<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:18:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9348</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-01-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">378/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:18:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348 Gerechtshof Leeuwarden , 05-01-2001 / 378/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9348:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER    GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN    UITSPRAAK</para>
      <para>Nr. 378/00                                                                 5 januari 2001</para>
    </parablock>
    <para>                       </para>
    <parablock>
      <para>                   Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste</para>
      <para>                   enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer</para>
      <para>                   X te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van</para>
      <para>                   het Centraal bureau motorrijtuigenbelasting te Apeldoorn (: de</para>
      <para>                   inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende</para>
      <para>                   tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de</para>
      <para>                   motorrijtuigenbelasting betreffende het tijdvak van 19 oktober</para>
      <para>                   1999 tot en met 18 januari 2000.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   1. Ontstaan en loop van het geding</para>
      <para>                   Aan belanghebbende werd op 20 januari 2000 een</para>
      <para>                   naheffingsaanslag voor de motorrijtuigenbelasting opgelegd. Op</para>
      <para>                   het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de</para>
      <para>                   inspecteur bij de bestreden uitspraak van 20 maart 2000 de</para>
      <para>                   aanslag gehandhaafd.</para>
      <para>                   Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij</para>
      <para>                   een beroepschrift (met bijlagen), welke op 2 mei 2000 ter 's hofs</para>
      <para>                   griffie is ingekomen.</para>
      <para>                   Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter</para>
      <para>                   zitting van 3 oktober 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar</para>
      <para>                   aanwezig waren belanghebbende en de inspecteur. Van alle</para>
      <para>                   vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud</para>
      <para>                   als hier ingevoegd worden beschouwd.</para>
      <para>                   Het hof heeft in deze zaak op 17 oktober 2000 in het openbaar</para>
      <para>                   mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces_verbaal bij</para>
      <para>                   aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 31 oktober 2000, aan</para>
      <para>                   partijen is verzonden.</para>
      <para>                   Bij schrijven ingekomen op 15 november 2000 heeft</para>
      <para>                   belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen</para>
      <para>                   door een schriftelijke. Op 20 november 2000 heeft</para>
      <para>                   belanghebbende het daartoe verschuldigde griffierecht ad</para>
      <para>                   ƒ 80,=  voldaan.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   2. Feiten</para>
      <para>                   Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter</para>
      <para>                   zitting staat tussen partijen het volgende onbetwist, althans</para>
      <para>                   onvoldoende betwist, vast:</para>
      <para>                   2.1. Blijkens kentekenregistratie is belanghebbende sedert 22</para>
      <para>                   april 1998 houder van een personenauto met kenteken YY_YY_</para>
      <para>                   00, zijnde de datum van afgifte van kentekenbewijs deel II op</para>
      <para>                   zijn naam. </para>
      <para>                   2.2. Belanghebbende is in het onderhavige tijdvak gedetineerd.</para>
      <para>                   Een financieringsmaatschappij is in bezit van kentekenbewijs</para>
      <para>                   deel III van de personenauto. Belanghebbende heeft geprobeerd</para>
      <para>                   de auto krachtens artikel 19 van de Wet op de</para>
      <para>                   motorrijtuigenbelasting 1994 (: de Wet) te schorsen, doch hij is</para>
      <para>                   hierin niet geslaagd aangezien de financieringsmaatschappij niet</para>
      <para>                   bereid is het kentekenbewijs deel III aan belanghebbende af te</para>
      <para>                   geven zonder tegenprestatie. Voorts is de</para>
      <para>                   financieringsmaatschappij ook op andere wijze niet bereid aan</para>
      <para>                   schorsing mee te werken. </para>
      <para>                   2.3. De motorrijtuigenbelasting over het tijdvak van 19 oktober</para>
      <para>                   1999 tot en met 18 januari 2000 is op uiterste betaaldatum door</para>
      <para>                   belanghebbende niet voldaan. In verband hiermee heeft de</para>
      <para>                   inspecteur aan belanghebbende de onderhavige</para>
      <para>                   naheffingsaanslag ten bedrage van ƒ 814,__ (inclusief ƒ 250,__</para>
      <para>                   aan boete) opgelegd. </para>
      <para>                   2.4. Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag tijdig in</para>
      <para>                   bezwaar gekomen. De inspecteur heeft op 20 maart 2000 op dit</para>
      <para>                   bezwaar negatief beschikt. Tegen deze uitspraak is</para>
      <para>                   belanghebbende in beroep gekomen bij het hof middels een</para>
      <para>                   beroepschrift, welk op 2 mei is ingekomen. Het beroepschrift is</para>
      <para>                   gedagtekend 20 april 2000. </para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   3. Het geschil en standpunten van partijen</para>
      <para>                   In geschil is de verschuldigdheid van de motorrijtuigenbelasting</para>
      <para>                   over het tijdvak van 19 oktober 1999 tot en met 18 januari 2000.</para>
      <para>                   Belanghebbende meent dat de onderhavige naheffingsaanslag</para>
      <para>                   vernietigd dient te worden aangezien hij door de onwelwillende</para>
      <para>                   houding van de financieringsmaatschappij niet in staat is om de</para>
      <para>                   betreffende personenauto te schorsen in de zin van artikel 19,</para>
      <para>                   eerste lid, van de Wet. De inspecteur is van mening dat deze</para>
      <para>                   omstandigheid geen reden is om de naheffingsaanslag te</para>
      <para>                   vernietigen.  </para>
      <para>                   Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt</para>
      <para>                   verwezen naar de gedingstukken.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   Vooreerst en vooraf omtrent de ontvankelijkheid van het beroep</para>
      <para>                   Op grond van de artikelen 6:7 en 6:9, eerste lid, van de</para>
      <para>                   Algemene wet bestuursrecht jo artikel 26c van de Algemene wet</para>
      <para>                   inzake rijksbelastingen (: Awr) vangt de termijn voor het</para>
      <para>                   instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van</para>
      <para>                   dagtekening van de uitspraak van de inspecteur. De termijn</para>
      <para>                   eindigt zes weken later. In casu loopt de termijn van 21 maart</para>
      <para>                   2000 tot en met 1 mei 2000. Het beroepschrift is door het hof één</para>
      <para>                   dag na afloop van de termijn ontvangen. </para>
      <para>                   Artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (:</para>
      <para>                   Awb) bepaalt dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig</para>
      <para>                   is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is</para>
      <para>                   bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de</para>
      <para>                   termijn is ontvangen. Het beroepschrift is gedagtekend 20 april</para>
      <para>                   2000. Het hof acht aannemelijk dat het beroepschrift vóór 2 mei</para>
      <para>                   2000 ter post is bezorgd. Op grond van voorgaande wordt</para>
      <para>                   belanghebbende ontvangen in zijn beroep.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   4. Overwegingen omtrent het geschil</para>
      <para>                   4.1. Artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet bepaalt dat</para>
      <para>                   motorrijtuigenbelasting wordt geheven ter zake van het houden</para>
      <para>                   van een personenauto. In artikel 7, eerste lid aanhef en onderdeel</para>
      <para>                   a, van de Wet wordt de houder omschreven als degene op wiens</para>
      <para>                   naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in</para>
      <para>                   het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel</para>
      <para>                   i, van de Wegenverkeerswet 1994 (: WVW). Op grond van het</para>
      <para>                   voorgaande en de feiten vermeld onder punt 2.1. is</para>
      <para>                   belanghebbende degene is van wie motorrijtuigenbelasting wordt</para>
      <para>                   geheven betreffende het onderhavige tijdvak, nu niet blijkt dat</para>
      <para>                   het houderschap sedert 22 april 1998 is gewijzigd. </para>
      <para>                   4.2. In artikel 19, eerste lid, van de Wet wordt bepaald dat de</para>
      <para>                   belasting niet wordt geheven over tijdvakken die aanvangen</para>
      <para>                   tijdens een voor dat motorvoertuig geldende schorsing als</para>
      <para>                   bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, WVW. De betreffende</para>
      <para>                   personenauto van belanghebbende is vanaf 19 oktober 1999 in</para>
      <para>                   voorgaande zin niet geschorst ondanks pogingen daartoe door</para>
      <para>                   belanghebbende. Op grond van voorgaande en het vermelde</para>
      <para>                   onder punt 2.3. is het hof van oordeel dat de inspecteur op de</para>
      <para>                   juiste gronden artikel 20, eerste twee leden, van de Awr heeft</para>
      <para>                   toegepast. Derhalve is op de juiste gronden de</para>
      <para>                   motorrijtuigenbelasting ten bedrag van ƒ 564,__ nageheven over</para>
      <para>                   het tijdvak van 19 oktober 1999 tot en met 18 januari 2000. </para>
      <para>                   4.3. Paragraaf 33 van het Besluit Bestuurlijke Boeten</para>
      <para>                   Belastingdienst 1998 (: BBBB 1998) bepaalt dat als het over een</para>
      <para>                   bepaald tijdvak verschuldigde belastingbedrag niet uiterlijk op de</para>
      <para>                   datum, door de inspecteur aangegeven, is voldaan, er sprake is</para>
      <para>                   van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Awr. Uit de</para>
      <para>                   feiten blijkt dat belanghebbende in verzuim is met betrekking tot</para>
      <para>                   de onderhavige aanslag. Niet in geschil is dat belanghebbende in</para>
      <para>                   de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop</para>
      <para>                   belanghebbende in verzuim is, reeds vier keer eerder in verzuim</para>
      <para>                   is geweest. De inspecteur heeft derhalve de boete ad ƒ 250,__</para>
      <para>                   conform het derde lid van voormelde paragraaf van het BBBB</para>
      <para>                   1998 terecht opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   5. Conclusie</para>
      <para>                   Het beroep van belanghebbende is ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   6. Proceskosten</para>
      <para>                   Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een</para>
      <para>                   veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van</para>
      <para>                   de Awb. </para>
      <para>                   7. Beslissing</para>
      <para>                   Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur. </para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <para>                   </para>
    <parablock>
      <para>                   Gedaan op 5 januari 2001 door prof. mr. Aardema, vice_</para>
      <para>                   president, lid van de eerste enkelvoudige kamer, in</para>
      <para>                   tegenwoordigheid van mevrouw mr. K. de Jong_Braaksma als</para>
      <para>                   griffier.</para>
    </parablock>
    <para>                   </para>
    <para>                            </para>
    <parablock>
      <para>                   Op  10 januari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.</para>
      <para>                   De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>