<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:55:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4037</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-02-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">248/92</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:55:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037 Gerechtshof Leeuwarden , 05-02-1993 / 248/92</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHLEE:1993:AA4037:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER          GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN          UITSPRAAK</para>
      <para>Nr. 248/92                                                </para>
      <para>5 februari 1993</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden,                        vierde enkelvoudige belastingkamer, op het	beroep van X te Z tegen de door de belastingdienst ondernemingen te P (:de inspecteur) opgelegde aanslag wegens navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1988.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Ontstaan en loop van het geding.</para>
      <para>Belanghebbende werd in de inkomstenbelasting voor het jaar 1988 op grond van de Wet op de inkomsten-belasting 1964, gelijk deze wet voor het onderha-vige jaar gold (hierna te noemen: de Wet) door de inspecteur aangeslagen  naar een belastbaar ink-omen van ¦ 130.445,--.</para>
      <para>1.1	Aan belanghebbende is vervolgens een aanslag we-gens navordering van inkomstenbelasting voor dat jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van </para>
      <para>¦ 147.098,--, in welke aanslag geen verhoging is begrepen.</para>
      <para>1.3	Belanghebbende is tegen deze navorderingsaanslag, gedagtekend 9 januari 1992, in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk is ingekomen op 6 maart 1992.</para>
      <para>1.4	Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 september 1992, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde, alhoewel opgeroepen bij brief met ontvangstbevestiging                        van 31 juli 1992, verzonden naar het door hem                       opgegeven adres en blijkens de bevestiging daarvan                        op 3 augustus 1992 in ontvangst genomen, is niet                            verschenen.</para>
      <para>1.5 Het Hof heeft in deze zaak op 14 oktober 1992 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-                      verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 28 oktober 1992, aan partijen is                        verzonden.</para>
      <para>1.6 Op 18 november 1992 is bij het Hof een verzoek van de gemachtigde van belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. </para>
      <para>1.7	Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. 	De feiten.</para>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt:</para>
      <para>2.1	Belanghebbende is arts en genoot ook in het onderhavige jaar winst uit onderneming (zelfstandig uitgeoefend beroep). In de ingediende aangifte      inkomstenbelasting 1988 verzocht belanghebbende dotatie aan de fiscale oudedagsreserve achterwege te laten. </para>
      <para>Aan betaalde pensioenpremies werd een bedrag ad</para>
      <para>¦ 28.820,-- ten laste van de winst gebracht. Het ondernemingsvermogen per 31 december 1988 was negatief.</para>
      <para>2.2 Ter inspectie werd bij de 	administratieve verwerking van 	belanghebbendes aangifte het onderne-          	mingsvermogen per 31 december 1988 v	vastgesteld op het bedrag aan betaalde 	pensioenpremies (¦ 28.820,--). Tevens 	werd (volgens geloofwaardige verklaring 	van de inspecteur) in plaats van niet 	toevoegen aan de F.O.R. een kruisje 	geplaatst bij toevoegen, waardoor een 	oudedagsreserve van ¦ 16.653,-- werd 	gevormd.  </para>
      <para>	2.3 De aldus ten onrechte gevormde 	oudedagsreserve leidde tot een 	belastingteruggave van ¦ 10.182,-- . 	Over 1984 ontving belanghebbende een 	gering bedrag aan belasting terug. Over 	1985 heeft belanghebbende een bedrag ad	 ¦ 6.763,-- op de definitieve aanslag 	bijbetaald. Over de jaren 1986 en 1987 	was het op de definitieve aanslagen te                              	betalen belastingbedrag gelijk aan de 	reeds op de voorlopige aanslagen 	betaalde bedragen.  </para>
      <para>2.4 De door belanghebbendes gemachtigde 	ingevulde verzamelstaat, behorende bij 	het aangiftebiljet 1988, geeft een 	berekening van het belastbaar inkomen.  	Het vastgestelde belastbaar inkomen   </para>
      <para>                        	verschilt ten opzichte van het door de 		gemachtigde berekende belastbaar 			inkomen met ¦ 16.653,--.                                </para>
      <para>3.	Het geschil.</para>
      <para>Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. 	Standpunten van partijen.</para>
      <para>                  4.1.	Belanghebbende is de mening toegedaan dat het te weinig betaalde bedrag niet kan worden nagevorderd, omdat zich geen nieuw feit heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 16 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag meerdere fouten gemaakt, waardoor geen sprake kan zijn van een met een schrijf- of typefout gelijk te stellen fout, maar van een ambtelijk verzuim. </para>
      <para>                  4.2.	De inspecteur is van oordeel dat er sprake is geweest van een met een schrijf- of tikfout te vergelijken administratieve vergissing, die aan belanghebbende als zodanig kenbaar is geweest.</para>
      <para>                  4.3.	De inspecteur heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. 	De overwegingen omtrent het geschil.</para>
      <para>5.1 Op grond van de onder 2.1 en 2.2 omschreven feiten is het Hof van oordeel dat door het ten onrechte toekennen van de oudedagsreserve een met een schrijf- of tikfout op één lijn te stellen vergissing is gemaakt, welke niet voortvloeit uit                       een onjuist inzicht in de op de aanslagregeling                       betrekking hebbende feiten. Van een navordering                             verhinderende beoordelingsfout is mitsdien geen                        sprake.   </para>
      <para>5.2	Het onder 2.4 omschreven feit en het feit dat belanghebbende door zijn gemachtigde nadrukkelijk aangaf van de vorming van de oudedagsreseve af te willen zien, laten geen andere evolgtrekking toe dan dat gemachtigde, wiens kennis in dezen aan                         belanghebbende moet worden toegerekend, bij de ontvangst van de aanslag over 1988 moet hebben begrepen dat het zonder reden vaststellen van de                            F.O.R. op een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen vergissing berustte. De opgelegde aanslag heeft derhalve niet bij belanghebbende de indruk kunnen wekken te berusten op een </para>
      <para> 	    - zij het mogelijk onjuiste - 				vaststelling door de inspecteur van het 		belastbaar inkomen. Volledigheidshalve 		merkt het Hof op dat zulks ook niet                              		namens belanghebbende is gesteld. </para>
      <para>5.3	Gelet op het vorenstaande acht het Hof het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.  De beslissing.</para>
      <para>Het Hof handhaaft de navorderingsaanslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaan op 5 februari 1993 door mr. Streppel, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Goederee en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.</para>
    <para />
    <para>    De griffier van het gerechtshof te 			Leeuwarden.</para>
    <para />
    <para>[Zie ook arrest HR nummer 29501 (red.)]</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>