<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:2002:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-23T08:47:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/693</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2002:6">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2002:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-23T08:46:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:2002:6 Gerechtshof 's-Gravenhage , 07-03-2002 / 99/693</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:2002:6:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verjaring van revindicatievordering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:2002:6:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Uitspraak: 7 maart 2002</para>
  <para>Rolnummer 99/693</para>
  <para>Rolnr. rechtbank: HA ZA 95-2403</para>
  <parablock>
    <para>HET GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het<?linebreak?>volgende arrest gewezen in de zaak van:<?linebreak?></para>
    <para>het kerkgenootschap naar het recht van de Republiek Cyprus</para>
    <para>DE AUTOCEFALE GRIEKS-ORTHODOXE KERK TE CYPRUS,</para>
    <para>gevestigd te Lefkosia, Cyprus,</para>
    <para>appellante,</para>
    <para>hierna te noemen: de Kerk,</para>
    <para>procureur: mr. H.J.A. Knijff,<?linebreak?></para>
    <para>tegen<?linebreak?></para>
    <para>
      [geïntimeerde] ,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>geïntimeerde,</para>
    <para>hierna te noemen: [geïntimeerde] ,</para>
    <para>procureur: jhr. mr. E.A.C. Sandberg<?linebreak?></para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Het geding<?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>Bij exploot van 4 mei 1999 is de Kerk in hoger beroep gekomen van het vonnis<?linebreak?>van 4 februari 1999, tussen partijen gewezen door de rechtbank te Rotterdam.<?linebreak?></para>
      <para>Bij memorie van grieven heeft de Kerk vier grieven tegen het bestreden vonnis<?linebreak?>aangevoerd en producties overgelegd. De grieven zijn door [geïntimeerde] bij memorie van<?linebreak?>antwoord bestreden onder het overleggen van producties. De kerk heeft zich bij<?linebreak?>akte over deze producties uitgelaten. Vervolgens heeft [geïntimeerde] stukken<?linebreak?>gedeponeerd, waaronder een catalogus en een boek.<?linebreak?></para>
      <para>Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van het hoger beroep<?linebreak?></title>
    <para>1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] heeft in 1975 van een<?linebreak?>    Armeense kunsthandelaar genaamd [kunsthandelaar 1] vier iconen met<?linebreak?>    afbeeldingen van respectievelijk de apostelen Johannes, Marcus, Paulus en<?linebreak?>    Petrus (hierna te noemen: de iconen) gekocht en geleverd gekregen. In de<?linebreak?>    periode van 17 december 1976 tot en met 15 januari 1977 hebben de iconen<?linebreak?>    deel uitgemaakt van een tentoonstelling in museum Het Prinsenhof te Delft.<?linebreak?>    Stellende dat de iconen haar eigendom zijn, want afkomstig uit de<?linebreak?>    Antiphonitiskerk te Lefkosia, Noord-Cyprus en daaruit zijn verdwenen tijdens<?linebreak?>    de Turkse bezetting van Noord-Cyprus in, heeft de Kerk ter veiligstelling van<?linebreak?>    die (eigendoms)rechten op 25 juli 1995 op de iconen conservatoir beslag<?linebreak?>    doen leggen en de iconen in gerechtelijke bewaring doen nemen.</para>
    <para />
    <para>2. De Kerk vordert in dit geding --samengevat- dat voor recht wordt verklaard<?linebreak?>    dat zij eigenares is van de iconen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld deze op<?linebreak?>    verbeurte van een dwangsom aan de Kerk af te geven. De Kerk stelt dat zij<?linebreak?>    haar eigendom niet heeft verloren door de aankoop door en levering aan<?linebreak?>     , omdat het Verdrag inzake bescherming van culturele goederen in geval<?linebreak?>    van een gewapend conflict met Reglement van uitvoering en Protocol (14 mei<?linebreak?>    1954, Trb. 1955, 47; hierna te noemen: het Verdrag) eigendomsverkrijging<?linebreak?>    door [geïntimeerde] belet, en voorts omdat [geïntimeerde] bij de verkrijging niet te goeder trouw<?linebreak?>    was. [geïntimeerde] heeft onder andere aangevoerd dat hij bij het verkrijgen van de<?linebreak?>    iconen te goeder trouw was en heeft zich voorts beroepen op verjaring van de<?linebreak?>    door de Kerk ingestelde revindicatie, betogende dat hij het bezit van de<?linebreak?>    iconen heeft verworven meer dan twintig jaren vóór het instellen van de<?linebreak?>    onderhavige vordering. De rechtbank heeft de vordering van de Kerk<?linebreak?>    afgewezen, - samengevat- - omdat het Verdrag en met name de</para>
    <para>    desbetreffende bepaling van het Protocol niet een ieder verbindende bepaling<?linebreak?>    is en daarom niet aan [geïntimeerde] een recht ontneemt dat hij de grond van de<?linebreak?>    Nederlandse wet heeft en omdat volgens te dezen toepasselijk Nederlands<?linebreak?>    recht de Kerk geen eigenaar van de iconen is gebleven, omdat onvoldoende<?linebreak?>    is gebleken dat [geïntimeerde] ten tijde van de bezitsverkrijging niet te goeder trouw<?linebreak?>    was. Aan de vraag of de vordering van de Kerk is verjaard, is de rechtbank<?linebreak?>    niet toegekomen. Tegen dit oordeel en de gronden waarop dit berust richten<?linebreak?>    zich de vier door de Kerk voorgedragen grieven.<?linebreak?></para>
    <para>3. Met grief 1 betoogt de Kerk dat zij eigenares van de iconen is (gebleven)<?linebreak?>    krachtens het Verdrag en, meer in het bijzonder op grond van art. 1-4 van het<?linebreak?>    Protocol. De grief faalt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het<?linebreak?>    Verdrag en met name genoemde bepaling van het Protocol geen bepaling is<?linebreak?>    die een ieder verbindt. Daartoe geldt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>    Bij de totstandkoming van het Verdrag is uitdrukkelijk aan de orde geweest of<?linebreak?>    daarin zou worden geregeld dat de laatste bezitter van culturele goederen<?linebreak?>    (voordat die in een gewapend conflict werden afgevoerd) die rechtstreeks van<?linebreak?>    de bezitter te goeder trouw in een ander land kon terugvorderen. Besloten is<?linebreak?>    een dergelijke bepaling van privaatrechtelijke aard niet in het Verdrag of<?linebreak?>    Protocol op te nemen. (zie J.Toman, The Protection of cultural property in the<?linebreak?>    event of armed conflict, Unesco Publishing, Dartmouth, 1996, pag.336 tot en<?linebreak?>    met 351.)<?linebreak?></para>
      <para>    Ook uit de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van het Verdrag<?linebreak?>    (kamerstuk 1957- 1958, 5510, no 3) volgt dat het Verdrag (alleen)<?linebreak?>    verplichtingen van de verdragsluitende partijen formuleert en dat ook het<?linebreak?>    Protocol met betrekking tot het wegvoeren en de recuperatie van roerende<?linebreak?>    goederen verplichtingen aan verdragsluitende partijen oplegt. De memorie<?linebreak?>    van toelichting noemt als verplichting voor verdragsluitende partijen op wier<?linebreak?>    grondgebied de culturele goederen zich bevinden die afkomstig zijn van bezet<?linebreak?>    gebied, dat zij de culturele goederen sequestreren en na de vijandelijkheden<?linebreak?>    aan de autoriteiten van het voormalig bezet gebied restitueren.<?linebreak?></para>
      <para>    Ook uit de bepalingen van het Verdrag en Protocol zelf volgt niet dat die voor<?linebreak?>    een ieder verbindend zijn. Artikel 1 lid 4 van het Protocol bepaalt dat de staat,<?linebreak?>    die de verplichting had de uitvoer van culturele goederen uit het door hem<?linebreak?>    bezette gebied te beletten een schadeloosstelling moet toekennen aan de<?linebreak?>    bezitter te goede trouw van de culturele goederen die volgens lid 3 van het<?linebreak?>    artikel 1 van het Protocol moeten worden teruggegeven. Lid 3 houdt in dat op<?linebreak?>    de verdragsluitende partijen de verplichting rust bedoelde culturele goederen<?linebreak?>    terug te geven. Geen bepaling van het Protocol legt aan burgers de<?linebreak?>    verplichting op om goederen aan (eerdere) rechthebbenden terug te geven.<?linebreak?></para>
      <para>    De slotsom is dat het Verdrag en Protocol alleen de verdragsluitende staten<?linebreak?>    verplichtingen oplegt en geen bepalingen inhoudt die de burgers van die<?linebreak?>    staten rechtstreeks binden.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>4. De Kerk komt in haar grieven II en III op tegen het oordeel van de rechtbank<?linebreak?>    dat [geïntimeerde] bij de verkrijging van de iconen te goeder trouw was. Het hof laat de<?linebreak?>    beoordeling van die grieven achterwege, omdat de vordering van de Kerk,<?linebreak?>    ook al zouden deze grieven slagen, toch zal moeten worden afgewezen,<?linebreak?>    omdat het dan aan de orde komende, in eerste instantie door [geïntimeerde] gedane,<?linebreak?>    beroep op verjaring van de vordering van de Kerk slaagt.<?linebreak?></para>
    <para>5. Ten aanzien van dat beroep op verjaring oordeelt het hof als volgt:<?linebreak?>    [geïntimeerde] heeft in eerste instantie gesteld dat het recht van de Kerk om de iconen<?linebreak?>    terug te vorderen is verjaard op grond van de artikelen 3:105, 3:306 en 3:314,<?linebreak?>    lid 2 BW.<?linebreak?>    De Kerk heeft in grief 4 betoogd dat de lopende verjaringstermijn van haar<?linebreak?>    vorderingsrecht is gestuit door het door haar op 25 juli 1995 gelegde<?linebreak?>    conservatoir beslag op de iconen en niet pas door de daarop volgende<?linebreak?>    dagvaarding in deze procedure van 8 augustus 1995. Dat betoog is juist,<?linebreak?>    omdat de beslaglegging door de Kerk een daad van rechtsvervolging vormt<?linebreak?>    als bedoeld in artikel 3.316 BW.<?linebreak?>    Van verjaring is daarom sprake (ongeacht goede of kwade trouw van [geïntimeerde] ),<?linebreak?>    indien de verjaringstermijn van 20 jaar is aangevangen voor 25 juli 1975.<?linebreak?></para>
    <para>6. Het gaat hier om de verjaring van een rechtsvordering strekkende tot<?linebreak?>    beëindiging van het bezit van een niet rechthebbende, genoemd in artikel 3:<?linebreak?>    314, lid 2 BW. Die verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat een<?linebreak?>    ander dan de eigenaar bezitsdaden ten aanzien van de zaak verricht.<?linebreak?></para>
    <para>7. Uit de stellingen van partijen volgt dat sprake was van bezit van [geïntimeerde] dat een<?linebreak?>    voortzetting vormt van bezit door voorgangers. De Kerk heeft gesteld dat de<?linebreak?>    iconen in juni 1974 nog in de Antiphonitiskerk te Cyprus aanwezig waren (en<?linebreak?>    dus nog in het bezit van de Kerk) en dat ze na de Turkse invasie van juli-<?linebreak?>    augustus 1974 daaruit zijn weggenomen. De Kerk heeft voorts gewezen op<?linebreak?>    publicaties van John Fielding van mei 1976 in de Engelse bladen The<?linebreak?>    Guardian en The Times, waaruit volgt dat de iconen in april 1976 uit de<?linebreak?>    Antiphonitiskerk waren verdwenen. Het artikel beschrijft een toen aangetroffen<?linebreak?>    geplunderde en beschadigde kerk met op de vernielde iconostase een<?linebreak?>    neergekalkte datum van 6 maart 1975. De Kerk stelt dat daaruit het<?linebreak?>    vermoeden rijst dat de iconen op 6 maart 1975 zijn weggehaald. Dat strookt<?linebreak?>    met het relaas van de UNESCO vertegenwoordiger Dalibard, (prod. 40 bij<?linebreak?>    nadere conclusie Kerk in eerste instantie) die in de periode februari-maart<?linebreak?>    1975 onderzoek heeft gedaan naar de staat van het cultureel erfgoed van<?linebreak?>    Cyprus, maar de Antiphonitiskerk niet kon bereiken, omdat zijn groep werd<?linebreak?>    gestopt. Het strookt ook met de door de kerk overgelegde brieven van de<?linebreak?>    bezorgde Friends of Cyprus van begin april 1975 aan de Directeur-Generaal<?linebreak?>    van de UNESCO over diefstal van iconen uit Cyprus (prod. 41 bij nadere<?linebreak?>    conclusie Kerk in eerste instantie). Volgens [geïntimeerde] (memorie van antwoord, nrs<?linebreak?>    22 en 67) zijn de iconen na de plundering van de kerk naar Beiroet vervoerd<?linebreak?>    en van daaruit naar Londen, waarna ze na restauratie via de kunsthandelaren<?linebreak?>    [kunsthandelaar 2] , [kunsthandelaar 3] en [kunsthandelaar 1] in bezit van [geïntimeerde] zijn<?linebreak?>    gekomen.<?linebreak?></para>
    <para>8. Evenals de Kerk leidt het hof uit het voorgaande af dat de iconen op 6 maart<?linebreak?>    1975 uit de Antiphonitiskerk zijn gestolen en dat de Kerk toen het bezit van de<?linebreak?>    iconen heeft verloren. Daaruit volgt dat vanaf dat moment ten aanzien van de<?linebreak?>    iconen door anderen dan de Kerk bezitsdaden zijn verricht. De verjaring van<?linebreak?>    de revindicatievordering van de Kerk is dus voltooid in maart 1995. Grief 4<?linebreak?>    faalt dus.<?linebreak?></para>
    <para>9. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat de Kerk<?linebreak?>    de kosten van het hoger beroep moet dragen.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing<?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>    Het hof:<?linebreak?></para>
      <para>    - bekrachtigt het bestreden vonnis;<?linebreak?>    - veroordeelt de Kerk in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan<?linebreak?>      de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 215,55 aan vastrecht en € 772,-- aan<?linebreak?>      salaris voor de procureur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. Vrij, De Brauw en Looten en is uitgesproken<?linebreak?>ter openbare terechtzitting van 7 maart 2002, in bijzijn van de griffier.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>