de peildatum, acht het hof met de rechtbank redelijk dat de man en de vrouw in hun interne verhouding ieder de helft van deze schuld betalen en derhalve per saldo voor hun rekening nemen, nu het een gemeenschapsschuld betreft. Voor zover de schuld is ontstaan in de periode na de peildatum acht het hof het, in afwijking van de rechtbank, redelijk deze voor rekening van de vrouw te laten komen nu de caravan aan haar is toegedeeld en het gebruik ervan vanaf die datum haar uitsluitend toekomt. De grief van de man slaagt in zoverre.</para>
    <para />
    <para>De ontbindingsvergoeding</para>
    <para />
    <para>55. Naar de mening van de man heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij de helft van de door hem ontvangen netto ontslagvergoeding met de vrouw dient af te rekenen. De man stelt dat op de peildatum van de ontslagvergoeding niets meer aanwezig was, althans had de man de vergoeding gebruikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan. </para>
    <para />
    <para>56. De vrouw stelt dat de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding door de rechtbank terecht is aangemerkt als bestanddeel van de gemeenschap. De vrouw voert daartoe onder meer aan dat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat het gehele bedrag is aangewend ter voldoening van gemeenschappelijke verplichtingen.</para>
    <para />
    <para>57. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de man op 1 januari 2008 een ontbindingsvergoeding heeft ontvangen ten bedrage van € 11.643.40 netto. Uit de overgelegde stukken is het hof voorts gebleken dat op de peildatum van de ontslagvergoeding niets meer aanwezig was. Daar de man voorts, onweersproken door de vrouw, ook nog heeft gesteld dat de ontbindingsvergoeding op de peildatum reeds was opgesoupeerd, is dit komen vast te staan. De ontbindingsvergoeding behoorde mitsdien niet meer tot de te verdelen gemeenschap en de rechtbank heeft in dit kader dan ook ten onrechte het netto ontvangen bedrag van € 6.752,59 aan de man toegedeeld, onder de verplichting de helft van dat bedrag aan de vrouw te voldoen. De bestreden beschikking dient dan ook op dit punt te worden vernietigd.  </para>
    <para />
    <para>58. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen overigens nog in het principale of incidentele appel is aangevoerd, geen bespreking meer nu dit niet leidt tot een andersluidend oordeel. </para>
    <para />
    <para>59. Mitsdien beslist het hof als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende: </para>
    <para>  </para>
    <para>bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen met ingang van 11 mei 2010 op € 350,-- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen; </para>
    <para>  </para>
    <para>vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de waardering betreft van het Hästingsbed, de Aegon lijfrentepolis [I], een bedrag aan contanten van € 1.500,-- als verkoopopbrengst van verkochte inboedelgoederen, de herziening/definitieve aanslag Inkomstenbelasting 2007 en de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding en, in zoverre opnieuw beschikkende: </para>
    <para />
    <para>bepaalt dat de man uit hoofde van toedeling aan hem en bij gelegenheid van de levering (feitelijke afgifte) aan hem van het Hästingsbed aan de vrouw betaalt een bedrag van € 750,--;</para>
    <para />
    <para>bepaalt de waarde van de in de door de rechtbank vastgestelde verdeling betrokken Aegon lijfrentepolis [I] op € 5.278,--;</para>
    <para />
    <para>bepaalt het in de vastgestelde verdeling betrokken bedrag aan contanten wegens verkoop van inboedelgoederen op € 200,-- ;</para>
    <para />
    <para>bepaalt dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap geen door de man ontvangen ontbindingsvergoeding behoort; </para>
    <para />
    <para>veroordeelt de vrouw om wegens overbedeling aan de man te betalen een bedrag van €  14.632,69;</para>
    <para />
    <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    <para>  </para>
    <para>wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. </para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Dusamos en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2011.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>