<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:48:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AV2646</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-11-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05/969</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>IER 2006, 31</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T23:12:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646 Gerechtshof 's-Gravenhage , 10-11-2005 / 05/969</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 5 Tabakswet. Uitleg "reguliere presentatie". Verhouding tot administratieve procedure.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2005:AV2646:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 10 november 2005 </para>
      <para>Rolnummer: 05/969 </para>
      <para>Rolnr. rechtbank: KG 05/581 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel- kwaliteit, alsmede het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), </para>
      <para>wiens zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, </para>
      <para>appellant, </para>
      <para>hierna te noemen: de Staat, </para>
      <para>procureur: mr. A.B. van Rijn, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. AGIO SIGARENFABRIEKEN N.V., </para>
      <para>gevestigd te Duizel, </para>
      <para>2. BRITISH AMERICAN TOBACCO THE NETHERLANDS B.V., </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam, </para>
      <para>3. RITMEESTER B.V., </para>
      <para>gevestigd te Veenendaal, </para>
      <para>4. SWEDISH MATCH CIGARS B. V.,</para>
      <para>gevestigd te Valkenswaard, </para>
      <para>geïntimeerden, </para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: Agio c.s., </para>
      <para>procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het geding </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij exploot van 6 juli 2005 is de Staat in hoger beroep gekomen van het </para>
      <para>vonnis van 13 juni 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te </para>
      <para>'s-Gravenhage gewezen tussen partijen. De Staat heeft vijf grieven tegen </para>
      <para>het vonnis aangevoerd. Het hof heeft op verzoek van de Staat besloten het </para>
      <para>hoger beroep als spoedappel te behandelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Agio c.s. hebben de grieven bij memorie van antwoord met producties bestreden. </para>
      <para>Partijen hebben vervolgens hun standpunten op de zitting van het hof van </para>
      <para>26 september 2005 mondeling doen toelichten, de Staat door mr. A.C. de Die, </para>
      <para>advocaat te 's-Gravenhage en Agio c.s. door mr. drs. K.J. Defares, advocaat te </para>
      <para>Amsterdam, beiden aan de hand van aan de procesdossiers gevoegde </para>
      <para>pleitaantekeningen. </para>
      <para>Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling van het hoger beroep </para>
    <para />
    <para>1. de feiten </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1 Tegen de vaststelling van de feiten onder 1.De feiten van het vonnis van 13 juni </para>
      <para>2005 heeft de Staat geen grief aangevoerd. Het hof gaat daarom bij de </para>
      <para>beoordeling van het  hoger beroep uit van de juistheid van die feiten.</para>
      <para>Met inachtneming van die feiten gaat deze zaak om het volgende: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2 Agio c.s. zijn tabaksproducenten, die voor de distributie en verkoop van hun  </para>
      <para>tabaksproducten onder meer gebruik maken van benzinestations. </para>
      <para>Daartoe hebben zij met de eigenaren van die benzinestations overeenkomsten </para>
      <para>gesloten op grond waarvan in de tabaksverkooppunten zogenaamde dispensers </para>
      <para>op de toonbank worden opgesteld, waarin doosjes sigaren worden geplaatst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) heeft bij </para>
      <para>beschikking van 18 februari 2005 aan een van die eigenaren van benzinestations, </para>
      <para>[betrokkene], een (administratieve) boete opgelegd van € 4.500,-- wegens </para>
      <para>overtreding van artikel, 5, lid 1 van de Tabakswet. </para>
      <para>De minister heeft in die beschikking als reden voor de boeteoplegging opgegeven </para>
      <para>dat volgens de Tabakswet van het reclame- en sponsorverbod (voor </para>
      <para>tabaksproducten) weliswaar is uitgezonderd de reguliere (de te doen gebruikelijke)   </para>
      <para>presentatie van te koop aangeboden tabaksproducten in verkoopschappen in </para>
      <para>gesloten verpakkingen, maar dat de presentatie In het benzinestation van [betrokkene] </para>
      <para>met dispensers (ook wet displays genoemd) met sigaren en een </para>
      <para>omdoos met sigaren op de toonbank niet gebruikelijk is en dat niet is toegestaan dat</para>
      <para>de presentatie van te koop aangeboden tabaksproducten op zichzelf reclame of </para>
      <para>verkoopbevorderend zou gaan werken, althans niet meer dan in de afgelopen </para>
      <para>jaren het geval was. [betrokkene] heeft tegen die beschikking tijdig bezwaar gemaakt. De</para>
      <para>minister heeft het bezwaar bij beslissing van 11 augustus 2005 ongegrond </para>
      <para>verklaard. [betrokkene] heeft daartegen beroep ingesteld. Op grond van artikel </para>
      <para>11 h Tabakswet is de werking van de boete door dat bezwaar en beroep van </para>
      <para>rechtswege geschorst. De bestuursrechter had ten tijde van de pleidooien in hoger beroep en </para>
      <para>het vragen van arrest nog niet op het beroep beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4 De minister heeft aan marktpartijen doen weten (onder andere tijdens een </para>
      <para> bijeenkomst op 22 april 2005 van vertegenwoordigers van de Voedsel en Waren </para>
      <para>Autoriteit en vertegenwoordigers van de tabaksindustrie, zie prod.vi bij memorie </para>
      <para>van antwoord) op welke wijze het in de Tabakswet neergelegde begrip "reguliere </para>
      <para>presentatie" in de praktijk zal worden uitgelegd en toegepast en meer in het </para>
      <para>bijzonder dat presentatie door middel van displays als niet-reguliere presentatie </para>
      <para>wordt aangemerkt en niet zal worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. de procedure in eerste instantie </para>
      <para>2.1 Agio c.s. hebben voor de voorzieningenrechter gevorderd, samengevat, en </para>
      <para>voorzover in hoger beroep nog van belang, de Staat te bevelen zijn </para>
      <para>handhavingspraktijk terzake van artikel  5, lid 3, onder b, van de Tabakswet jegens </para>
      <para>hen niet toe te passen, voor zover deze praktijk het hun niet toestaat hun tabaksproducten</para>
      <para>in benzinestations uit te stallen dan wel te doen uitstallen in dispensers, en door zijn </para>
      <para>ambtenaren niet te doen toepassen in het bijzonder met betrekking tot inspectie, onderzoek, </para>
      <para>vervolging en sanctionering, totdat daarover door de (bestuurs)rechter onherroepelijk is beslist. </para>
      <para>Zij hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat de door de minister </para>
      <para>gehanteerde uitvoeringspraktijk berust op een onjuiste uitleg van artikel 5, lid 3 van </para>
      <para>de Tabakswet, althans dat de toe passing van die bepaling door de minister in strijd </para>
      <para>is met het evenredigheidsbeginsel, althans dat het verbod en de handhaving </para>
      <para>daarvan strijdt met het Europese gemeenschapsrecht, met name met artikel 28 EG. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2 De voorzieningenrechter heeft deze vordering van Agio c.s. toegewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3 Partijen strijden ook in een bodemprocedure bij de civiele rechter in 's-Gravenhage </para>
      <para>over de vraag of het verbod van het uitstallen van sigarendoosjes in op </para>
      <para>toonbanken geplaatste dispensers rechtmatig is. In die procedure was ten tijde</para>
      <para> van het vragen van arrest evenmin vonnis gewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. spoedeisend belang, grief 1 </para>
      <para>3.1 De Staat stelt in zijn eerste grief dat Agio c.s. geen spoedeisend belang bij hun </para>
      <para>vordering hadden (en hebben), omdat boetebeschikkingen tegen de </para>
      <para>eigenaren/exploitanten van benzinestations van rechtswege zijn geschorst totdat </para>
      <para>- na ingesteld bezwaar en beroep - de bestuursrechter onherroepelijk over de </para>
      <para>rechtmatigheid van de boeteoplegging zal hebben beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 De grief gaat niet op, omdat het in deze zaak niet gaat over het spoedeisend </para>
      <para>belang van de beboete houders van benzinestations, maar om de belangen van de </para>
      <para>sigarenproducenten Agio c.s. die klagen dat de door de Staat gevoerde </para>
      <para>handhavingpraktijk hen belemmert in hun commerciële beleid. </para>
      <para>Ter zitting hebben partijen desgevraagd verklaard dat de Staat, indien het door </para>
      <para>de voorzieningenrechter gegeven bevel zal worden vernietigd, de vrijheid wenst te </para>
      <para>hebben om door te gaan met het optreden tegen in zijn ogen verboden uitstalling </para>
      <para>op displays en dat pomphouders bij het voortduren van dat optreden niet bereid </para>
      <para>zijn (althans niet onder dezelfde voorwaarden) de door Agio c.s. geleverde </para>
      <para>dispensers op te stellen voor de verkoop van hun sigaren. Het hof acht voldoende </para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat pomphouders met wie Agio c.s. een </para>
      <para>(verkoop)arrangement hebben gesloten door de handhavingspraktijk van de Staat </para>
      <para>weigeren langer sigaren op de door Agio c.s. gewenste wijze op dispensers uit te </para>
      <para>stallen omdat ze niet het risico willen lopen daarvoor te worden gesanctioneerd en </para>
      <para>die verkoop op die wijze slechts willen voortzetten indien Agio c.s. zich verbinden </para>
      <para>de eventueel door hen te verbeuren boetes te betalen. Mede gezien de omvang </para>
      <para>die de boetes bij doorgaande verkoop kunnen bereiken, is tevens aannemelijk </para>
      <para>geworden dat het tengevolge van de handhavingspraktijk van de Staat voor Agio </para>
      <para>c.s. in de praktijk niet langer verantwoord is sigaren op dispensers te doen </para>
      <para>uitstallen, dat Agio c.s. daardoor schade lijden en dat zij bij de door hen gevraagde </para>
      <para>voorzieningen spoedeisend belang hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. voorrang administratieve rechter, grief 2 </para>
      <para>4.1 In de tweede grief betoogt de Staat dat de civiele rechter zich niet bevoegd had </para>
      <para>moeten verklaren (5.7 dagvaarding in hoger beroep) althans dat hij zijn beslissing </para>
      <para>had moeten aanhouden totdat de bestuursrechter een onherroepelijke beslissing </para>
      <para>heeft gegeven (5.8 dagvaarding in hoger beroep). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Nu Agio c.s. zich tot de burgerlijke rechter hebben gewend met een vordering op </para>
      <para>de grondslag dat de Staat ten opzichte van hen een onrechtmatige daad pleegt is </para>
      <para>de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. </para>
      <para>Agio c.s. zijn in hun vordering bij de burgerlijke rechter ook ontvankelijk, omdat zij </para>
      <para>in de administratiefrechtelijke procedure over de aan pomphouders gerichte </para>
      <para>boetebeschikkingen niet als belanghebbenden worden aangemerkt en voor hen </para>
      <para>dus geen andere, met voldoende waarborgen omklede, bijzondere rechtsgang </para>
      <para>openstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 De stelling van Agio c.s. houdt in dat zij schade lijden door het in hun ogen </para>
      <para>onrechtmatige handhavingsbeleid van de Staat tegen het presenteren van </para>
      <para>tabaksartikelen op dispensers en dat die schade ook optreedt als aan de </para>
      <para>pomphouders bij wie de dispensers zijn geplaatst (nog) geen boete is opgelegd </para>
      <para>of als een opgelegde boete (nog) niet kan worden geïnd. Tegen die gestelde </para>
      <para>berokkening van schade staat voor hen geen andere toegang tot een (spoedige) </para>
      <para>rechterlijke voorziening open dan die van het kort geding bij de burgerlijke </para>
      <para>voorzieningenrechter.  De stelling van de Staat dat de voorzieningenrechter zijn </para>
      <para>beslissing zou moeten aanhouden totdat in een door anderen (de pomphouders) </para>
      <para>gevoerde procedure bij de gespecialiseerde rechter een (eind)uitspraak is gedaan </para>
      <para>over de rechtmatigheid van de boeteoplegging verdraagt zich niet met het stelsel </para>
      <para>van voorzieningen in kart geding. Dat stelsel laat niet toe dat aan burgers de </para>
      <para>mogelijkheid wordt onthouden om bij een rechter maatregelen op korte termijn te </para>
      <para>vorderen tegen vermeend onrechtmatig schadeveroorzakend gedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para> 4.4 De grief faalt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para> 5. beoordelingsmaatstaf, grief 3 </para>
      <para> 5.1 De Staat klaagt in de derde grief dat de voorzieningenrechter een te ruime </para>
      <para>beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd. Volgens hem zou de burgerlijke kort- </para>
      <para>gedingrechter de vordering alleen kunnen toewijzen indien hij van oordeel was dat </para>
      <para>de wettelijke regeling waarop het handhavingsbeleid van de Staat rust kennelijk </para>
      <para>onverbindend is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 5.2 Die grief gaat niet op omdat de door de Staat beoogde beperkte maatstaf </para>
      <para>betrekking heeft op gevallen waarin aan een vordering de onverbindenheid van de </para>
      <para>wettelijke regeling wordt ten grondslag gelegd waarop het handelen van de </para>
      <para>overheid berust. De taakverdeling tussen wetgevende en rechtsprekende macht </para>
      <para>vergt van de kort-gedingrechter dat hij bij een dergelijke beoordeling </para>
      <para>terughoudendheid betracht. </para>
      <para>De primaire grondslag van de onderhavige vordering is echter niet dat de </para>
      <para>wettelijke regeling onverbindend of onrechtmatig is, maar dat de Staat een op zich </para>
      <para>juiste wettelijke regeling onjuist uitlegt en op een jegens Agio c.s. onrechtmatige </para>
      <para>wijze ten uitvoer legt. Voor de beoordeling van dat gestelde onrechtmatig </para>
      <para>handelen geldt de beperkte maatstaf niet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3 De stelling dat het openbaar ministerie bij opsporings- en vervolgingshandelingen ruime </para>
      <para>beleidsvrijheid heeft die de rechter moet respecteren en in de jurisprudentie ook respecteert </para>
      <para>baat de Staat niet, omdat (ook bij strafrechtelijke opsporing en vervolging) beleidsvrijheid </para>
      <para>niet meebrengt dat de wet onjuist mag worden uitgelegd en daardoor in strijd met een </para>
      <para>wettelijke regeling kan worden gehandeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4 De oplegging van een - administratieve - boete vormt een toepassing van een </para>
      <para>strafsanctie in materiele zin. Aan een zodanige vorm van handhaving - daaronder </para>
      <para>begrepen aanschrijvingen met waarschuwingen dat de boetesanctie zal of kan </para>
      <para>worden opgelegd - moet de eis worden gesteld dat ze berust op een voldoende </para>
      <para>duidelijk wettelijk verbod. Indien de (kort-geding) rechter van oordeel is dat de </para>
      <para>handhaving niet berust op een wettelijk verbod zal hij - tenzij bijzondere </para>
      <para>omstandigheden een andere oplossing vergen - die handhaving moeten </para>
      <para>verbieden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. betekenis "reguliere presenatie" in artikel 5, lid 3 onder b Tabakswet, grief 4 </para>
      <para>6.1 Van het in artikel 5, lid 1 van de Tabakswet gegeven algemene verbod van elke </para>
      <para>vorm van reclame of sponsoring van tabaksproducten zondert artikel 5, lid 3, sub b </para>
      <para>uit: "de reguliere presentatie van de te koop aangeboden tabaksproducten door middel van</para>
      <para>het tonen daarvan in een gesloten verpakking tegen een neutrale achtergrond en de </para>
      <para>normale prijsaanduiding daarvan in tabaksverkooppunten (...)" </para>
      <para>De toelichting bij die bepaling in de Nota van Wijziging van de Tabakswet (kamer- </para>
      <para>stukken 2000-2001,26472, nr.7, p. 22) luidt, voor zover in deze zaak van belang: </para>
      <para>"In het voorgestelde derde lid zijn vijf uitzonderingen op de beperking van de tabaksreclame opgenomen. </para>
      <para>Die uitzonderingen zijn uit een oogpunt van rechtszekerheid en handhaving zo concreet mogelijk </para>
      <para>verwoord en spreken als zodanig alle vijf voor zich. (...) </para>
      <para>De ratio van onderdeel b is dat de verpakking van tabaksproducten op zichzelf onder de definitie </para>
      <para>van reclame in artikel 1, onderdeel f, valt, maar het niet de bedoeling kan zijn die verpakkingen</para>
      <para>te verbieden. Vandaar deze uitzondering op de reclamebeperking. "Reguliere presentatie" </para>
      <para>betekent zoals te doen gebruikelijk in de afgelopen jaren; rare stuntachtige </para>
      <para>uitstalmethoden kunnen hiermee worden voorkomen. (...) </para>
      <para>Het kan echter niet zo zijn dat de tabaksfabrikanten in samenspraak met de tabaksdetailhandel </para>
      <para>na de inwerkingtreding van de nieuwe Tabakswet tot een zodanige presentatie </para>
      <para>of prijsaanduiding van te koop aangeboden tabaksproducten komen dat deze </para>
      <para>presentatie of prijsaanduiding op zichzelf als reclame of verkoopbevorderend zou gaan </para>
      <para>werken, althans niet meer dan in de afgelopen jaren het geval was." (...) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.2 Het hof leest in de bepaling, in samenhang met de daarbij gegeven toelichting, </para>
      <para>dat niet verboden is tabaksproducten in tabaksverkooppunten te presenteren, </para>
      <para>indien dat maar geschiedt in een gesloten verpakking, tegen een neutrale </para>
      <para>achtergrond en met een normale prijsaanduiding, en zolang die presentatie </para>
      <para>regulier is, dat wil zeggen dat die niet afwijkt van de gebruikelijke presentatie </para>
      <para>in de afgelopen jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.3 Agio c.s. hebben met door de Staat niet bestreden fotomateriaal van </para>
      <para>presentaties van sigarendoosjes op dispensers in de periode vóór, zowel als in </para>
      <para>de periode na de invoering van de nieuwe Tabakswet, voldoende aannemelijk </para>
      <para>gemaakt dat die vorm van presentatie na de invoering van de wet niet is </para>
      <para>gewijzigd, zeker niet in de zin dat die wervender zou zijn dan tevoren. De Staat </para>
      <para>heeft niet gesteld dat het hier gaat om "rare stuntachtige uitstalmethode". Het hof </para>
      <para>acht daarom het (met materiele strafsancties) handhavend optreden tegen die </para>
      <para>presentatie in strijd met de Tabakswet en dus onrechtmatig. Grief 4, die van een </para>
      <para>andere uitleg van de bepaling uitgaat, mist daarom doel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. belangenafweging, grief 5 </para>
      <para>7.1 De Staat voert in grief 5 aan dat Agio c.s. geen rechtens te beschermen belang </para>
      <para>hebben bij een oordeel over de handhavingspraktijk tegen de </para>
      <para>benzinepomphouders. Het reclameverbod van de Tabakswet en de daarop </para>
      <para>gegeven uitzondering richten zich volgens de Staat - zo begrijpt het hof zijn </para>
      <para>stelling - niet tegen de fabrikanten,  maar tegen de benzinepomphouders die de </para>
      <para>tabaksproducten op dispensers uitstallen. Als Agio c.s. wel een rechtens te </para>
      <para>beschermen belang hadden, zouden zij wel als direct belanghebbende </para>
      <para>ontvankelijk zijn in een administratief bezwaar of beroep, alsdus de Staat. </para>
      <para>In de tweede plaats hebben Agio c.s. volgens de Staat geen belang bij een </para>
      <para>voorziening, omdat de boetebeschikking tegen [betrokkene] is geschorst hangende </para>
      <para>de door [betrokkene] aangespannen administratiefrechtelijke procedure. </para>
      <para>In de derde plaats zou het door de Staat met het handhaven van het </para>
      <para>reclameverbod behartigde belang van de volksgezondheid zwaarder wegen </para>
      <para>dan een "slechts materieel, eenvoudig op geld te waarderen" belang van Agio c.s. en </para>
      <para>in de vierde plaats heeft de voorzieningenrechter volgens de Staat ten onrechte </para>
      <para>meegewogen dat de Staat maar één keer een boete heeft opgelegd op overtreding </para>
      <para>van artikel 5, lid 3 onder b van de Tabakswet. Volgens de Staat is tweemaal een </para>
      <para>boete opgelegd en is er verder op andere wijze handhavend opgetreden, namelijk </para>
      <para>door aan detaillisten duidelijk te maken dat het uitstallen van tabaksproducten op </para>
      <para>dispensers niet is toegestaan, door steekproeven te houden, schriftelijke </para>
      <para>waarschuwingen te geven, mededelingen te doen dat bij herhaalde overtreding </para>
      <para>proces-verbaal wordt opgemaakt etc. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 7.2 Uit hetgeen hiervoor onder 3 en 4 is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat </para>
      <para>Agio c.s. belang hebben bij de gevorderde voorziening, niet alleen omdat voor hen </para>
      <para>geen administratieve procedure tegen de boeteoplegging aan benzinehouders </para>
      <para>openstaat, maar ook omdat zij ook overigens door de met de Tabakswet strijdige </para>
      <para>handhavingspraktijk schade lijden, welke praktijk, zoals de Staat zelf aangeeft, niet </para>
      <para>tot het opleggen van boetes is beperkt. Om die reden is dat belang ook niet </para>
      <para>komen te ontbreken doordat de boeteoplegging aan [betrokkene] is </para>
      <para>geschorst. </para>
      <para>Dat het door de Staat behartigde belang van de volksgezondheid zwaar weegt is </para>
      <para>uiteraard juist maar even vanzelfsprekend is dat de Staat dat belang niet kan </para>
      <para>behartigen door een handhavingspraktijk die strijdig is met de wet. Een bijzondere omstandigheid</para>
      <para>die dat anders maakt doet zich hier niet voor. Daarbij merkt het hof in het bijzonder op dat de </para>
      <para>uitstalling van tabaksproducten wel onderdeel uitmaakt van een keten van volksgezondheid </para>
      <para>bedreigend handelen, maar niet handelen is dat op zichzelf een acuut gevaar vormt. </para>
      <para>Ook de vijfde grief gaat niet op. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. conclusie, duurvan de te geven voorziening </para>
      <para>8.1 Nu geen van de grieven doel treft, behoeft de subsidiaire grondslag van de </para>
      <para>vordering van Agio c.s. (de Tabakswet is in strijd met het gemeenschapsrecht) niet </para>
      <para>aan de orde te komen. Het hof zal het in eerste instantie door de </para>
      <para>voorzieningenrechter gegeven bevel - met de hierna te noemen aanpassing van </para>
      <para>de termijn waarvoor die is gegeven - in stand laten en de Staat als in het ongelijk gestelde partij </para>
      <para>veroordelen in de kosten van het hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 8.2 Onder paragraaf 4 van de dagvaarding in hoger beroep en bij gelegenheid van </para>
      <para>het pleidooi heeft de Staat aangegeven het niet eens te zijn met de bepaling door </para>
      <para>de voorzieningenrechter dat het door hem gegeven verbod duurt totdat de </para>
      <para>(bestuurs)rechter daarover onherroepelijk heeft beslist. Het hof onderschrijft dat </para>
      <para>bezwaar. Indien een bodemrechter zou oordelen dat het handhavingsbeleid van </para>
      <para>de Staat tegen de pomphouders geoorloofd is en niet met de Tabakswet in strijd, </para>
      <para>kan het in dit kort geding gegeven bevel niet meer worden tenuitvoergelegd, in </para>
      <para>beginsel ook niet indien in die bodemprocedure hoger beroep is ingesteld. </para>
      <para>Het hof ziet daarom reden de duur van het gegeven bevel te beperken in die zin </para>
      <para>dat het van kracht blijft totdat de bestuursrechter in een door een pomphouder </para>
      <para>ingestelde administratieve procedure, of totdat de civiele rechter in de door Agio </para>
      <para>c.s. aanhangig gemaakte bodemprocedure, beslist of het uitstallen of het doen </para>
      <para>uitstallen van tabaksprodukten in benzinestations in dispensers, op de wijze zoals </para>
      <para>in dit geding naar voren gebracht, in strijd is met de Tabakswet en al dan niet valt </para>
      <para>onder de uitzondering genoemd in artikel 5, lid 3 onder b van die wet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslissing </para>
    <para />
    <para>Het hof: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-  bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter te s- </para>
      <para>   Gravenhage, behoudens de daarin opgenomen bepaling dat het gegeven </para>
      <para>   bevel duurt totdat daarover door de (bestuurs)rechter onherroepelijk is beslist; </para>
      <para>-  bepaalt dat het gegeven bevel voortduurt totdat de bestuursrechter in een door een</para>
      <para>   pomphouder aangespannen administratieve procedure, dan wet totdat de civiele</para>
      <para>   bodemrechter in een door Agio C.s. aangespannen procedure, heeft beslist of het</para>
      <para>   uitstallen dan wel het doen uitstallen van tabaksproducten in benzinestations in</para>
      <para>   dispensers in strijd is met de Tabakswet en al dan niet valt onder de uitzondering van</para>
      <para>   artikel 5, lid 3, onder b van die wet; </para>
      <para>-  veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de</para>
      <para>    zijde van Agio c.s. vastgesteld op € 291,-- aan vast recht en € 2.682,-- aan salaris voor</para>
      <para>   de procureur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, G. Dulek-Schermers en D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2005 in aanwezigheid van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>