<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:59:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHLEE:1999:BV4958</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7075</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">725/98</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/663</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/11.1.6</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:08:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075 Gerechtshof Leeuwarden , 03-09-1999 / 725/98</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHLEE:1999:AA7075:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER      GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN          UITSPRAAK</para>
      <para>Nr. 725/98                                              3 september 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer, op het beroep van de Erven van X te Z tegen de uitspraak</para>
      <para>van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de be-las-ting-dienst te</para>
      <para>P (: de inspecteur) gedaan op het bezwaar-schrift van de erven tegen de aan</para>
      <para>hen opge-legde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volk-sver-zeke</para>
      <para>ringen betreffende de op 27 oktober 1995 over-leden X (voor het verdere</para>
      <para> verloop van deze uits-praak: de be-langhebbende). </para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>1.	Ontstaan en loop van het geding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De belanghebbende werd voor het jaar 1995 in de inkomstenbe-lasting/premie</para>
      <para>volksverzekeringen aangesla-gen naar een belast-baar inkomen, als bedoeld in</para>
      <para>de Wet op de inkomstenbe-lasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige</para>
      <para>jaar gold (nader: de Wet), van f. 166.569,--, waarvan belast naar het tarief van</para>
      <para>arti-kel 57, tweede lid, van de Wet een bedrag van f. 79.760,-- en naar het tarief</para>
      <para>van artikel 57a, tweede lid, van de Wet een bedrag van f. 30.312,--.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden</para>
      <para>uitspraak van 9 april 1998 de aan-slag gehandhaafd.</para>
      <para>De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep geko-men door middel</para>
      <para>van een beroepschrift (met bijla-gen), dat op 19 mei 1998 is ingekomen.</para>
      <para>De inspecteur heeft een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld ter zitting van 11 januari 1999  gehouden te Leeuwarden. </para>
      <para>Verschenen zijn de gemachtigde namens de erven als-me-de de inspec-teur.</para>
      <para>Ter voormelde zitting hebben partijen - de door hen ter zitting voorgedragen -</para>
      <para>plei-tnota's overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>Op 12 januari 1999 hebben partijen een zgn. vaststel-lingsovereenkomst</para>
      <para> getekend die vervolgens door de ge-machtigde van de erven op 20 januari</para>
      <para> 1999 aan het ge-rechtshof is toegestuurd. </para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier</para>
      <para> ingevoegd worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>2.	De feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhan-delde ter zitting staat als</para>
      <para>onbetwist, dan wel onvol-doende betwist, tussen partijen vast:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.	De belanghebbende oefende tot 1 februari 1995 in de vorm van een</para>
      <para> vennootschap onder firma met A een gritstraal- en coatingbe-drijf uit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Per 1 febru-a-ri 1995 wordt de v.o.f. ontbon-den. Op de-zelfde datum wordt</para>
      <para> een commanditaire vennoot-schap 	(: CV) opge-richt bestaande uit de</para>
      <para> beherende vennoten, zijnde de twee zonen van belanghebbende en zijn</para>
      <para> schoon-zoon. Be-langheb-bende zelf werd de enige commanditaire ven-noot. De</para>
      <para> akte van de CV is onderhands opgemaakt en ondertekend op 1 februari 1995.</para>
      <para> De be-lang-hebbende is op die datum toege-treden met een kapi-taal van </para>
      <para>f. 170.-738,--, terwijl de beherende venno-ten op die datum geen kapi-taal hebben</para>
      <para> ingebracht.</para>
      <para>Voormelde akte kent onder meer de volgende bepalingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Artikel 9.</para>
      <para>1. De winst- en verliesrekening wordt jaarlijks opge-steld door B te Z zo-lang</para>
      <para> door de vennoten geen andere deskundige wordt aangewezen. De winst dient</para>
      <para> te worden bepaald overeen-komstig goedkoop-mansgebruik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Op de nettowinst, berekend door de in lid 1 bedoelde deskundige, wordt</para>
      <para> allereerst in mindering gebracht een rente van 8% over het kapitaal van ieder</para>
      <para> der vennoten, als bedoeld in art. 3 en art. 11 lid 2, welke rente als winstaandeel</para>
      <para> aan iedere vennoot toekomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Uit de resterende nettowinst wordt, zo mogelijk, aan ieder der beherende</para>
      <para> vennoten als beloning voor de door hen verrichte arbeid eerst een uitkering</para>
      <para> gedaan, welke jaarlijks in onderling overleg wordt vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het restant van de nettowinst der vennootschap wordt tussen de vennoten</para>
      <para> gelijkelijk verdeeld, behoudens het hierna in art. 10 bepaalde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De door de vennootschap in enig boekjaar geleden verliezen worden</para>
      <para> gelijkelijk door de vennoten gedragen en het ten laste van ieder hunner komend</para>
      <para> aandeel daarin zal in mindering worden gebracht van het credit zijner</para>
      <para> kapitaalrekening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De commanditaire vennoot zal echter niet gehouden zijn alsnog enige som</para>
      <para> tot dekking van geleden verliezen te storten boven het in artikel 3 genoemde</para>
      <para> bedrag van zijn inbreng.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Op het aan de commanditaire vennoot over enig boek-jaar toekomende</para>
      <para> winstaandeel zal worden gekort zijn aandeel in het over een ander boekjaar</para>
      <para> geleden verlies, voor zover dit ingevolge lid 6 niet verhaald kan wor-den.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13.</para>
      <para>1. Bij het eindigen der vennootschap is ieder der ven-noten in het vermogen der</para>
      <para> vennootschap gerechtigd voor het bedrag, waarvoor hij ingevolge het bepaalde</para>
      <para> in artikel 3 in de boeken is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn</para>
      <para> aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden in het laatste boekjaar</para>
      <para> blijkens de balans en winst- en verliesrekening opgemaakt overeen-komstig het</para>
      <para> in artikel 8, artikel 9 en artikel 13 lid 2 bepaalde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Op deze na beëindiging der vennootschap op te maken balans zullen de</para>
      <para> activa der vennootschap worden opgeno-men tegen de waarde in het</para>
      <para> economisch verkeer (indien het bedrijf wordt geliquideerd: tegen de liquidatie</para>
      <para>-waarde), terwijl voorts in deze slotbalans de goodwill zal worden geactiveerd,</para>
      <para> voorzover deze aanwezig mocht zijn. De goodwill en de in de onderneming</para>
      <para> aanwezige stille reserves zullen aan het kapitaal van elk der vennoten worden</para>
      <para> toegerekend op de voet van art. 9 lid 5, echter voorzover het in artikel 3 lid 3</para>
      <para> genoemde voor-behoud van stille reserves niet van toepassing is." </para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>2.3. De belanghebbende is op 27 oktober 1995 overleden.</para>
      <para>Hij heeft in de eerste 9 maanden van het bestaan van de CV nog daadwerkelijk</para>
      <para> in de onderneming meege-werkt.</para>
      <para>Bij het opmaken van de jaarstukken van de CV over 1995 is aan hem, naast</para>
      <para> een rentevergoeding van f. 16.962,--, een arbeidsbeloning van f. 25.0-00,-- toe</para>
      <para>-ge-kend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. De belanghebbende heeft een belastbaar inkomen van f. 158.224,--</para>
      <para> aangegeven. Bij de aanslagre-geling heeft de inspec-teur de zelfstandigenaftrek</para>
      <para> geweigerd en het belastbaar inkomen verhoogd tot op f. 166.569,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5. Uit de door de partijen gezamenlijk ondertekende</para>
      <para> vaststellingsovereenkomst blijkt dat de belanghebbende in de onderneming</para>
      <para> meer dan 1225 uren heeft gewerkt. </para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>3. Het geschil.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is in geschil of de genoten beloning ad f. 25.000,-- als winst uit</para>
      <para> onderneming moet worden aangemerkt hetgeen de erven bepleiten, dan wel</para>
      <para> als inkomsten uit arbeid, hetgeen door de inspecteur wordt verdedigd, voor</para>
      <para> welk geval belanghebbende geen aan-spraak zou hebben op de</para>
      <para> zelfstandigenaftrek.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>4. De standpunten van partijen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun</para>
      <para> onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter</para>
      <para> voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>5. De overwegingen omtrent het geschil.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.1. Het gerechtshof dient eerst te onderzoeken, wil er sprake zijn van winst uit</para>
      <para> onderneming overeenkomstig artikel 7 van de Wet, of de belanghebbende uit</para>
      <para> hoofde van zijn deelneming in de CV is aan te mer-ken als on-derne-mer in de zin</para>
      <para> van artikel 6 van de Wet.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het grit-straal- en coatingbedrijf naar</para>
      <para> objectieve maatstaven beschouwd een onderneming is in de zin van voormeld</para>
      <para> artikel 6. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3. Uit de onder de feiten weergegeven passages uit de artikelen 9 en 13 van</para>
      <para> de schriftelijke vennootschapsak-te leidt het hof af, dat de onderneming mede</para>
      <para> voor reke-ning van belanghebbende wordt gedreven, terwijl hij voorts deelt in</para>
      <para> het eventuele liquidatieresultaat van de vennootschap, waarbij opmerking</para>
      <para> verdient, dat door de inspecteur niet is gesteld en ook overigens niet</para>
      <para> aannemelijk is geworden, dat het delen in het eventuele liquidatieresultaat in</para>
      <para> feite reële praktische betekenis zou missen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4. Onder vorenomschreven omstandigheden dient belang-hebbende te</para>
      <para> worden aangemerkt als ondernemer met be-trekking tot de onderwerpelijke</para>
      <para> onderneming.</para>
      <para>Aan dat oordeel doet niet af de stelling van de inspec-teur, dat belanghebbende</para>
      <para> in die onderneming geen be-heersdaden zou kunnen verrichten, aangezien -wat</para>
      <para> er overigens zij van die stelling- het verrichten van arbeid in een onderneming</para>
      <para> geen voorwaarde is om als ondernemer als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van</para>
      <para> de Wet te kunnen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5. Vervolgens is aan de orde de vraag of de beloning van belanghebbende</para>
      <para> voor diens werkzaamheden in de on-derneming ten bedrage van f. 25.000,--</para>
      <para> dient te worden aangemerkt als winst uit onderneming, dan wel -gelijk de</para>
      <para> inspecteur verdedigt- inkomsten uit arbeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.6. Naar het bepaalde in artikel 7 van de Wet is winst het bedrag van de</para>
      <para> gezamenlijke voordelen, die onder welke naam en in welke vorm ook worden</para>
      <para> verkregen uit onderneming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.7. Vaststaat, dat belanghebbende zijn werkzaamheden heeft verricht in het</para>
      <para> kader van de onderneming, waarin hij, gelijk vorenoverwogen, als ondernemer</para>
      <para> dient te worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.8. Alsdan dient de beloning voor die werkzaamheden te worden aangemerkt</para>
      <para> als voordeel verkregen uit onderne-ming als bedoeld in voormeld artikel 7.</para>
      <para>Ook aan dat oordeel doet niet af de stelling van de inspecteur, dat</para>
      <para>belanghebbende in de onderneming geen beheersdaden zou kunnen</para>
      <para> verrichten, aangezien -wat er ook overigens zij van die stelling- de aard van de</para>
      <para> in een onderneming verrichte arbeid in dit verband niet van betekenis is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.9. Voor dat geval moet er van uit worden gegaan, dat belanghebbende de</para>
      <para> -naar vaststaat- meer dan 1225 uren welke hij aan die werkzaamheden</para>
      <para> besteedde heeft ver-richt in de onderneming, zodat hij op grond van artikel 44m</para>
      <para> van de Wet in aanmerking komt voor de in dat arti-kel bedoelde</para>
      <para> zelfstandigenaftrek.</para>
    </parablock>
    <para>			  </para>
    <para>6.De conclusie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is mitsdien gegrond en het belastbaar inko-men moet worden</para>
      <para>verminderd tot op f. 158.224,--.</para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <para>7. De proceskosten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de omstandigheden van het geval vindt het gerechts-hof aanleiding op grond</para>
      <para>van artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken de</para>
      <para>inspec-teur te veroordelen in de kosten, die de belanghebbende in verband met</para>
      <para>de behandeling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken, welke</para>
      <para>kosten het gerechtshof op grond van het Besluit proceskosten fiscale </para>
      <para>pro-cedures bepaalt op f. 1.420,--, welk bedrag dient te worden betaald door de</para>
      <para>Staat der Nederlanden. </para>
    </parablock>
    <para>			</para>
    <para>8. De beslissing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof vernietigt de uitspraak waarvan beroep, vermindert de aanslag</para>
      <para> tot een, berekend naar een be-last-baar inkomen van f. 158.224,--, waarvan</para>
      <para> belast naar het tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet een bedrag van </para>
      <para>f. 79.760,-- en naar het tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet een</para>
      <para> bedrag van f. 30.312,--; </para>
      <para>verstaat dat de inspec-teur de belang-hebbende het grif-fierecht van f. 80,--</para>
      <para> vergoedt en bepaalt de door de Staat der Ne-der-landen te betalen</para>
      <para> tegemoetkoming in belanghebbendes kosten van het beroep op f. 1.420,--.</para>
    </parablock>
    <para>				 </para>
    <parablock>
      <para>Gedaan op 3 september 1999 door prof.mr. Aardema, vice-president en</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van  mevr. Eisma als griffier en ondertekend</para>
      <para>door de voor-zitter en de grif-fier. </para>
    </parablock>
    <para>				</para>
    <parablock>
      <para>Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 septem-ber 1999 te Leeuwarden</para>
      <para>door mr. Drion, raadsheer.</para>
    </parablock>
    <para>			</para>
    <parablock>
      <para>Op  8 september 1999  afschrift aangetekend verzonden aan beide </para>
      <para>partijen.</para>
      <para>De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>[zie ook arrest HR 35610 (red.)]</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>