<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:36:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY6910</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-08-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">0500466</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=438">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2006, 476</rdf:li>
          <rdf:li>JHV 2006/217 met annotatie van Mr. Helma Sengers, Mr. H.M. de Hullu</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:27:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910 Gerechtshof Leeuwarden , 23-08-2006 / 0500466</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Stellende dat van haar niet gevergd kan worden [appellant] nog langer als huurder te</para>
        <para>    accepteren, heeft Wonen NWF [appellant] opnieuw voor de kantonrechter gedagvaard tot </para>
        <para>    ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. [appellant] heeft zich</para>
        <para>    tegen deze vordering verweerd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHLEE:2006:AY6910:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrest d.d. 23 augustus 2006</para>
      <para>Rolnummer 0500466</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN</para>
    <para />
    <para>Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>toevoeging,</para>
      <para>procureur: mr J.V. van Ophem,</para>
      <para>voor wie gepleit heeft mr E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting "Wonen Noord-West Friesland",</para>
      <para>gevestigd te Sint Annaparochie,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen: Wonen NWF,</para>
      <para>procureur: mr H. de Boer, die ook heeft gepleit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in eerste instantie</para>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 10 mei 2005 en 23 augustus 2005 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), alsmede in de door de kantonrechter gegeven rolbeschikking van 19 juli 2005.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in hoger beroep</para>
      <para>Bij exploot van 13 september 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 23 augustus 2005 met dagvaarding van Wonen NWF tegen de zitting van </para>
      <para>21 september 2005.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De conclusie van de memorie van grieven, waarbij [appellant] twee producties heeft overgelegd, luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het op 23 augustus 2005 door de Rechtbank</para>
      <para>  Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden tussen partijen gewezen vonnis te</para>
      <para>  vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in haar inleidende</para>
      <para>  vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, danwel haar vorderingen af te wijzen met</para>
      <para>  veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Wonen NWF heeft bij memorie van antwoord - waarbij één productie is overgelegd - verweer gevoerd met als conclusie:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"dat uw Gerechtshof, uitvoerbaar bij voorraad en zonodig onder verbetering en/of</para>
      <para>  aanvulling der gronden, zal bevestigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, Sector</para>
      <para>  Kanton, locatie Leeuwarden, d.d. 23 augustus 2005 onder zaak-/rolnummer 165934/CV</para>
      <para>  EXPL 05-967 tussen partijen gewezen, met veroordeling van appellant in de kosten van</para>
      <para>  het hoger beroep."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Wonen NWF heeft bij akte nog een tweetal producties in het geding gebracht.</para>
    <para />
    <para>Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De grieven</para>
      <para>[appellant] heeft negen grieven opgeworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beoordeling</para>
      <para>1	Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2. (2.1 t/m 2.5) in het</para>
      <para>              aangevallen vonnis is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief I is</para>
      <para>              gericht, geen grief opgeworpen, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden</para>
      <para>              uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief I zal</para>
      <para>              worden overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.           Het gaat in dit geding - samengevat - om het volgende.</para>
      <para>2.1	  [appellant] huurt sinds 1 juli 1987 van Wonen NWF de eengezinswoning aan [adres] </para>
      <para>              te [woonplaats] (hierna: de woning). </para>
      <para>2.2	  In 1997 heeft Wonen NWF [appellant] voor de kantonrechter gedagvaard ter zake van</para>
      <para>              ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Bij vonnis van </para>
      <para>              3 februari 1998 heeft de kantonrechter die vordering afgewezen. Bij exploot van 28 mei </para>
      <para>              2004 heeft Wonen NWF [appellant] gedagvaard ter zake het verkrijgen van machtiging om</para>
      <para>              toegang tot de woning te verkrijgen teneinde noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden</para>
      <para>              te kunnen verrichten. Deze vordering is bij (verstek)vonnis van de kantonrechter d.d. </para>
      <para>              22 juni 2004 toegewezen.</para>
      <para>2.3         Naar aanleiding van laatstgenoemd vonnis heeft Wonen NWF de woning op </para>
      <para>    14 december 2004 betreden en zijn op die dag de noodzakelijke onderhouds-</para>
      <para>    werkzaamheden uitgevoerd. De deurwaarder heeft van de bezichtiging van de woning</para>
      <para>    op 14 december 2004 proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para>2.4	    Stellende dat van haar niet gevergd kan worden [appellant] nog langer als huurder te</para>
      <para>    accepteren, heeft Wonen NWF [appellant] opnieuw voor de kantonrechter gedagvaard tot </para>
      <para>    ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. [appellant] heeft zich</para>
      <para>    tegen deze vordering verweerd.</para>
      <para>2.5	    Na de op 21 juni 2005 gehouden descente heeft de kantonrechter bij vonnis van </para>
      <para>    23 augustus 2005 waarvan beroep de vorderingen van Wonen NWF toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	   Grief I luidt dat ten onrechte door de kantonrechter in het aangevallen vonnis onder r.o.</para>
      <para>   2.5  een aantal zaken wordt geconstateerd die zij tijdens de descente van 21 juni 2005</para>
      <para>   heeft waargenomen. </para>
      <para>3.1	   Zoals de grief is geformuleerd, kan deze niet slagen. Immers kan uit de aard der zaak niet</para>
      <para>   met vrucht worden opgekomen tegen hetgeen de kantonrechter vermeldt feitelijk te</para>
      <para>   hebben waargenomen. </para>
      <para>3.2	   Voor zover echter de grief beoogt te zijn gericht tegen de conclusie welke de</para>
      <para>   kantonrechter in haar vonnis aan haar waarnemingen verbindt en die conclusie als</para>
      <para>             vaststaand aanmerkt, is de grief terecht voorgesteld. De zinsneden in de bestreden</para>
      <para>   overweging, luidende dat duidelijk is dat er in de woning niet of nauwelijks wordt </para>
      <para>   gelucht en dat schemerlampen en elektrische apparaten in de woning uiterst provisorisch</para>
      <para>   en ondeskundig zijn geïnstalleerd, bevatten immers een conclusie van de kantonrechter.</para>
      <para>   Deze conclusie is tussen partijen in geschil en volgt ook niet, en zeker niet zonder meer</para>
      <para>   uit de in het proces-verbaal gerelateerde waarnemingen van de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	  Grief II komt op tegen de overweging van de kantonrechter - in r.o. 4.1 van het bestreden</para>
      <para>  vonnis - dat [appellant] het op hem rustende onderhoud aan het gehuurde niet normaal uitvoert,</para>
      <para>  maar ook iedere medewerking zou weigeren om de Stichting in staat te stellen onderhoud</para>
      <para>  aan de woning te verrichten.             </para>
      <para>                   4.1      Het hof leest de grief als in de kern te zijn gericht tegen hetgeen de kantonrechter in</para>
      <para>  rechtsoverweging 4.2 in het vonnis waarvan beroep heeft overwogen. De daarin aan het</para>
      <para>  adres van [appellant] gerichte verwijten zijn op zich echter door hem niet betwist, zodat de</para>
      <para>  gememoreerde tekortkomingen op zich vaststaan. Het hof komt hierop in het vervolg van</para>
      <para>  dit arrest nog terug.</para>
      <para>4.2	  De grief faalt.  </para>
    </parablock>
    <para>   </para>
    <parablock>
      <para>                   5.        In grief III wordt geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat tijdens</para>
      <para>  de descente genoegzaam is gebleken dat [appellant] niet, althans niet volledig aan zijn</para>
      <para>  verplichtingen als huurder voldoet. </para>
      <para>                   5.1      Het in de grief bestreden oordeel van de kantonrechter wordt naar 's hofs oordeel volledig</para>
      <para>                              gedragen door hetgeen de kantonrechter heeft overwogen met betrekking tot hetgeen zij</para>
      <para>  ten tijde van de descente in en rond de woning heeft waargenomen. Hetgeen de</para>
      <para>  kantonrechter heeft geconstateerd, wordt feitelijk ook niet door [appellant] weersproken.</para>
      <para>  Dat [appellant] aan een en ander een andersluidende conclusie verbindt, maakt dit niet anders. </para>
      <para>                   5.2.     Het hof oordeelt derhalve, met de kantonrechter, dat genoegzaam is gebleken dat [appellant]</para>
      <para>  niet - voldoende - aan zijn verplichtingen als huurder voldoet.</para>
      <para>                   5.3      De grief is dan ook tevergeefs voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>                   6.       Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in overweging 4.3 in het</para>
      <para>  aangevallen vonnis dat de veiligheid wel degelijk in het geding is.  </para>
      <para>                   6.1      Het hof merkt op dat de kantonrechter zich bij haar oordeel met name baseert op de</para>
      <para>  situatie met betrekking tot de electrische apparatuur en/of -installatie in de woning. Dit</para>
      <para>  oordeel impliceert dat sprake zou zijn van een onveilige situatie. Daarvan is in dit geding</para>
      <para>  echter objectief gezien evenwel niet gebleken. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de</para>
      <para>  kantonrechter geen eigen, specifieke deskundigheid bezit op het gebied van electrische</para>
      <para>  apparatuur en/of -installatie. </para>
      <para>                   6.2      Aan de stelling van Wonen NWF dat de brandweercommandant de situatie tijdens de</para>
      <para>  bezichtiging op 14 december 2004 als 'uiterst gevaarlijk' heeft gekenmerkt, moet worden</para>
      <para>  voorbijgegaan. Tijdens het pleidooi is immers door de vertegenwoordiger van Wonen</para>
      <para>  NWF verklaard dat de brandweercommandant zelf niet bij de bezichtiging aanwezig is</para>
      <para>  geweest, maar dat de bewuste opmerking is gemaakt door een toen wel aanwezige</para>
      <para>  gemeenteambtenaar, die tevens lid is van de vrijwillige brandweer. Het hof acht de</para>
      <para>  bewuste opmerking onvoldoende om de desbetreffende stelling van Wonen NWF te</para>
      <para>  dragen.</para>
      <para>     6.3	  Wonen NWF heeft weliswaar nog een bewijsaanbod gedaan, doch dit aanbod is, bezien in</para>
      <para>  het licht van de omstandigheden van het geval, onvoldoende gespecificeerd en, voor </para>
      <para>  zover het betreft het horen van de brandweercommandant, onvoldoende ter zake doende,</para>
      <para>  zodat het hof dit zal passeren.</para>
      <para>     6.4	  De grief slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>     7.	  [appellant] komt met grief V op tegen de overweging in het vonnis waarvan beroep dat de</para>
      <para>  relatie tussen partijen danig is verstoord, hetgeen een vruchtbare voortzetting van de</para>
      <para>  huurovereenkomst vrijwel onmogelijk maakt.</para>
      <para>     7.1	  Het enkele feit dat de verstandhouding tussen verhuurder en huurder is verstoord, wat</para>
      <para>  daarvan in het onderhavige geval ook zij, vormt naar 's hofs oordeel in beginsel</para>
      <para>  onvoldoende grond voor ontbinding van de huurovereenkomst. Dit klemt in dit geval nog</para>
      <para>  te meer nu sprake is van sociale verhuur door een woningcorporatie, in welke verhouding</para>
      <para>  van Wonen NWF als verhuurster mag worden verwacht zich jegens haar huurders anders</para>
      <para>  - meer flexibel - op te stellen dan in het geval er sprake zou zijn van particuliere verhuur. </para>
      <para>  Dit betekent dat als er sprake is van afwijkend huurgedrag - zoals onvoldoende</para>
      <para>  weersproken in casu het geval is - een woningcorporatie eerst met vrucht naar het wapen</para>
      <para>  van ontbinding van de huurovereenkomst zal kunnen grijpen indien er voor dit gedrag</para>
      <para>  onvoldoende rechtvaardiging wordt gevonden en het gedrag - hetzij jegens de verhuurster</para>
      <para>  hetzij jegens haar andere huurders - bovendien van zodanige aard is dat van de</para>
      <para>  verhuurster niet gevergd kan worden de huurovereenkomst voort te zetten. Dat klemt in</para>
      <para>  dit geval nog te meer nu aannemelijk is dat de kansen van [appellant] om binnen de sociale</para>
      <para>  huursector een andere geschikte woning te vinden uiterst gering zijn. Bovendien moet het</para>
      <para>  als uitgesloten worden geacht dat [appellant] op de particuliere markt een woning zal kunnen</para>
      <para>  betalen.                 </para>
      <para>     7.2	  Ook deze grief slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>     8.	  In grief VI bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat van Wonen NWF niet</para>
      <para>  langer kan worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [appellant] voortzet en dat</para>
      <para>  ondanks pogingen daartoe er geen enkele verbetering komt in de onderhavige situatie die</para>
      <para>  al jaren bestaat. Grief VIII verwijt de kantonrechter ten onrechte het beroep van [appellant] op</para>
      <para>  het bepaalde in art. 6:265 BW te hebben verworpen. De grieven lenen zich voor</para>
      <para>  gezamenlijke behandeling. </para>
      <para>    8.1	  Het hof leest de grieven in gezamenlijkheid aldus dat [appellant] zich erop beroept dat de hem</para>
      <para>  verweten tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt.</para>
      <para>  Hiervoor heeft het hof al overwogen dat voor wat betreft de situatie in de woning, en dan</para>
      <para>  met name op het gebied van de electrische installatie en het gebruik door [appellant] van</para>
      <para>  electrische apparatuur, Wonen NWF onvoldoende heeft aangetoond dat [appellant] tekortschiet</para>
      <para>  in zijn verplichtingen als huurder. Met betrekking tot de situatie rondom de woning - de</para>
      <para>  buitenkant van de woning en de tuin - is het hof van oordeel dat het op de weg van [appellant]</para>
      <para>  ligt om voor het onderhoud daarvan zorg te dragen. Gebrek aan onderhoud ligt dan ook in</para>
      <para>  beginsel in de risicosfeer van [appellant]. Hij heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat</para>
      <para>  hij fysiek niet in staat is om zelf voor het onderhoud buitenshuis te zorgen. In die zin kan</para>
      <para>  het gebrek aan onderhoud [appellant] niet worden verweten. Bovendien zijn er zonodig</para>
      <para>  andere oplossingen om het gebrek aan - met name - het tuinonderhoud op te vangen. In</para>
      <para>  dit kader overweegt het hof dat Wonen NWF in het verleden in overleg met [appellant] een</para>
      <para>  derde opdracht heeft gegeven het tuinonderhoud te verzorgen. De daarmee gemoeide</para>
      <para>  kosten zijn toen door [appellant] aan Wonen NWF voldaan.  </para>
      <para>    8.2	  Dat [appellant] - kennelijk - een ander huurgedrag vertoont dan het gros van de huurders</para>
      <para>  van Wonen NWF en zich daarop niet laat aanspreken, is op zich onvoldoende grond voor</para>
      <para>  gedwongen huurbeëindiging. Dit zou slechts anders zijn, indien het huurgedrag zodanig</para>
      <para>  afwijkend is, dat het als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. </para>
      <para>  Naar het oordeel van het hof heeft Wonen NWF echter onvoldoende onderbouwd dat dit</para>
      <para>  laatste feitelijk het geval is. </para>
      <para>    8.3       Bezien in het licht van alle specifieke omstandigheden van het geval acht het hof de aan</para>
      <para>  [appellant] verweten tekortkomingen derhalve van te gering gewicht om op grond daarvan de</para>
      <para>  ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>    9.	  In grief VII komt [appellant] op tegen de overweging ten overvloede van de kantonrechter dat</para>
      <para>  zij van [appellant] heeft begrepen dat hij zelf ook graag naar elders wenst te verhuizen omdat </para>
      <para>  hij ook zelf de mening is toegedaan dat de toestand onhoudbaar is geworden. </para>
      <para>    9.1	  Zoals [appellant] ook al in de toelichting op de grief aangeeft gaat het hier om een</para>
      <para>  overweging ten overvloede. Nu die overweging de beslissing van de kantonrechter niet -</para>
      <para>  mede - zelfstandig draagt, ontbeert de grief belang.</para>
      <para>    9.2	  Het hof voegt hieraan overigens nog toe dat [appellant] naar eigen zeggen door een van de</para>
      <para>  zorginstanties hulp is toegezegd zodra hij een andere woning toegewezen krijgt. Daarvan</para>
      <para>  uitgaande komt het het hof voor dat het mogelijk moet zijn om de situatie waarin [appellant]</para>
      <para>  thans verkeert ten goede te doen keren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>  Slotsom</para>
      <para>    10.	  Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep niet in</para>
      <para>  stand kan blijven. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vorderingen van Wonen NWF</para>
      <para>  alsnog afwijzen. Dat betekent dat ook grief IX, die zich keert tegen de door de</para>
      <para>  kantonrechter uitgesproken proceskostenveroordeling, doel treft.</para>
      <para>  Wonen NWF zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van zowel de</para>
      <para>  procedure in eerste aanleg (3 1/2 procespunten, kantonrechters liquidatietarieftarief in</para>
      <para>  ontruimingszaken) als die in hoger beroep (3 procespunten, tarief II) worden </para>
      <para>  veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>  De beslissing</para>
      <para>  Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>  vernietigt het vonnis van 23 augustus 2005 waarvan beroep</para>
    <para />
    <para>  en opnieuw rechtdoende</para>
    <para />
    <para>  wijst de vorderingen van Wonen NWF af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>  veroordeelt Wonen NWF in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die</para>
      <para>  tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:</para>
      <para>in eerste aanleg op nihil aan verschotten en een bedrag van euro 525,-- aan salaris  gemachtigde;</para>
      <para>in hoger beroep op een bedrag van euro 315,93 aan verschotten en een bedrag van euro 2.682,-- aan salaris voor de procureur; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan euro 254,93 aan verschotten en euro 3.207,-- aan salaris voor de procureur, op rekeningnummer 19.23.06.103 t.n.v. DS 541, MVJ Arrondissement Leeuwarden, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv;</para>
    <para />
    <para>  verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>  Aldus gewezen door mrs Breemhaar, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden, en</para>
      <para>uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof  van woensdag 23 augustus 2006.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>