<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:45:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL7564</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.042.429</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006746&amp;artikel=5.1.2&amp;g=2009-12-18">Voertuigreglement 5.1.2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006746&amp;artikel=5.18.6&amp;g=2009-12-18">Voertuigreglement 5.18.6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004581&amp;artikel=4&amp;g=2009-12-18">Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004581&amp;artikel=20a&amp;g=2009-12-18">Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:05:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564 Gerechtshof Leeuwarden , 18-12-2009 / 200.042.429</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervoer pakken stro op aanhangwagen achter landbouwvoertuig op gebruikelijke manier: niet afgedekt maar enkel vastgezet met spanbanden. Toelichting bij artikel 5.18.6 VR. Sanctie ter zake van “met een voertuig rijden, terwijl de losse lading die mogelijk van het voertuig kan vallen niet deugdelijk is afgedekt” terecht opgelegd. Gelijkheidsbeginsel. Suikerbieten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHLEE:2009:BL7564:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>WAHV 200.042.429</para>
      <para>18 december 2009</para>
      <para>CJIB 89123498854</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gerechtshof te Leeuwarden</para>
      <para>Arrest</para>
      <para>op het hoger beroep tegen de beslissing</para>
      <para>van de kantonrechter van de rechtbank Groningen</para>
      <para>van 17 augustus 2009</para>
      <para>betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],</para>
      <para>voor wie als gemachtigde optreedt mr. O.C. Struif, kantoorhoudende te Drachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing van de kantonrechter</para>
      <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Groningen genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het procesverloop</para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft een nadere toelichting op het beroep gegeven.</para>
      <para>De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. </para>
      <para>De zaak is behandeld ter zitting van 4 december 2009. De betrokkene is verschenen. Tevens is verschenen mr. B.E. Dijkstra, kantoorgenoot van de gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. S.M. Meijer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beoordeling</para>
      <para>1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 240,- opgelegd ter zake van “met een voertuig rijden, terwijl de losse lading die mogelijk v/h voertuig kan vallen niet deugdelijk is afgedekt”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 september 2008 om 13.20 uur op de N363 te Usquert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. De betrokkene vervoerde een lading stro. Dat hij deze lading stro zou moeten afdekken, vloeit niet rechtstreeks voort uit het Voertuigreglement, aldus de gemachtigde. Het enkele feit dat de lading niet was afgedekt brengt niet automatisch mee, dat het gevaar bestaat dat er een deel van de lading van de wagen valt. De betrokkene had de pakken stro met spanbanden vastgezet. Er bestond geen gevaar dat deze pakken gingen schuiven of van de aanhangwagen zouden vallen. Derhalve werden de pakken stro op een veilige manier vervoerd. Volgens de gemachtigde is niet gebleken dat er gevaar of hinder is veroorzaakt, enkel omdat er wat stro van de aanhangwagen afwaaide. Dat dit gevaar of hinder zou hebben veroorzaakt voor fietsers of motorrijders, zoals de kantonrechter heeft aangegeven, acht de gemachtigde niet aannemelijk. Voor het overige is op geen enkele wijze onderbouwd waaruit het gevaar zou moeten bestaan. In dit verband merkt de gemachtigde op dat de betrokkene - na de staandehouding - gewoon door mocht rijden van de verbalisant. </para>
      <para>Voorts merkt de gemachtigde op dat in het professionele vrachtverkeer volledige afdekking van een lading stro niet verplicht en niet gebruikelijk is. Een vrachtwagen volgeladen met pakken stro is niet volledig afgedekt. Ook in dat geval zal sprake zijn van het afwaaien van stukken stro, doch kennelijk wordt in die gevallen niet uitgegaan van gevaarzetting. Daarmee is volgens de gemachtigde sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. In dit verband heeft de betrokkene ter zitting nog aangevoerd dat - bijvoorbeeld - suikerbieten doorgaans eveneens onafgedekt worden vervoerd. </para>
      <para>Tot slot voert de gemachtigde aan dat er in deze zaak enkel van de verklaring van de verbalisant wordt uitgegaan. Daarmee staat niet onomstotelijk vast dat er een gevaar bestond voor het afwaaien van de lading. Volgens de gemachtigde had de verbalisant moeten omschrijven of er pakken stro waren verschoven, hoe de pakken op de wagen waren bevestigd en hoe het stro van de wagen afwaaide.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6, tweede lid, van het destijds geldende Voertuigreglement (VR). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Artikel 5.1.2 VR - voor zover hier van belang - luidde: </para>
      <para>“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Artikel 5.18.6 VR, tweede lid, luidde: </para>
      <para>“Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De toelichting op artikel 5.18.6 VR houdt - voor zover van belang - het volgende in: </para>
      <para>"Nieuw is het bepaalde in het tweede lid met betrekking tot het vervoer van losse lading. Dit lid bevat de verplichting om losse lading die van het voertuig kan vallen deugdelijk af te dekken. Gedacht dient daarbij te worden aan lading als zand, grint of puin. De wijze van afdekken is afhankelijk van de soort lading die wordt vervoerd. Zo zal voor grof puin een net voldoende zijn, terwijl zand een dekzeil zal vereisen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het begrip losse lading ziet, gelet op de toelichting, op lading die naar haar aard niet op of aan het vervoersmiddel bevestigd kan worden, maar los op of in het vervoermiddel geladen dient te worden. Een lading stro valt derhalve onder het begrip losse lading als bedoeld in artikel 5.18.6, tweede lid, VR. Indien gevaar bestaat voor het tijdens het rijden van het voertuig vallen van (een gedeelte van) de lading, bestaat derhalve de verplichting voor de betrokkene de lading stro deugdelijk af te dekken. De wijze waarop de lading dient te worden afgedekt is afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer de soort en de omvang van de lading een rol speelt. </para>
    <para />
    <para>8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt - onder meer - het volgende in:</para>
      <para>“Gedragingsgegevens: Landbouwvoertuig met aanhanger. Op de aanhanger zag ik pakken met stro. Ik zag dat er stro afwaaide. Stro was niet afgedekt.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De verbalisant verklaart dat er daadwerkelijk een hoeveelheid stro van de aanhangwagen afwaaide en dat het stro niet was afgedekt. Deze onderdelen van de verklaring van de verbalisant worden niet betwist door de betrokkene. Immers, hij stelt zich op het standpunt dat dit inherent is aan het vervoeren van stro op deze wijze. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant, als onder 9. weergegeven. </para>
    <para />
    <para>11. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat er sprake was van (in ieder geval een gedeelte van de) losse lading die van het voertuig kon vallen. Dat laatste heeft zich ook verwezenlijkt doordat er stro - sprieten of plukken - van de wagen afwaaide. Dit, terwijl uit een oogpunt van verkeersveiligheid - het voorkomen van verontreiniging van de weg en van situaties dat weggebruikers door afwaaiende en opwaaiende sprieten of plukken stro worden afgeleid - voorkomen moet worden dat (een gedeelte van de) lading van het voertuig valt. Derhalve vergt artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6 van het destijds geldende VR onder dergelijke omstandigheden van de betrokkene - als bestuurder - dat hij de losse lading deugdelijk afdekt, dat wil zeggen op zodanige wijze dat de lading, of delen daarvan, niet van het voertuig kunnen vallen. Uit de door de betrokkene in het geding gebrachte foto, alsmede uit hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, blijkt evenwel dat de lading niet was afgedekt, doch enkel met spanbanden was vastgemaakt. Daarmee is niet voorkomen dat een gedeelte van de lading van de aanhangwagen kan vallen en zelfs is gevallen. Van een deugdelijke afdekking was derhalve geen sprake. </para>
    <para />
    <para>12. Nu is komen vast te staan dat de onder 1. vermelde gedraging is verricht, zal het hof dienen te beoordelen of er redenen zijn het opleggen van de sanctie achterwege te laten dan wel deze te matigen.</para>
    <para />
    <para>13. De gemachtigde voert in dit verband aan dat er geen gevaar of hinder is veroorzaakt door de betrokkene. Echter, het bepaalde in artikel 5.1.2 in samenhang met 5.18.6 van het destijds geldende VR houdt een gebod in, waarbij niet van belang is of er daadwerkelijk een deel van de lading van het voertuig is afgevallen en of er gevaar of hinder is veroorzaakt.   Reeds hierom kan het door de gemachtigde gestelde geen grond voor matiging opleveren.</para>
    <para />
    <para>14. De stelling van de gemachtigde, dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat van professioneel vrachtverkeer niet wordt verlangd een dergelijke lading stro af te dekken, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Wat er verder ook zij van deze stelling, de enkele omstandigheid dat vergelijkbare gevallen (om welke reden dan ook) zonder sanctie zouden zijn gebleven, brengt niet mee dat ook de betrokkene daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Immers, van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, WAHV 03/598, VR 2004, 19). Daarvan is niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>15. Dat, zoals de betrokkene ter zitting van het hof nog als voorbeeld heeft gesteld, het vervoer van (suiker)bieten eigenlijk altijd onafgedekt plaatsvindt, kan niet afdoen aan het voorgaande. Immers, het is niet zo dat altijd wordt vereist dat losse lading wordt afgedekt. Een deugdelijke afdekking van de losse lading wordt enkel vereist als er gevaar bestaat voor het afvallen van (een deel van) die lading. Indien een lading suikerbieten zodanig wordt vervoerd, dat er geen gevaar bestaat voor het afvallen van suikerbieten (bijvoorbeeld door gebruikmaking van een laadbak met afdoende afmetingen), is afdekking niet vereist. </para>
    <para />
    <para>16. Nu het hof ook overigens geen redenen ziet tot matiging van de sanctie over te gaan, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>