<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSGR:1993:2</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-13T09:59:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">92/258</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:1993:2">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:1993:2</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-13T09:58:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSGR:1993:2 Gerechtshof 's-Gravenhage , 15-12-1993 / 92/258</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSGR:1993:2:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>hoger beroep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSGR:1993:2:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Uitspraak: 15 december 1993</para>
  <parablock>
    <para>rolno. 92/258</para>
    <para>rolno. rb. 276/87</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, kamer IIB, heeft het navolgende </para>
    <para>arrest gewezen in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant], </para>
    <para>wonende te [woonplaats],</para>
    <para>appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, </para>
    <para>procureur: Mr H.J.A. Knijff, </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tegen</para>
  </parablock>
  <para>1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
  <parablock>
    <para>    [naam] B.V., </para>
    <para>    gevestigd en kantoorhoudende te Groot Ammers, </para>
  </parablock>
  <para>2. [geïntimeerde sub 2], </para>
  <parablock>
    <para>    wonende te [woonplaats], </para>
    <para>geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, </para>
    <para>procureur: Mr W. Taekema.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>HET GEDING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij exploit van 24 januari 1992 is appellant, hierna te noemen</para>
      <para>
        [appellant], in hoger beroep gekomen van drie tussenvonnissen resp. </para>
      <para>d.d. 1 november 1989, 13 juni 1990 en 6 november 1991, door de</para>
      <para>arrondissementsrechtbank te Middelburg tussen partijen gewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft elf grieven aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geïntimeerden (geïntimeerde sub 2 verder te noemen [geïntimeerde sub 2] ) hebben </para>
      <para>bij memorie van antwoord, tevens akte tot vermeerdering van eis, </para>
      <para>de grieven bestreden en hunnerzijds twee bezwaren aangevoerd </para>
      <para>tegen het in deze zaak gewezen tussenvonnis d.d. 6 juli 1988. </para>
      <para>Daarbij heeft [geïntimeerde sub 2] zijn eis terzake van vergoeding van </para>
      <para>immateriële schade vermeerderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij akte ter rolle heeft [appellant] zich verzet tegen de vermeerdering </para>
      <para>van eis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij akte tot rectificatie hebben geïntimeerden de conclusie van </para>
      <para>hun memorie van antwoord gerectificeerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft een antwoordakte genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij rolbeschikking van dit gerechtshof d.d. 18 maart 1993 is de </para>
      <para>gedane verandering/wijziging van eis toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft een akte genomen houdende uitlating producties in</para>
      <para>principaal appel en reactie op vermeerderde eis, tevens memorie </para>
      <para>van antwoord in incidenteel appel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens daarvan opgemaakte akte d.d. 11 mei 1993 heeft zijdens </para>
      <para>geïntimeerden depot van twee foto’s plaats gevonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor arrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusies van partijen worden geacht hier te zijn overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <para>1. Het hoger beroep beoogt het geschil tussen partijen in volle </para>
    <para>omvang aan het hof voor te leggen. </para>
    <para />
    <para>2. Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] jegens </para>
    <parablock>
      <para>geïntimeerden aansprakelijk is voor de gevolgen van een gebeurtenis </para>
      <para>op 31 oktober 1984. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. [geïntimeerde sub 2] heeft op 31 oktober 1984, samen met een vriend, [X], </para>
    <parablock>
      <para>in het door [appellant] en diens vrouw geëxploiteerde restaurant in </para>
      <para>
        [woonplaats] het noenmaal gebruikt. Na afloop van de maaltijd heeft </para>
      <para>een handgemeen tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellant] plaatsgevonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Geïntimeerden stellen dat [appellant] [geïntimeerde sub 2] heeft mishandeld </para>
    <parablock>
      <para>door hem een aantal vuistslagen toe te dienen, enkele op diens </para>
      <para>voorhoofd links en rechts, onder het linkeroog en op het linker </para>
      <para>oor, ten gevolge waarvan [geïntimeerde sub 2] onder meer een dubbelzijdig </para>
      <para>subduraal haematoom heeft opgelopen. Geïntimeerden houden </para>
      <para>
        [appellant] aansprakelijk voor de gevolgen van deze (gestelde) </para>
      <para>mishandeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. [appellant] betwist dat hij zich op deze wijze tegenover [geïntimeerde sub 2] </para>
    <parablock>
      <para>heeft gedragen. Hij erkent dat hij [geïntimeerde sub 2] één klap heeft gegeven</para>
      <para>en dat [geïntimeerde sub 2] dientengevolge tegen de deur van het restaurant is </para>
      <para>gevallen (antwoordconclusie na deskundigenbericht sub 1). Voor </para>
      <para>het overige heeft [appellant], volgens zijn stellingen, geen geweld </para>
      <para>uitgeoefend jegens [geïntimeerde sub 2]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in haar eerste tussenvonnis, van 6 juli 1988, </para>
        <para>geïntimeerden toegelaten de door hen gestelde toedracht van </para>
        <para>de gebeurtenissen door middel van getuigen te bewijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In haar tweede tussenvonnis, van 1 november 1989, heeft de </para>
        <para>rechtbank overwogen dat de verklaringen van [geïntimeerde sub 2] en [X] aan </para>
        <para>de ene kant en de andere getuigen aan de andere kant elkaar in </para>
        <para>sterke mate weerspreken en dat er termen aanwezig zijn voor het </para>
        <para>doen uitbrengen van een deskundigenbericht, omdat de rechtbank </para>
        <para>het denkbaar acht dat de bij [geïntimeerde sub 2] geconstateerde letsels kunnen </para>
        <para>bijdragen tot het bewijs van [geïntimeerde sub 2]’ stelling ten aanzien van de </para>
        <para>toedracht van de gebeurtenissen o 31 oktober 1984. Ook blijkens </para>
        <para>haar derde tussenvonnis, van 13 juni 1990, ziet de rechtbank het </para>
        <para>deskundigenbericht als een vervolg op de bewijsopdracht aan </para>
        <para>geïntimeerden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Nadat de door de rechtbank benoemde deskundigen hun </para>
        <para>rapporten hadden uitgebracht, heeft de rechtbank in haar vierde </para>
        <para>tussenvonnis, van 6 november 1991, uit de getuigenverklaringen in </para>
        <para>samenhang met de rapporten van de deskundigen de conclusie </para>
        <para>getrokken “dat [geïntimeerde sub 2] door [appellant] mishandeld is door middel van </para>
        <para>het ondergaan van uitwendig geweld op – tenminste – twee plaatsen”. </para>
        <para>De rechtbank heeft voorts het beroep van [appellant] op medeschuld </para>
        <para>van [geïntimeerde sub 2] verworpen, overwegende – zakelijk weergegeven – dat de </para>
        <para>reactie van [appellant] op het (veronderstellenderwijze aangenomen) </para>
        <para>gedrag van [geïntimeerde sub 2] en [X] buiten proportie is geweest. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Tegen deze overwegingen richten zich de grieven VI en IX. De </para>
      <parablock>
        <para>grieven zijn gegrond. Daarbij gaat het hof ervan uit dat [appellant] </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] één klap heeft gegeven, waardoor [geïntimeerde sub 2] tegen de deur </para>
        <para>van het restaurant is gevallen. Het hof baseert dit uitgangspunt </para>
        <para>op hetgeen door de getuigen [Y], [Z] en [appellant] is </para>
        <para>verklaard en neemt daarbij in aanmerking dat hetgeen [X] als </para>
        <para>getuige heeft verklaard zodanig afwijkt van de verklaring die hij </para>
        <para>tegenover de politie heeft afgelegd, dat de daarbij komende </para>
        <para>verklaring van [geïntimeerde sub 2] als partij-getuige niet de aanvullende </para>
        <para>werking kan hebben waarop artikel 213, eerste lid, Rv. doelt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Weliswaar hebben geïntimeerden bij memorie van antwoord, </para>
      <parablock>
        <para>tevens akte tot vermeerdering van eis, gesteld dat zij onverkort </para>
        <para>hun lezing van het gebeurde handhaven. Tot nu toe hebben zij </para>
        <para>echter, ondanks de hun gegeven mogelijkheden van getuigenbewijs </para>
        <para>en deskundigenbericht, deze lezing niet kunnen bewijzen. </para>
        <para>Geïntimeerden hebben wel in genoemde memorie nader bewijs door getuigen </para>
        <para>aangeboden, maar dit aanbod dient als te ongespecificeerd te </para>
        <para>worden gepasseerd, mede in aanmerking genomen dat alle bij het </para>
        <para>handgemeen aanwezigen reeds zijn gehoord, de meesten zelfs </para>
        <para>diverse malen, en geïntimeerden nalaten aan te geven welke andere </para>
        <para>personen iets zouden kunnen verklaren omtrent de toedracht  van de</para>
        <para>gebeurtenis op 31 oktober 1984, terwijl zulks op de weg van </para>
        <para>geïntimeerden zou hebben gelegen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de beoordeling van de vraag of [appellant] jegens [geïntimeerde sub 2] </para>
        <para>aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hem aan [geïntimeerde sub 2] </para>
        <para>gegeven klap en de daardoor veroorzaakte val tegen de deur, moet </para>
        <para>gelet worden op alle relevante omstandigheden van dit geval. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Daartoe behoren de volgende omstandigheden, bezien in </para>
        <para>verband met hetgeen overigens, mede op grond van de afgelegde </para>
        <para>getuigenverklaringen, ten processe vast staat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] en [X] hebben zich gedragen als zeer kritische, </para>
        <para>moeilijk te vreden te stellen gasten. Na de koffie met cognac heeft </para>
        <para>
          [appellant] aan de sommelier [Y] gevraagd om “het verder af te </para>
        <para>handelen” en is hij de tuin ingegaan. Vervolgens is hij, op hun </para>
        <para>verzoek, naar [geïntimeerde sub 2] en [X] teruggegaan. Daarop ontstond een </para>
        <para>meningsverschil tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [X] </para>
        <para>anderzijds omtrent de betaling van de rekening ad f. 721,25. Uit </para>
        <para>hetgeen door [X] en [geïntimeerde sub 2] gezegd werd, kregen [appellant] en [Y]</para>
        <para> de indruk dat [geïntimeerde sub 2] en [X] van plan waren om zonder </para>
        <para>betaling te vertrekken. [appellant] heeft aan [Y] gevraagd om </para>
        <para>de politie te bellen. Vervolgens liepen [X] en [geïntimeerde sub 2], in die </para>
        <para>volgorde, naar de uitgang van het restaurant. [appellant] heeft </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] vastgepakt bij de kraag van diens jasje om te voorkomen dat </para>
        <para>deze zonder betaling het restaurant zou verlaten. [geïntimeerde sub 2] draaide </para>
        <para>zich om, maakte een beweging met zijn arm in de richting van </para>
        <para>
          [appellant] en krabde deze over diens gezicht. Daarop gaf [appellant] </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] een klap, waardoor [geïntimeerde sub 2] tegen de deur aanviel. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat [appellant] door </para>
        <para>het gedrag van [geïntimeerde sub 2] en [X] in de gerechtvaardigde </para>
        <para>veronderstelling verkeerde dat beiden van plan waren het restaurant te </para>
        <para>verlaten zonder de rekening te betalen. Het is [appellant] niet </para>
        <para>euvel te duiden dat hij heeft geprobeerd dit te verhinderen door </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2], die achter [X] liep in de richting van de uitgang van </para>
        <para>het restaurant, vast te pakken bij de kraag van diens jasje. Toen </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] zich daarop omdraaide en een armbeweging maakte in </para>
        <para>de richting van [appellant], waarbij hij [appellant] daadwerkelijk </para>
        <para>raakte in diens gezicht, heeft [appellant] dit mogen opvatten als </para>
        <para>een bedreiging door [geïntimeerde sub 2], waarop hij heeft gereageerd door [geïntimeerde sub 2] </para>
        <para>een klap te geven. Deze reactie is niet buiten proportie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. In beginsel heeft [appellant] onrechtmatig gehandeld jegens </para>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] door deze een klap te geven. Het hof is echter van oordeel </para>
        <para>dat het gedrag van [appellant] zozeer is uitgelokt door het gedrag </para>
        <para>van [geïntimeerde sub 2], dat het gedrag van [appellant] in casu niet onrechtmatig </para>
        <para>is tegenover [geïntimeerde sub 2]. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>11. Zelfs al zou moeten worden geoordeeld dat de in beginsel </para>
      <parablock>
        <para>bestaande onrechtmatigheid van het gedrag van [appellant] niet </para>
        <para>wordt opgeheven door het gedrag van [geïntimeerde sub 2], zou moeten worden </para>
        <para>geoordeeld dat de plicht van [appellant] tot vergoeding van de door </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 2] geleden schade geheel is vervallen, omdat de billijkheid </para>
        <para>dit in casu eist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte </para>
        <para>fouten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>12. Uit het bovenstaande volgt dat hetgeen ten processe vast </para>
      <parablock>
        <para>staat onvoldoende grond oplevert voor toewijzing van de </para>
        <para>vorderingen van geïntimeerden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>13. De gegrondbevinding van de grieven VI en IX brengt mede dat de andere grieven geen bespreking behoeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof komt tot de slotsom dat het vonnis van 6 november </para>
        <para>1991 behoort te worden vernietigd en dat de vorderingen van </para>
        <para>geïntimeerden alsnog behoren te worden afgewezen. Gelet hierop, </para>
        <para>kan het beroep tegen de vonnissen van 1 november 1989 en 13 juni </para>
        <para>1990 buiten behandeling blijven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Geïntimeerden moeten, als de in het ongelijk gestelde </para>
        <para>partij, worden veroordeeld in de kosten van beiden instanties. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>15. Gelet op de beslissing op het principaal beroep kan het </para>
        <para>incidenteel beroep buiten behandeling blijven en zal ter zake van </para>
        <para>dit beroep geen beslissing over de kosten worden gegeven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het principaal beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt het vonnis d.d. 6 november 1991;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en opnieuw rechtdoende;</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst de vorderingen van thans-geïntimeerden af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt thans-geïntimeerden in de kosten van het geding in </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>beide instanties – waaronder begrepen de kosten van de </para>
      <para>deskundigenberichten -, aan de zijde van [appellant] voor de eerste aanleg </para>
      <para>begroot op f. 3.600,-- en voor het hoger beroep op f. 3.412,57. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door Mrs Van Deth, Jonkers en Michiels van Kessenich-Hoogendam en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 1993. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>