<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T23:39:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AW4398</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-01-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-04/00868</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002629&amp;artikel=11&amp;g=2006-01-20">Wet op de omzetbelasting 1968 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002629&amp;artikel=15&amp;g=2006-01-20">Wet op de omzetbelasting 1968 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002634&amp;artikel=11&amp;g=2006-01-20">Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 11</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T23:39:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-04-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398 Gerechtshof 's-Gravenhage , 20-01-2006 / BK-04/00868</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omzetbelasting: teruggaafbeschikking ingevolge artikel 15, lid 4, van de Wet</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2006:AW4398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE</para>
      <para>tweede meervoudige belastingkamer</para>
      <para>20 januari 2006</para>
      <para>nummer BK-04/00868</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>								UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>op het beroep van de fiscale eenheid A te--gen de uitspraak van de In-specteur, de voorzitter van het ma-na-ge-ment--team van de Belastingdienst/Am-ster-dam, be-tref-fende na te noemen beschikking.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1.	Teruggaafverzoek, beschikking en bezwaar</para>
    <para />
    <para>Belanghebbende heeft bij haar aangifte voor de omzetbelasting over de maand november 2003 verzocht om een teruggaaf van € 1.045. De Inspecteur heeft bij beschikking het verzoek afge-wezen. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehand-haafd.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Loop van het geding</para>
    <para />
    <para>2.1. Belanghebbende is van die uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmee heeft de grif-fier een griffierecht geheven van € 273.</para>
    <para />
    <para>2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Be-lang--hebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek in-ge-diend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een con-clusie van du-pliek.</para>
    <para />
    <para>2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsge-von-den ter zitting van het Hof van 9 december 2005, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ver--handelde ter zitting is een proces-verbaal opge-maakt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3.	Vaststaande feiten</para>
    <para />
    <para>Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of on-voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:</para>
    <para />
    <para>3.1. Belanghebbende, althans de naamloze vennootschap A. te Rotterdam als on-derdeel van de fis-ca-le eenheid die belanghebbende voor de om-zetbelas-ting is, oefent het bankbedrijf uit. Voor de in dat ka-der ver-richte activi-tei-ten is zij ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hier-na: de Wet).</para>
    <para />
    <para>3.2. Belanghebbende stelt geregeld een deel van het drukwerk - brief-pa-pier, bro-chures, formulieren, folders en dergelijke - dat in het kader van haar bankbedrijf is aangeschaft, buiten ge-bruik, omdat – onder andere – de handelsnaam of het logo van het betrokken bedrijfsonderdeel is gewijzigd, administratieve procedures zijn aangepast of formulieren in onbruik zijn ge-raakt.</para>
    <para />
    <para>3.3. Het buiten gebruik gestelde drukwerk (hierna: het druk-werk) wordt opgehaald door een in archiefvernietiging gespecia-liseerd bedrijf (hierna: de archiefvernietiger). Over en weer hebben geen betalingen (in geld) plaats. Evenmin worden factu-ren uitge-reikt. Voor ver-nie-tiging van het drukwerk is gekozen om te voorkomen dat er mis-bruik van wordt gemaakt.</para>
    <para />
    <para>3.4. Een deel van de op het drukwerk betrekking hebbende omzet-belasting (voorbelasting) heeft belanghebbende in aftrek ge-bracht. De aftrek heeft plaatsgehad overeenkomstig de bestem-ming van het drukwerk, te weten ten behoeve van het gebruik voor - kortweg - bancaire prestaties, en is berekend aan de hand van de in ar-ti-kel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoe-rings-beschik-king omzetbelasting 1968 vermelde me-thode.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4.	Omschrijving geschil en standpunten van partijen</para>
    <para />
    <para>4.1. Par-tijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of be-lang-hebbende recht heeft op een te-ruggaaf van het niet in af-trek gebrachte deel van de op het drukwerk betrekking hebbende belasting, welke vraag belanghebbende bevestigend en de In-spec-teur ontkennend beantwoordt.</para>
    <para />
    <para>4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aange-voerd in de stuk-ken. Zij heb-ben hun standpun-ten ter zitting toegelicht.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4.3. Tussen partijen staat vast, zo bleek ook ter zitting, dat aan belanghebbende een teruggaaf van € 1.045 kan worden ver-leend, zo het gelijk aan haar zijde is.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5.	Conclusies van partijen</para>
    <para />
    <para>5.1. Het beroep van belang-hebbende strekt tot het verlenen van een teruggaaf van € 1.045 aan belasting.</para>
    <para />
    <para>5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para>6.	Overwegingen omtrent het geschil</para>
    <para />
    <para>6.1. Het Hof merkt als tussen partijen vaststaand aan dat de ar-chiefvernietiger met het vernietigen van het drukwerk een voor de omzetbelasting be-lastbare prestatie jegens be-lang-heb-ben-de verricht en dat be-lang-hebbende die prestatie met het af-ge-ven van het drukwerk be-taalt. Daaruit is naar ’s Hofs oordeel af te leiden dat be-lang-hebbende een voor de omzetbe-las-ting be-lastbare prestatie, te weten de levering van drukwerk, jegens de archiefvernietiger verricht.</para>
    <para />
    <para>6.2. De enkele omstandigheid dat, naar de Inspecteur heeft ge-steld, het drukwerk een betrekkelijk geringe waarde heeft, staat naar ’s Hofs oordeel niet in de weg aan de conclusie dat belanghebbende het drukwerk heeft geleverd aan de archiefver-nietiger. De archiefvernietiger neemt als betaling voor zijn prestatie kennelijk genoegen met het ter vernietiging aange-boden drukwerk, ter-wijl overigens niet is gesteld of gebleken dat het zijn bedoeling is belanghebbende te bevoordelen.</para>
    <para />
    <para>6.3. Uit het overwogene in 6.1 volgt naar ’s Hofs oordeel dat het drukwerk, in afwijking van de aan-vankelijke bestemming, is ge-bruikt voor de levering ervan aan de archiefvernietiger. Die omstandigheid brengt naar ’s Hofs oordeel mee dat de op het druk-werk betrekking heb-bende belasting, voor zover die niet al in aftrek is gebracht, alsnog voor teruggaaf op de voet van ar-tikel 15, vierde lid, van de Wet in aanmerking komt. Daarbij neemt het Hof in aanmerking, gegeven de voorhanden zijnde fei-ten, dat het drukwerk vooraf-gaan-de aan de le-vering er-van niet al voor enig an-der doel is gebruikt – het enkel voorhanden heb-ben van het drukwerk is bezwaarlijk als bezigen in de zin van de omzetbelasting aan te merken - en dat ter zake van de le-ve-ring van het drukwerk geen van de in artikel 11 van de Wet be-doelde vrij-stellingen van toepassing is.</para>
    <para />
    <para>6.4.	Aan de conclusie dat het niet in af-trek gebrachte deel van de op het drukwerk betrekking hebbende belasting voor teruggaaf in aanmerking komt, doet naar ’s Hofs oordeel niet af het gege-ven dat de kos-ten van het drukwerk deel uitmaken van de alge-me-ne kosten van belanghebbendes bankbedrijf en evenmin het gege-ven dat met het vernietigen van het drukwerk in het bijzonder belanghebbendes bankbedrijf is gebaat. Voor het recht op terug-gaaf is en-kel beslissend – voor zover hier van belang - dat het drukwerk in het kader van de onderneming van belanghebbende is gebezigd en dat het drukwerk niet is ge-bezigd voor prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet. In dit geval is aan beide voorwaarden voldaan.</para>
    <para />
    <para>6.5. Het beroep van belanghebbende is gegrond. Bij-gevolg moet wor-den be-slist als na te melden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>7.	Proceskosten en griffierecht</para>
    <para />
    <para>7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van be-lang-heb-ben-de is vindt het Hof aanleiding de In-specteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te ver-oordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de be-han-deling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten ma-ken. De kosten stelt het Hof aan de hand van het Be-sluit pro-ceskos-ten bestuursrecht vast – conform partijen ter zitting met elkaar zijn overeengekomen - op € 1.610, te specifi-ce-ren als volgt: kos-ten ge-machtigde: 2,5 punt x € 322 met we-gings-fac-tor 2.</para>
    <para />
    <para>7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffie-recht ad € 273 te worden vergoed.</para>
    <para />
    <para />
    <para>8.	Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;</para>
      <para>- vernietigt de beschikking;</para>
      <para>- verleent teruggaaf van € 1.045 aan belasting;</para>
      <para>- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zij-de van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.610, on-der aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechts-per-soon die de-ze kosten moet vergoeden; en</para>
      <para>- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak ge-storte griffierecht van € 273 aan belanghebbende te ver-goeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Beelen. De beslissing is op 20 januari 2006 in het openbaar uit-gespro-ken, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(Van der Zande)		(Sanders)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangetekend aan</para>
      <para>Partijen verzonden:	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uit-spraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      <para>1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.</para>
      <para>2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:</para>
      <para>- de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>- de dagtekening;</para>
      <para>- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ge-richt;</para>
      <para>- de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</para>
      <para>De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cas-satieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>