<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2026:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T10:00:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.335.599/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:137">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T23:06:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:137 Gerechtshof Den Haag , 10-02-2026 / 200.335.599/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2026:137:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Koopovereenkomst met betrekking tot een auto. Bestreden vonnis wordt bekrachtigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2026:137:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG                      </bridgehead>
    <para>Civiel recht</para>
    <para>Team Handel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer hof	: 200.335.599/01</para>
      <para>Zaak- en rolnummer rechtbank	: 10397525 RL EXPL 23-4483 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest van 10 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante] , h.o.d.n. [handelsnaam 1]</emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. A. Dogan, kantoorhoudende in Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.J. van Kuijk, kantoorhoudende in Den Haag.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In geschil is of [geïntimeerde] de volledige koopprijs heeft betaald voor een auto die hij van [appellante] heeft gekocht. [appellante] , die stelt dat dit niet het geval is, vordert van [geïntimeerde] betaling van het volgens haar nog openstaande bedrag. De kantonrechter wees de vordering af omdat [appellante] haar verplichting om de relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren in ernstige mate heeft geschonden (art. 21 Rv). [appellante] komt tevergeefs in hoger beroep van dat oordeel.   </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Het procesverloop in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 16 november 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 16 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna ook: het vonnis);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenarrest van 9 januari 2024 van dit hof waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (die niet is gehouden);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven van [appellante] , met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 4 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellante] is niet verschenen, [geïntimeerde] wel. Hun advocaten en ook [geïntimeerde] zelf hebben het woord gevoerd en vragen beantwoord. Mr. Van Kuijk heeft een pleitnota overgelegd. Aan het einde van de zitting is een datum voor arrest bepaald.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft op 7 februari 2022 een Ford Transit met het kenteken [kenteken] gekocht van [appellante] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De door [appellante] bij inleidende dagvaarding overgelegde verkoopfactuur van 7 februari 2022 noemt als koopsom € 10.000 exclusief en € 12.100 inclusief btw.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft via bankoverschrijvingen de volgende bedragen betaald in mindering op de koopsom: op 29 april 2022 € 4.000, op 2 mei 2022 € 2.000 en op 20 mei 2022 € 4.000, in totaal € 10.000.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>In de inleidende dagvaarding stelde [appellante] – onder verwijzing naar de door haar overgelegde verkoopfactuur (genoemd in 3.2) – (i) dat de met [geïntimeerde] afgesproken verkoopprijs voor de auto € 12.100 bedraagt, (ii) dat [geïntimeerde] hiervan € 6.500 direct bij aankoop heeft betaald en (iii) het restant van € 5.600 op een later moment zou voldoen, (iv) doch hiermee in gebreke is gebleven, reden waarom zij in rechte betaling vorderde van dit restantbedrag van € 5.600.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] , die erkent dat de koopsom € 12.100 bedroeg, ontkent dat hij een deel daarvan onbetaald heeft gelaten. Volgens hem heeft hij, naast de hierboven in 3.3 genoemde bankoverschrijvingen van in totaal € 10.000, twee bedragen contant betaald: <?linebreak?>op 7 februari 2022 € 1.000 en op 12 april 2022 € 2.650, opgeteld dus meer dan de koopsom. Hij heeft toegelicht wat de reden is dat hij (in zijn lezing) teveel heeft betaald. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Uit het vonnis blijkt dat [appellante] op de zitting bij de kantonrechter ook niet aanwezig was, dat haar advocaat toen tijdens een schorsing telefonisch contact met haar heeft gehad en dat dit leidde tot een aanpassing van haar standpunt in die zin (i) dat de betalingen door [geïntimeerde] per bank van € 10.000 werden erkend, maar (ii) dat werd ontkend dat er daarnaast nog iets door hem was betaald, waardoor er (iii) van de koopsom nog € 2.100 open staat. De door haar in de inleidende dagvaarding gestelde betaling van € 6.500 direct bij aankoop zou op een foutje berusten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De kantonrechter constateert in het vonnis dat voor het gestelde ‘foutje’ geen verklaring is gegeven en dat er ook geen overtuigende verklaring is voor het door [appellante] na de schorsing ingenomen standpunt dat de auto zonder enige (aan)betaling is overgeschreven. De conclusie die de kantonrechter uit de gang van zaken trekt is dat [appellante] de in art. 21 Rv bedoelde waarheidsplicht in ernstige mate heeft geschonden. Die constatering wordt in het vonnis gevolgd door de volgende overweging: <?linebreak?>‘[…] Niet alleen zijn de betalingen per bank van in totaal € 10.000,- in de dagvaarding onvermeld gelaten en ter zitting pas na aandringen erkend, ook is in de dagvaarding onjuiste informatie opgenomen over de betaling bij het aangaan van de overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat de gestelde onjuistheden in combinatie met de gang van zaken ter zitting waarbij de onjuistheden pas na aandringen werden erkend, tot een stevige sanctie moeten leiden. Daarom zal [geïntimeerde] niet worden belast met het bewijs van de gestelde contante betalingen, maar zal de vordering in zijn geheel worden afgewezen. […]’</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Met haar grief II maakt [appellante] bezwaar tegen de overweging van de kantonrechter dat de girale betalingen pas na aandringen zijn erkend. De grief bevat als toelichting dat de gemachtigde/advocaat van [appellante] niet bekend was met de girale betalingen en dat die pas konden worden bevestigd nadat er (tijdens de schorsing) contact was geweest met [appellante] : een overmatig aandringen door de kantonrechter was daar niet voor nodig.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De kantonrechter spreekt echter niet van een ‘overmatig’ aandringen. Wel van aandringen. Dat is hier evenwel niet de kern. Kern van het verwijt is het in rechte verstrekken van onvolledige en onjuiste informatie en het op basis daarvan instellen van een (onterechte, want in elk geval te hoge) vordering. Het verwijt is bovendien niet gericht tegen de advocaat van [appellante] , maar aan het adres van [appellante] zelf. Een verklaring, laat staan geldig excuus, voor haar proceshouding is ook in hoger beroep niet gegeven. Als (voldoende) excuus kan niet gelden dat zij de algemene gang van zaken in haar bedrijf overlaat aan de heer [naam] en dat haar advocaat niet bekend was met onwaarheden die hij namens haar naar voren bracht; het verzwijgen (voor ook haar advocaat) van de bankoverschrijvingen komt voor haar rekening. En dat de (in reactie op de getoonde bankoverschrijvingen) ingetrokken stelling over de betaling bij aankoop van € 6.500 op ‘een foutje’ berustte vormt evenmin een afdoende verklaring. Die verklaring is er ook in hoger beroep niet.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>In hoger beroep heeft [appellante] haar stellingen andermaal gewijzigd. Zij erkent nu dat [geïntimeerde] het volledige factuurbedrag van € 12.100 heeft voldaan, maar stelt (daarvoor in de plaats) dat de afgesproken koopsom in werkelijkheid niet € 12.100 inclusief btw bedroeg, maar <?linebreak?>€ 14.600. Van dit bedrag zouden partijen ‘om hen moverende redenen’ € 2.500 niet in de factuur hebben opgenomen. Mr. Arslan heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat, hoewel dit in de memorie van grieven niet zo is genoemd, deze € 2.500 moet worden gezien als ‘zwart’ deel van de koopsom, bedoeld om de belasting te ontduiken. De gewijzigde eis strekt tot veroordeling van [geïntimeerde] om dit bedrag aan [appellante] te voldoen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Deze nieuwe stellingen van [appellante] – die door [geïntimeerde] worden betwist, waarover hieronder nader – impliceren dat [appellante] niet alleen in haar inleidende dagvaarding, maar ook (in het kader van haar eiswijziging) op de zitting van de kantonrechter, na de schorsing, onwaarheden heeft gedebiteerd. Met name gaat het dan om haar stelling dat [geïntimeerde] niet het gehele factuurbedrag heeft betaald en haar betwisting van het verweer van [geïntimeerde] dat dit wel zo was. Dit maakt de door de kantonrechter toegepaste sanctie eens te meer terecht. Ook in hoger beroep past bij een schending van de waarheidsplicht als hier aan de orde slechts als sanctie dat de vordering wordt ontzegd. Daarom volgt hieronder een bekrachtiging.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt het hof het volgende. [appellante] heeft, tegenover de betwisting hiervan door [geïntimeerde] , onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van haar nieuwe stelling dat partijen hebben afgesproken dat de koopsom, in afwijking van het factuurbedrag van € 12.100, € 14.600 bedroeg en dat een deel daarvan (€ 2.500) zwart zou zijn. [appellante] heeft weliswaar gesteld dat haar advocaat telefonisch contact heeft gehad met [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] in dat telefoongesprek heeft bevestigd dat partijen een hogere koopprijs zijn overeengekomen, maar de opname die van dit (door [geïntimeerde] betwiste) gesprek zou zijn gemaakt is niet (voorzien van een transcript in de Nederlandse taal) in het geding gebracht. [appellante] heeft in de eerste aanleg wel (niet vertaalde) WhatsApp-berichten van haar advocaat overgelegd. Daaruit zou de juistheid moeten volgen van de toen aan haar vordering ten grondslag gelegde stellingen. Die vordering klopte echter niet, terwijl hetzelfde gold voor de daaraan ten grondslag gelegde stellingen, iets dat haar advocaat,  mr. Arslan, naar zijn zeggen niet heeft geweten. Tegen die achtergrond had nader moeten worden toegelicht dat mr. Arslan tijdens bedoeld telefoongesprek (toch) wel uitging van de stellingen zoals [appellante] die in hoger beroep voor het eerst naar voren brengt. Hierbij wordt nog in het midden gelaten dat gesteld noch gebleken is dat mr. Arslan zijn gesprekspartner melding heeft gemaakt van het maken van een opname van het telefoongesprek (gedragsregel 4). Het door [appellante] gedane bewijsaanbod zou, als de vordering niet reeds afgewezen moest worden op grond van artikel 21 Rv, niet tot een bewijsopdracht kunnen leiden. [appellante] heeft onvoldoende toegelicht dat deze getuigen kunnen bevestigen dat uit verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] blijkt dat hij heeft ingestemd met een zwarte betaling van € 2.500 bovenop het factuurbedrag. Dat [appellante] naar haar zeggen een reservesleutel van de overgeschreven auto achterhoudt is geen voldoende aanwijzing voor haar gelijk, te minder nu zij zich daar in de eerste aanleg ook op beriep voor haar toen aangevoerde stellingen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Bij het voorgaande komt ten slotte, eveneens ten overvloede, dat een afspraak om de belasting te ontduiken in strijd is met de openbare orde en om die reden nietig. Dat staat in de weg aan het in rechte vorderen van nakoming van een beweerdelijke zwart geld afspraak en aan het met dat oogmerk willen bewijzen van een betwiste zwartgeldafspraak. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De conclusie en de beslissing over de proceskosten</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. De grieven kunnen niet tot een ander resultaat leiden en behoeven na het voorgaande geen verdere bespreking. [appellante] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten van het hoger beroep dragen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:</para>
      <para>- griffierecht	€    343,00;	</para>
      <para>- salaris advocaat	€ 1.824,00 (2 punten × tarief I);</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">-   nakosten 	€    189,00 </emphasis>plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).</para>
      <parablock>
        <para>Totaal	€ 2.356,00	</para>
        <para>Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hieronder vermeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bekrachtigt het vonnis van 16 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.356,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, D.A. Schreuder en J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>