<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T21:24:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BI6113</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-07/00556</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2009-1218</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2009060305</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T04:42:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113 Gerechtshof 's-Gravenhage , 02-06-2009 / BK-07/00556</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ beschikking. Partijen hebben hun onderscheidene standpunten niet aannemelijk gemaakt. Het Hof stelt de waarde van de woning in goede justitie vast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector belasting</para>
      <para>Nummer BK-07/00556</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 2 juni 2009</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 </para>
      <para>augustus 2007, nummer AWB 06/501, betreffende na te noemen beschikking en aanslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Beschikking, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1 Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken </para>
      <para>(hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Albrandswaard (hierna: de </para>
      <para>Inspecteur) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q] </para>
      <para>(hierna: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2003 en voor het tijdvak 1 januari </para>
      <para>2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 384.000. In het desbetreffende geschrift </para>
      <para>zijn ook de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2005 bekend gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2 Bij brief van 6 april 2005 heeft belanghebbende tegen de vorenvermelde beschikking </para>
      <para>bezwaar gemaakt, welke bezwaar door de Inspecteur op de voet van artikel 30 lid 2, van de </para>
      <para>Wet WOZ is aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de aanslagen. De Inspecteur heeft de </para>
      <para>bezwaren bij drie in een geschrift, gedagtekend 21 februari 2006, verenigde uitspraken </para>
      <para>gegrond verklaard, de waarde van de woning nader vastgesteld op € 353.000 en de aanslagen </para>
      <para>dienovereenkomstig verminderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen in de </para>
      <para>onroerende-zaakbelastingen beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep </para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Loop van het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. </para>
      <para>In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur </para>
      <para>heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 </para>
      <para>april 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet </para>
      <para>verschenen. Belanghebbende heeft bij brieven van 12 november en 7 december 2008 meegedeeld </para>
      <para>op medisch advies niet ter zitting te zullen verschijnen. Hij heeft daarbij niet om uitstel </para>
      <para>van de zitting verzocht. Verder heeft belanghebbende bij zijn vermelde brief van 7 december </para>
      <para>2008 een als een pleitnotitie aangeduid stuk met zeventien bijlagen gevoegd. Het hof rekent </para>
      <para>deze stukken tot de gedingstukken. De Inspecteur is ter zitting in de gelegenheid gesteld op </para>
      <para>deze stukken te reageren. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Vaststaande feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door </para>
      <para>een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom van de woning. De woning is </para>
      <para>een vrijstaande woning met een aangebouwde garage. De inhoud van de woning is 751 m³, welke </para>
      <para>is berekend vanaf de onderkant van de vloerconstructie, het bruto vloeroppervlak is 240 m² </para>
      <para>en het perceel heeft een oppervlakte van 429 m². De woning is in 1981 gebouwd en is van </para>
      <para>matige kwaliteit. De open haard is door een constructiefout niet te gebruiken en er zijn </para>
      <para>vochtproblemen in en rond de woning. De achtertuin is in 1992 in gezamenlijke opdracht met </para>
      <para>de achterbuurvrouw opnieuw aangelegd. Daarbij zijn een vijver, een zitkuil en een zitje in </para>
      <para>het midden van de tuin en over de kadastrale grens aangelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Omschrijving geschil en standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de waarde van de woning moet worden </para>
      <para>vastgesteld. Belanghebbende stelt zich uiteindelijk op het standpunt dat die waarde € </para>
      <para>311.150 bedraagt en de Inspecteur handhaaft het standpunt dat die waarde met € 353.000 niet </para>
      <para>te hoog is vastgesteld, zoals hij bij de uitspraak op bezwaar betreffende de </para>
      <para>waardebeschikking heeft beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Belanghebbende heeft zijn standpunt gemotiveerd met de stelling dat de vastgestelde </para>
      <para>waarde van zijn woning ten opzichte van de eerder vastgestelde waarde op de waardepeildatum </para>
      <para>1 januari 1999 buitenproportioneel is. Voorts wijst hij op de slechte kwaliteit van de </para>
      <para>woning en op "waardeverminderende factoren, te weten de opheffing van de gemeenschappelijke </para>
      <para>tuin en de problematiek met de open haard". Ook signaleert hij "ernstige fouten" in het door </para>
      <para>de Inspecteur ingebrachte taxatierapport en twijfelt hij aan de onafhankelijkheid van de </para>
      <para>opsteller van dat rapport.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 De Inspecteur heeft zijn standpunt geschraagd met een taxatierapport van [A], </para>
      <para>WOZ-taxateur, volgens welk rapport aan de onroerende zaak een waarde is toe te kennen van € </para>
      <para>385.000. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst </para>
      <para>het Hof verder naar de gedingstukken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Overwegingen omtrent het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.1 De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende kennelijk aldus opgevat dat het mede is </para>
      <para>gericht tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de in 1.1 vermelde beschikking. Gelet op </para>
      <para>de inhoud van het beroepschrift gaat ook het Hof hiervan uit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2 De omstandigheid dat de Inspecteur een besluit heeft genomen op het bezwaarschrift </para>
      <para>terwijl belanghebbende in zijn bezwaarschrift de Inspecteur had verzocht de waarde te mogen </para>
      <para>vernemen, welke de Inspecteur mogelijk ten aanzien van de ligging heeft meegewogen in de </para>
      <para>uiteindelijke bepaling van de waarde van de woning, brengt niet mee dat de uitspraak op die </para>
      <para>grond zal moeten worden vernietigd. De Wet WOZ noch enig ander wettelijk voorschrift legt de </para>
      <para>Inspecteur de verplichting op deze informatie, indien al beschikbaar, te verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3 Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet moet de waarde van de onderhavige tot </para>
      <para>woning dienende onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak </para>
      <para>dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden </para>
      <para>overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en </para>
      <para>in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde </para>
      <para>in het economische verkeer, ofwel de prijs, die door de meestbiedende koper zou worden </para>
      <para>besteed bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste </para>
      <para>voorbereiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4 De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, dient aannemelijk te maken dat de </para>
      <para>waarde van de woning per de waardepeildatum met € 353.000 niet te hoog is vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5 Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met het taxatierapport, de daarin opgenomen </para>
      <para>vergelijkingsobjecten, de gerealiseerde verkoopprijzen van deze onroerende zaken en de </para>
      <para>daarop gegeven toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning op 1 </para>
      <para>januari 2003 € 353.000 bedroeg. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de waarde een </para>
      <para>aanzienlijk bedrag wegens vochtproblemen in en rond de woning, een gebrekkige kapconstructie </para>
      <para>en andere voor de waardebepaling van belang zijnde factoren in mindering gebracht. Door </para>
      <para>belanghebbende is er evenwel op gewezen dat de open haard wegens een constructiefout niet te </para>
      <para>gebruiken is. De Inspecteur heeft hierop gereageerd door te stellen dat de gebrekkige open </para>
      <para>haard is meegewogen bij het aanduiden van de kwaliteit van de woning. Deze stelling acht het </para>
      <para>Hof niet geloofwaardig, aangezien de ernst van de constructiefout op dat moment nog niet </para>
      <para>bekend was. Indien - zoals in dit geval - eerst na de waardepeildatum een constructiefout </para>
      <para>aan het licht komt, zal met het waardedrukkende effect daarvan rekening moeten worden </para>
      <para>gehouden. In zoverre slaagt het hoger beroep van belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.6 Belanghebbende heeft van zijn kant evenmin aannemelijk gemaakt dat de waarde van de </para>
      <para>woning € 311.150 bedraagt. Belanghebbendes benadering van de waarde op de waardepeildatum </para>
      <para>uitgaande van de waarde op de vorige waardepeildatum met toepassing van een indexatie stemt </para>
      <para>niet overeen met het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Wet. Behoudens de </para>
      <para>problematiek van de open haard is het Hof van oordeel dat in voldoende mate rekening met </para>
      <para>waardeverminderende omstandigheden is gehouden, waaronder de vochtproblemen in en rond de </para>
      <para>woning. Mogelijke kosten, welke zijn gemoeid met het opheffen van de gezamenlijke tuin, </para>
      <para>berusten op een persoonlijke verplichting van belanghebbende en zijn derhalve niet van </para>
      <para>invloed op de waarde in het economische verkeer van de woning.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.7 Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd inzake het door de Inspecteur ingebrachte </para>
      <para>taxatierapport kan hem niet baten. Het staat de gemeente vrij een taxateur in te schakelen. </para>
      <para>Het is aan het Hof om de bewijsmiddelen te waarderen. Voorts is de inhoud van de woning niet </para>
      <para>op een onjuiste wijze bepaald en gewaardeerd, nu de inhoud van de vergelijkingsobjecten op </para>
      <para>eenzelfde wijze is bepaald en bij de waardering met onderlinge verschillen voldoende </para>
      <para>rekening is gehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.8 Met al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd heeft hij, gelet op de </para>
      <para>gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, de door hem bepleite waarde niet aannemelijk </para>
      <para>gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.9 Nu partijen hun onderscheidene standpunten niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt het </para>
      <para>Hof de waarde van de woning in goede justitie vast op een bedrag van € 345.000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Proceskosten en griffierecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in </para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat </para>
      <para>belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.</para>
      <para>Wel dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en hoger beroep gestorte </para>
      <para>griffierechten van € 38 respectievelijk € 106, in totaal € 144, aan belanghebbende te worden </para>
      <para>vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,</para>
      <para>- wijzigt de beschikking aldus, dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € </para>
      <para>345.000,</para>
      <para>- vermindert de aanslagen tot aanslagen, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 345.000</para>
      <para>- gelast de gemeente Albrandswaard de voor het beroep en het hoger beroep betaalde </para>
      <para>griffierechten, in totaal € 144, aan belanghebbende te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, J.W. baron van Knobelsdorff en H. </para>
      <para>Pijl, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 2 juni 2009 </para>
      <para>in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>aangetekend aan</para>
      <para>partijen verzonden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de </para>
      <para>verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der </para>
      <para>Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      <para>1.  Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.</para>
      <para>2.  Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:</para>
      <para>    - de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>    - de dagtekening;</para>
      <para>    - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>    - de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), </para>
      <para>Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover </para>
      <para>bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden </para>
      <para>verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>