<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T07:58:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.321.760/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_ondernemingsrecht">Civiel recht; Ondernemingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-17T12:01:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:398 Gerechtshof Den Haag , 04-03-2025 / 200.321.760/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 2:9, 2:10 en 2:248 lid 1 en lid 2 BW. Vordering faillissementscurator tegen bestuurders faillietverklaarde vennootschap. Financiering koop kasteel Beverweert. Kennelijk onbehoorlijk bestuur doordat bestuurders niet erop mochten vertrouwen dat financierder daadwerkelijk en tijdig financiering zou verstrekken? Niet-naleving administratieplicht? Schending ('verzwaarde') onderzoeksplicht? Ernstig verwijt? Kennelijk onbehoorlijk bestuur door nalaten om financierder tot nakoming aan te spreken?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG      </bridgehead>
    <para>Civiel recht</para>
    <para>Team Handel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.321.760/01<?linebreak?>Zaaknummer rechtbank	: C/09/547451 HA ZA 18-146</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest 4 maart 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Mr. [curator 1]</emphasis>, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam bedrijf] B.V. (voorheen: mr. [naam 1] ),</para>
      <para>wonend in Amsterdam,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>advocaat: mr. [curator 1] , kantoorhoudend in Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde 2]</emphasis>,</para>
      <para>beiden wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>advocaat: mr. M.W. Huijzer, kantoorhoudend in Papendrecht (voorheen: mr. J.A.A. van der Weijst).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal partijen hierna noemen de curator respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , en gezamenlijk [geïntimeerden]</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Een vennootschap koopt een kasteel en bijgebouwen voor een bedrag van vijf miljoen euro. Enkele dagen voor de overeengekomen dag waarop de vennootschap aan de verkoper waarborgsommen moet betalen, wordt brand gesticht in een van de bijgebouwen. Op de overeengekomen dag van betaling zelf wordt aan de verkoper een bommelding gemaild. De vennootschap heeft de waarborgsommen en de koopprijs nooit aan de verkoper betaald (en haar is niet de eigendom van het kasteel en de bijgebouwen overgedragen). De verkoper heeft de koopovereenkomst ontbonden en de vennootschap aangesproken tot betaling van een contractuele boete. Na haar faillietverklaring is de (faillissements)curator van de vennootschap een procedure begonnen tegen de bestuurders van de vennootschap. De vorderingen van de curator komen erop neer dat de bestuurders hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld en aansprakelijk zijn voor de schade die de vennootschap en haar schuldeisers daardoor hebben geleden. Volgens de curator is sprake van onbehoorlijk bestuur doordat de vennootschap, die niet over eigen middelen beschikte, met de koopovereenkomst een aanzienlijke betalingsverplichting is aangegaan zonder dekkende financiering.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Na bewijslevering heeft de rechtbank geoordeeld dat de vennootschap met een financier een financieringsovereenkomst had gesloten en dat die overeenkomst voor de vennootschap – dat wil zeggen voor haar bestuurders – een voldoende basis kon vormen voor het vertrouwen dat de vennootschap de verplichtingen uit de koopovereenkomst zou kunnen nakomen door de beschikbaarheid van financiering. De rechtbank heeft de vorderingen van de curator daarom afgewezen. In hoger beroep verwerpt het hof de bezwaren van de curator tegen de oordelen en de beslissing van de rechtbank.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Verdere procesverloop in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot dan toe verwijst het hof naar zijn arrest van 11 april 2023. Bij dat arrest heeft het hof de incidentele vordering van [geïntimeerden] tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator afgewezen, de curator ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven van de curator, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 27 augustus 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feitelijke achtergrond</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.14 van haar vonnis van 24 juli 2019 (hierna ook: het (bestreden) tussenvonnis) een aantal feiten vastgesteld. Met grief 1 (vergelijk hieronder rov. 5.1) betoogt de curator dat de rechtbank daarbij een aantal voor de beoordeling van zijn vorderingen relevante gebeurtenissen onvermeld heeft gelaten. De curator verwijst in dit verband naar 33 randnummers van zijn inleidende dagvaarding, zijn brieven voorafgaand aan de comparitie, zijn antwoordakte na bewijsopdracht en zijn conclusie na enquête. Welke in deze stukken vermelde gebeurtenissen tot vernietiging van het tussenvonnis en/of het vonnis van 21 oktober 2020 (hierna ook: het (bestreden) eindvonnis) moeten leiden, licht de curator niet toe. Daardoor zijn de voor vernietiging aangevoerde gronden niet voldoende kenbaar voor het hof en [geïntimeerden] Bovendien verliest de curator uit het oog dat de feitenvaststelling in een rechterlijke uitspraak een selectie vormt, naar keuze van de rechter, van de tussen partijen als vaststaand aan te merken feiten die voor de beoordeling van het geschil (het meest) relevant zijn, maar dat dit niet betekent dat de overige feiten die in de procedure door partijen zijn gesteld, bij deze beoordeling buiten beschouwing worden gelaten. Grief 1 kan daarom niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In de toelichting op grief 1 vult de curator zijn stellingen aan onder aanvoering van ‘aanvullende feiten en omstandigheden’ (memorie van grieven, p. 2-12). Het hof zal deze feiten en omstandigheden in de beoordeling van de zaak betrekken, voor zover deze relevant zijn en niet (voldoende gemotiveerd) betwist door [geïntimeerden]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>i) Op 27 mei 2013 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf] ) opgericht. [naam bedrijf] is opgericht als projectvennootschap ten behoeve van de aankoop en ontwikkeling van landgoed Beverweert te Werkhoven en had daarom (nagenoeg) geen eigen vermogen. Tot 1 februari 2015 was [geïntimeerde 1] (middellijk) statutair bestuurder van [naam bedrijf] . Daarna was [geïntimeerde 2] statutair bestuurder van [naam bedrijf] .</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ii) De stichting met de naam ‘Stichting tot Instandhouding van het landgoed en kasteel Beverweert ten behoeve van de Stichting Philadelphia Vegetarisch Centrum’ is eigenaar van een aantal percelen grond en water in Werkhoven. Op die percelen zijn het kasteel Beverweert en een koetshuis gelegen (hierna: het kasteel). Nabijgelegen percelen grond met daarop een gymnastiekzaal en woongebouwen (hierna: de bijgebouwen) zijn eigendom van de Stichting Philadelphia Vegetarisch Centrum. De stichtingen worden hierna gezamenlijk aangeduid als Philadelphia.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>iii) Bij koopovereenkomsten van 13 december 2013 (hierna: de eerste koopovereenkomsten) heeft [naam bedrijf] van Philadelphia tegen een koopprijs van € 2.250.000,-- het kasteel gekocht en tegen een koopprijs van € 2.250.000,-- de bijgebouwen. Afgesproken werd dat [naam bedrijf] een waarborgsom van € 250.000,-- zou betalen.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>iv) [makelaar] B.V. (hierna: [makelaar] ) heeft in opdracht van [naam bedrijf] bemiddeld bij de aankoop. Een courtagenota van [makelaar] ter hoogte van € 80.675,-- van 19 maart 2014 gericht aan [naam bedrijf] is onbetaald gebleven.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>v) Bij exploot van 11 juli 2014 heeft Philadelpia [naam bedrijf] gesommeerd tot betaling van de waarborgsom en [naam bedrijf] daartoe een termijn van acht dagen gegeven. Op 22 juli 2014 heeft Philadelphia de eerste koopovereenkomsten buitengerechtelijk ontbonden vanwege het niet betalen van de waarborgsom.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vi) Op 6 november 2014 heeft [naam bedrijf] een vaststellingsovereenkomst gesloten met de curator van de inmiddels failliet verklaarde [makelaar] . In deze overeenkomst is bepaald dat [naam bedrijf] binnen twee weken een bedrag van € 33.750,-- aan de curator van [makelaar] , mr. [curator 2] , betaalt. [naam bedrijf] heeft dit bedrag niet voldaan.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vii) Op 16 december 2014 hebben Philadelphia en [naam bedrijf] een ‘vaststellingsovereenkomst en allonge’ behorende bij de eerste koopovereenkomsten gesloten (hierna: de tweede koopovereenkomsten). In de tweede koopovereenkomsten is onder andere het volgende overeengekomen:</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘2. [Philadelphia trekt] de ontbindingsverklaringen van 22 juli 2014 in. Partijen zullen uitvoering geven aan de koopovereenkomsten onder de voorwaarden zoals weergegeven in deze Allonge en in de koopovereenkomsten zelf. [ [naam bedrijf] ] aanvaardt het verkochte in eigendom bij het ondertekenen van de leveringsakte in de technische, bouwkundige en milieukundige staat (‘as is’) waarin het verkochte zich op vrijdag 12 december 2014 bevond (…), met alle eventuele kenbare en niet-kenbare gebreken.’</emphasis>
        </para>
        <para>In de tweede koopovereenkomsten is verder de verplichting van [naam bedrijf] opgenomen uiterlijk 22 december 2014, om 12:00 uur, waarborgsommen van € 225.000,-- en € 25.000,-- te voldoen. Als datum en tijdstip van levering is 23 december 2014, 15:30 uur, bepaald.</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>viii) Op 19 december 2014 is brand gesticht in een van de bijgebouwen, met schade tot gevolg (hierna: de brandstichting).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ix) Een brief van [geïntimeerde 1] namens [naam bedrijf] aan Philadelphia van 20 december 2014 houdt onder andere het volgende in:</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘Dit schrijven heeft als doel U in kennis te stellen van onze grote zorg dat wat als “as is” wordt overgedragen, vastligt in de Allonge en vorige week is geparafeerd; echter gezien de ontwikkelingen de laatste dagen, is de situatie van de allonge veranderd.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hieruit maken wij op dat er een onderzoek lopende is van Politie en Brandweer waar de gemeente en omgeving bij betrokken zijn. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat kan eventueel betekenen dat het onderzoek nieuwe aspecten doet verschijnen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij zijn in kennis gesteld door U dat de situatie is veranderd. en wij danken U voor de berichtgeving. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hierop hebben wij onze financier in kennis gesteld van het verloop der gebeurtenissen. Tevens begrijpen wij dat uitgebreid forensisch onderzoek plaats vindt op de plaats van het delict waar vermoedelijk brandstichting aan ten grondslag ligt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij willen graag de nieuwe situatie opnieuw kunnen beoordelen en vastleggen eer wij overgaan tot verdere uitvoering.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>( x) Op 22 december 2014 is er door ‘Handen af van Beverweert’ per e-mail aan Philadelphia een bommelding gestuurd (hierna: de bommelding). Het e-mailbericht luidt onder andere als volgt:</para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘Blijkbaar is het nog niet tot een ieder van u doorgedrongen dat u ondanks onze herhaalde waarschuwingen onze wensen ten aanzien van Beverweert niet serieus wenst te nemen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als u niet per direct afziet van de verkoop van het landgoed en zorgt dat er geen bouw gaat plaatsvinden zullen wij de reeds door ons aangebrachte explosieven laten exploderen.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>xi) [naam bedrijf] heeft de waarborgsommen noch de koopsommen op de overeengekomen datum betaald. Levering van het kasteel en de bijgebouwen heeft evenmin plaatsgevonden.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>xii) Op 22 januari 2015 heeft Philadelphia [naam bedrijf] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de waarborgsommen en de koopsommen.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>xiii) Op 31 januari 2015 heeft Philadelphia de tweede koopovereenkomsten buitengerechtelijk ontbonden en betaling van een contractuele boete van (in totaal) € 450.000,-- gevorderd.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>xiv) Bij dagvaarding van 4 februari 2015 heeft Philadelphia betaling van € 900.000,-- van [naam bedrijf] gevorderd.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>xv) Bij vonnis van 24 maart 2015 is [naam bedrijf] in staat van faillissement verklaard en is de voorganger van de curator als curator in het faillissement aangesteld.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Procedure bij de rechtbank</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De curator heeft [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] hun taak als bestuurder van [naam bedrijf] (kennelijk) onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in art. 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat aannemelijk is dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement van [naam bedrijf] is geweest. Daarnaast heeft de curator gevorderd een verklaring voor recht van dezelfde strekking, inhoudende dat [geïntimeerde 2] als feitelijk leidinggevende in de zin van art. 2:248 lid 7 BW kan worden aangemerkt. Verder heeft de curator gevorderd [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, een en ander op te maken bij staat als bedoeld in art. 2:248 lid 5 BW, en hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op het totale tekort van € 1.150.000,--.</para>
        <para>Subsidiair heeft de curator gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers en als gevolg daarvan aansprakelijk zijn voor de schade die de gezamenlijke schuldeisers daardoor hebben geleden.</para>
        <para>Meer subsidiair heeft de curator gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in art. 2:9 BW en als gevolg daarvan aansprakelijk zijn voor de schade die de vennootschap daardoor heeft geleden.</para>
        <para>De curator heeft verder gevorderd de schade geleden door de gezamenlijke schuldeisers c.q. de vennootschap vast te stellen op het totale tekort, dan wel het totaal van de ingediende vorderingen in het faillissement van [naam bedrijf] , nader op te maken bij staat, en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op deze schade van € 1.150.000,--, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>In haar tussenvonnis van 24 juli 2019 heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [naam bedrijf] ten tijde van het aangaan van de tweede koopovereenkomsten niet over eigen middelen beschikte en dus geheel afhankelijk was van (financiering van) derden om de koopsom en de overige verplichtingen te kunnen voldoen (rov. 4.3). In geschil is of de financiering gestand zou worden gedaan, zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd, door de Duitse tak van een Amerikaanse geldschieter: de […] Germany AG (hierna: TBT Germany). Volgens [geïntimeerden] had TBT Germany een geldlening van € 5.000.000,-- toegezegd voor de aankoop van het kasteel en de bijgebouwen, een toezegging die al op 5 december 2013 werd vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen TBT Germany en [geïntimeerde 2] , getiteld ‘Bridge Loan Agreement’ (hierna: de BLA). Ten tijde van het aangaan van de tweede koopovereenkomsten bestond de bereidheid van TBT Germany om de koop te financieren nog steeds, maar naar aanleiding van de brandstichting en de bommelding heeft TBT Germany geweigerd de financiering beschikbaar te stellen, aldus [geïntimeerden] (rov. 4.4 en 4.5). De curator heeft het bestaan van de financieringsovereenkomst met TBT Germany bestreden en aangevoerd niet te kunnen uitgaan van de betrouwbaarheid van de door [geïntimeerden] (pas bij conclusie van antwoord) overgelegde BLA en in verband daarmee aangehaalde brieven (rov. 4.6).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Vervolgens heeft de rechtbank a) overwogen het bestaan van een financieringsovereenkomst met TBT Germany, waarmee de koop van het kasteel en de bijgebouwen ook ultimo 2014 toereikend kon worden gefinancierd, vooralsnog onaannemelijk te achten, en, omdat er geen andere (dekkende) bronnen van financiering waren, b) voorshands bewezen geacht dat [naam bedrijf] ten tijde van het sluiten van de tweede koopovereenkomsten niet over afdoende financiering voor haar betalingsverplichtingen in verband met het kasteel en de bijgebouwen beschikte (rov. 4.7). De rechtbank heeft daarop [geïntimeerden] toegelaten hiervan tegenbewijs te leveren (rov. 4.8 en beslissing, onder 5.1).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Bij haar eindvonnis van 21 oktober 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerden] in dat tegenbewijs zijn geslaagd (rov. 2.2.) en de voorshands bewezen geachte onaannemelijkheid van het bestaan van de financieringsovereenkomst met TBT Germany hebben ontzenuwd (rov. 2.3 e.v.). Uitgaande van het bestaan van de BLA heeft de rechtbank de vraag aan de orde gesteld of de BLA voor [naam bedrijf] – dat wil zeggen voor statutair bestuurder [geïntimeerde 1] en feitelijk bestuurder [geïntimeerde 2] – een voldoende basis kon vormen voor het vertrouwen dat [naam bedrijf] de tweede koopovereenkomsten zou kunnen nakomen door de beschikbaarheid van financiering (rov. 2.13). De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat sprake is geweest van een reële rechtsverhouding op grond waarvan TBT Germany bereid en verplicht was de op basis van de tweede koopovereenkomsten verschuldigde koopsommen te financieren (rov. 2.18). Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerden] hebben mogen menen dat ze de tweede koopovereenkomsten met de financiering van TBT Germany konden aangaan (rov. 2.20). De rechtbank heeft daarop geconcludeerd dat dit maakt dat de stelling van de curator dat sprake is van onbehoorlijk bestuur doordat een aanzienlijke betalingsverplichting is aangegaan zonder dekkende financiering, geen stand houdt en dat de vorderingen van de curator moeten worden afgewezen (rov. 2.21). De proceskosten heeft de rechtbank gecompenseerd (rov. 2.22).</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Vorderingen in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De curator is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met de vonnissen van de rechtbank. Hij heeft zeven grieven (bezwaren) tegen de vonnissen aangevoerd. De curator vordert dat het hof de vonnissen vernietigt en, kort en zakelijk weergegeven, zijn vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure bij de rechtbank en het hoger beroep. Op de zitting van 27 augustus 2024 heeft mr. Pleiter in antwoord op een vraag van het hof bevestigd dat de vorderingen die in hoger beroep ter beoordeling voorliggen, dezelfde zijn als die in de procedure bij de rechtbank, en dat met (de uitwerking van) grief 2 in memorie van grieven, nr. 4.1, geen wijziging van de vorderingen of de grondslag(en) daarvan is beoogd. Hoe grief 2 tot vernietiging van de bestreden vonnissen moet leiden, heeft de curator niet toegelicht en valt niet in te zien.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerden] bestrijden de grieven van de curator en concluderen tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van de curator in de kosten van het hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen. Op de zitting van 27 augustus 2024 heeft mr. Huijzer in antwoord op een vraag van het hof aanvankelijk verklaard dat in memorie van antwoord, nr. 1 en de conclusie, een incidentele grief tegen de proceskostenveroordeling (compensatie) door de rechtbank moet worden gelezen – vergelijk ook zittingsaantekeningen mr. Huijzer, nr. 11 –, maar heeft hij uiteindelijk verklaard deze grief in te trekken. [geïntimeerden] vorderen dus niet dat de curator wordt veroordeeld in (ook) de kosten van de eerste aanleg.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Beoordeling in hoger beroep</title>
    <bridgehead role="italic">de kern van het hoger beroep</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De hamvraag van het hoger beroep (en de procedure bij de rechtbank) vat de curator samen als volgt: mochten [geïntimeerden] als bestuurders van [naam bedrijf] erop vertrouwen dat TBT Germany geld ter beschikking zou stellen? Daarbij is volgens de curator ook relevant wat [geïntimeerden] jegens TBT Germany hebben ondernomen op het moment dat moest worden betaald. De curator stelt zich op het standpunt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat [geïntimeerden] de koopovereenkomsten te lichtzinnig hebben gesloten en zij zich ervan hadden moeten vergewissen dat TBT Germany daadwerkelijk en tijdig financiering zou verstrekken, waartoe zij zelf onderzoek hadden moeten verrichten naar de financiële gegoedheid van TBT Germany.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>In nr. 1.3 van de memorie van grieven wordt hierover het volgende gesteld: ‘De curator wil aannemen dat (…) de papieren BLA, <emphasis role="italic">bestond</emphasis> in de zomer van 2014 (…) Wat de curator echter niet aanneemt is dat de BLA, met TBT Germany als financier, voor [naam bedrijf] voldoende zekerheid bood om de omvangrijke verplichtingen aan te kunnen gaan. Dit behoorden de bestuurders (…) te weten én wisten zij ook. Omdat er, ook met de BLA, geen deugdelijke financiering was voor de omvangrijke verplichtingen, hebben zij de vennootschap onbehoorlijk bestuurd; de curator doet daarbij ook een beroep op de bewijsvermoedens wegens tekortschietende administratie. Ook het feit dat de bestuurders geen beroep op de financiering hebben gedaan, levert onbehoorlijk bestuur op’ (cursivering in origineel).</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">het juridische kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Bij de beoordeling van het hoger beroep moet het volgende juridische kader voorop worden gesteld. Op de voet van art. 2:248 lid 1 BW is in geval van faillissement van een besloten vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van deze bepaling kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.<footnote-ref linkend="_3bdd7fd8-278e-4c54-85ce-39d0d606983b" /> Voor het geval het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit art. 2:10 BW (de zogeheten administratie- of boekhoudplicht), bepaalt lid 2 van art. 2:248 BW dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Art. 2:10 lid 1 BW luidt: ‘Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.’</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>Ingevolge art. 2:9 lid 1 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een zodanig ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.<footnote-ref linkend="_65dbd5a0-42bb-4e19-9355-e9ebfe59b1fc" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <parablock>
        <para>Uit deze maatstaven volgt dat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van artt. 2:9 en 248 BW een hoge drempel geldt. In dit geval rust in beginsel op de curator de plicht daarvoor voldoende feiten en omstandigheden te stellen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de tegen rechtsoverwegingen van het bestreden tussenvonnis gerichte grieven</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verplichting tot betaling van de courtage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6</nr>
      <para>De curator stelt met instemming vast dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat het geschil zich toespitst op de vraag of [geïntimeerden] ten tijde van het sluiten van de tweede koopovereenkomsten beschikten over ‘een toereikende en ‘harde’ financieringstoezegging’ (rov. 4.2, en zie voetnoot 46 van de memorie van grieven). De rechtbank heeft overwogen daarbij niet over het hoofd te zien dat namens [naam bedrijf] ook andere verplichtingen zijn aangegaan, waaronder die uit de vaststellingsovereenkomst met (de curator van) [makelaar] en de verplichtingen genoemd in nr. 33 van de inleidende dagvaarding, en dat ook bij het ontstaan van die verplichtingen het bestuur een steek zou hebben kunnen laten vallen. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 4.2 overwogen: ‘Omdat echter de omvang van deze verplichtingen (relatief) beperkt is en niet ondenkbaar is dat de financieringstoezeggingen die er mogelijk wel waren – te denken valt daarbij met name aan de toezegging van de Vriendenstichting – voor die verplichtingen toereikend waren, laat de rechtbank deze verplichtingen buiten beschouwing.’ Tegen deze overweging komt grief 3 op.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7</nr>
      <parablock>
        <para>De curator betoogt dat andere financiële verplichtingen, zoals de verplichting tot betaling van de courtage van [makelaar] , moeten worden meegenomen in het oordeel of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daartoe voert hij aan dat [naam bedrijf] op 20 november 2014 – de uiterste dag van betaling volgens de vaststellingsovereenkomst met de curator van [makelaar] – het geld voor deze betalingsverplichting weliswaar beschikbaar zou hebben onder de BLA, maar desondanks toen al niet tot betaling overging. Naar het oordeel van het hof brengt echter de omstandigheid dat [naam bedrijf] op 20 november 2014 (of daarna) haar courtageverplichting niet betaalde, niet zonder meer mee dat de BLA (ook) ten tijde van het aangaan van de tweede koopovereenkomsten op 16 december 2014 – het in hoger beroep onbestreden peilmoment waarvan de rechtbank is uitgegaan – geen toereikende en harde financieringstoezegging opleverde. Bovendien is het voor de curator zelf onduidelijk waarom [naam bedrijf] niet heeft betaald en heeft hij onweersproken gelaten dat de curator van [makelaar] had geaccepteerd dat de betaling van de courtage bij overdracht zou plaatsvinden. Daarom moeten de stellingen van de curator dat [naam bedrijf] al op 20 november 2014 niet aan haar financiële verplichtingen kon voldoen en kennelijk destijds geen gelden onder de BLA kon trekken, als speculatief worden beschouwd. Grief 3 faalt daarom. Wat de curator aanvoert over de toezegging van de Vriendenstichting, kan hieraan niet afdoen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">toegelaten tegenbewijs</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8</nr>
      <parablock>
        <para>Grief 4 gaat ervan uit dat de rechtbank in rov. 4.8 van het tussenvonnis [geïntimeerden] heeft toegelaten tot het leveren van (‘getuigen’)bewijs (van de stelling) dat TBT Germany een geldlening van € 5.000.000,-- heeft toegezegd voor de aankoop van het kasteel en de bijgebouwen en dat deze toezegging is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen [geïntimeerde 2] en TBT Germany. Deze lezing miskent dat de rechtbank hiermee het door [geïntimeerden] aangeboden bewijs heeft weergegeven. Het tegenbewijs waartoe de rechtbank [geïntimeerden] heeft toegelaten, betreft daarentegen ‘hetgeen hiervoor voorshands bewezen is geacht’, te weten de in rov. 4.7 voorshands bewezen geachte stelling van de curator ‘dat [naam bedrijf] ten tijde van het sluiten van de Tweede koopovereenkomsten niet over afdoende financiering voor haar betalingsverplichtingen verband houdend met de koop van het kasteel en de bijgebouwen beschikte’ (zo ook rov. 2.1 van het eindvonnis). Uit de woorden ‘<emphasis role="italic">afdoende</emphasis> financiering’ volgt verder dat evenmin kan worden gezegd dat de bewijsopdracht (het probandum) uitsluitend op het bestaan van de overeenkomst tussen [geïntimeerde 2] en TBT Germany (de BLA) zag en daarmee door de rechtbank te beperkt was gemaakt. Ook in rov. 4.10 rept de rechtbank van afdoende financiering en in rov. 4.9 en 4.12 van ‘dekkende financiering’, om vervolgens in het eindvonnis te beoordelen of [geïntimeerden] met het door hen geleverde bewijs niet alleen de onaannemelijkheid van het bestaan van de BLA hebben ontzenuwd (rov. 2.3 e.v.), maar ook – uitgaande van het bestaan van de BLA – of de BLA een voldoende basis kon vormen voor het vertrouwen dat [naam bedrijf] de tweede koopovereenkomsten zou kunnen nakomen door de beschikbaarheid van financiering (rov. 2.13 e.v.). Ook in zoverre mist grief 4 dus feitelijke grondslag.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">niet-naleving van de administratieplicht van art. 2:10 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9</nr>
      <para>Volgens grief 5 heeft de rechtbank in rov. 4.15-4.18 van het tussenvonnis ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerden] aan de administratieplicht van art. 2:10 BW hebben voldaan. Dit is een verkorte en niet geheel juiste weergave van wat de rechtbank in deze rechtsoverwegingen heeft overwogen en geoordeeld. Het slotoordeel van de rechtbank luidt dat (al met al) er onvoldoende grond is om tot het oordeel te komen dat [geïntimeerden] niet hebben voldaan aan hun administratieplicht. Daartoe heeft de rechtbank onder andere overwogen dat aan de curator moet worden toegegeven dat hij (in weerwil van het bepaalde in art. 105 Fw) niet naar behoren en tijdig is geïnformeerd over de voorgenomen wijze waarop de aankoop van het kasteel en de bijgebouwen werd gefinancierd (rov. 4.17), maar dat niet is komen vast te staan dat uit de stukken waarover de curator (uiteindelijk) de beschikking heeft gekregen, de rechten en verplichtingen van [naam bedrijf] niet konden worden gekend en dat daarbij van belang is dat de omvang van de vennootschap en de door haar ondernomen activiteiten beperkt was (rov. 4.18).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10</nr>
      <para>In de toelichting op grief 5 voert de curator aan dat [geïntimeerde 2] bij brief van 10 juli 2015 heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de brief van de curator van 28 april 2015 de volledige administratie, voor zover in zijn bezit, had aangeleverd. Volgens de curator echter is de administratie onvolledig omdat er geen verwerkte crediteurenadministratie is, althans is die de curator nooit aangeleverd. Bij binnentreden op 20 oktober 2016 trof de curator twee ordners met hem nog onbekende facturen aan en een brief van Millenium Investments B.V. waaruit de opzegging van de samenwerking met [naam bedrijf] bleek, terwijl die opzegging niet uit de administratie kon worden gekend. De BLA werd evenmin in de administratie aangetroffen en nog bij de brief van 4 maart 2021 van mr. [advocaat 2] werden tot dan toe onbekende brieven en e-mailberichten aan de curator verschaft. In de kern stelt de curator zich op het standpunt dat, omdat (is gebleken dat) [geïntimeerden] een aantal stukken niet in eerste instantie en/of uit eigen beweging met hem hebben gedeeld, de rechten en plichten van [naam bedrijf] niet kunnen worden gekend en dat dus de administratieplicht is geschonden. Uit de enkele omstandigheid echter dat bedoelde stukken niet onmiddellijk en uit eigen beweging door [geïntimeerden] aan de curator zijn verschaft, volgt niet zonder meer dat de administratie van [naam bedrijf] (tot op de dag van vandaag) onvolledig is, dat de rechten en verplichtingen van [naam bedrijf] niet kenbaar zijn uit de stukken waarover de curator (uiteindelijk) de beschikking heeft verkregen, en al helemaal niet dat [geïntimeerden] de op hen rustende boekhoudplicht van art. 2:10 BW hebben verzuimd. De stellingen van de curator passen eerder bij de in art. 105, 105a en 106 Fw geregelde inlichtingen- en medewerkingsplicht van bestuurders van een gefailleerde vennootschap, dan bij het bepaalde in art. 2:10 BW. Met de rechtbank komt het hof daarom tot de slotsom dat er onvoldoende grond is om te kunnen oordelen dat [geïntimeerden] hun administratieplicht niet hebben nageleefd. Daarbij neemt ook het hof de beperkte omvang en de aard van [naam bedrijf] en haar activiteiten mede in ogenschouw. [naam bedrijf] is een projectvennootschap, zonder werknemers, bedrijfspand, leaseovereenkomsten, voorraden en debiteuren en met een beperkt aantal crediteuren, met als enig doel het in eigendom verwerven van het kasteel en het daaromheen ontwikkelen van wooneenheden voor gepensioneerde vegetariërs, welk project feitelijk nog niet was gestart.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11</nr>
      <parablock>
        <para>Grief 5 faalt dus, ook voor zover de grief verder nog opkomt tegen rov. 2.10 van het bestreden eindvonnis.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de tegen rechtsoverwegingen van het bestreden eindvonnis gerichte grieven</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bestaan van de BLA met TBT Germany</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12</nr>
      <para>Grief 6 houdt in dat de rechtbank in rov. 2.2-2.3 en 2.11 ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] erin zijn geslaagd om de onaannemelijkheid van het bestaan van de BLA te ontzenuwen en het tegenbewijs hebben geleverd. In het licht van wat de curator zelf als de kern van het hoger beroep beschouwt (waarover hierboven rov. 6.1-6.2), gaat het hof aan deze grief voorbij. In hoger beroep gaat de curator immers ervan uit dat de BLA bestaat. Uit de toelichting op grief 6.1 volgt eveneens dat de curator (ook met die grief) niet opkomt tegen het uitgangspunt van de rechtbank dat (het schriftelijke stuk van) de BLA bestaat. Voor zover grief 6 voortborduurt op grief 4, moet grief 6 het lot van grief 4 delen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.13</nr>
      <para>Volgens de toelichting komt de curator met grief 6.1 wel op tegen het oordeel ‘dat tussen [naam bedrijf] en TBT Germany een reële en afdwingbare afspraak bestond op grond waarvan eerstgenoemde een bedrag van € 5.000.000 kon lenen’ (memorie van grieven, nr. 6.4). Dit wordt vervolgens uitgewerkt in een aantal stellingen die de curator tot de conclusie voeren dat rov. 2.6-2.7 en 2.12 geen steun bieden voor het tegenbewijs, althans van onvoldoende gewicht zijn om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Daarmee is grief 6.1 innerlijk tegenstrijdig omdat (mede) op grond van deze rechtsoverwegingen de rechtbank heeft geoordeeld dat de onaannemelijkheid van het bestaan van de financieringsovereenkomst met TBT Germany is ontzenuwd. Ook wat de curator nog in memorie van grieven, nrs. 6.5 en 6.6 (tegen rov. 2.8-29) aanvoert, hangt samen met het bewijsoordeel van de rechtbank over het bestaan van de BLA. De stellingen die de curator in het kader van grief 6.1 over (kort gezegd) de deugdelijkheid van de BLA betrekt, komen terug in het kader van grief 6.3 en zullen hieronder in de beoordeling van die grief worden betrokken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.14</nr>
      <parablock>
        <para>Grief 6.2 vormt een herhaling van grief 5 en moet daarom het lot van die grief delen. Bovendien is ook grief 6.2 gericht tegen een rechtsoverweging (rov. 2.10) die in verband met het bewijsoordeel over het bestaan van de BLA moet worden begrepen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(mogen) vertrouwen op de deugdelijkheid van de BLA en TBT Germany</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.15</nr>
      <para>Grief 6.3 stelt de hamvraag aan de orde (zie hierboven rov. 6.1-6.2). De grief keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] hebben mogen menen dat ze de tweede koopovereenkomsten met de financiering van TBT Germany konden aangaan. Daartoe stelt de curator voorop dat van een redelijk bestuurder mag worden verwacht dat hij genoegzaam onderzoek verricht naar de financiering en de achterliggende financier. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan waar zij heeft overwogen ‘dat van bestuurders, voorafgaand aan het aangaan van een overeenkomst waarvoor financiering benodigd is, verwacht mag worden dat ze alert zijn en in de gaten houden of een beoogde financier ook echt in staat is de benodigde middelen te verschaffen, voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen’ (rov. 2.20). De curator stelt zich echter op het standpunt dat [geïntimeerden] geen of (in de gegeven omstandigheden) onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de deugdelijkheid van de BLA en de financiële gegoedheid van TBT Germany.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.16</nr>
      <parablock>
        <para>In verband met de vraag of TBT Germany draagkrachtig genoeg was om de koopsommen van € 5 miljoen te betalen heeft de rechtbank in rov. 2.20 het volgende overwogen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘In dit geval staat alleen vast dat de advocaat van TBT Germany [mr. [advocaat 1] ; hof] omstreeks augustus 2014 – dus enige tijd voor het aangaan van de Tweede koopovereenkomsten – er melding van maakte dat de waarborgsom van € 250.000,-- beschikbaar gesteld kon worden. Toegegeven zij dat dit slechts 5% is van de door TBT Germany te financieren som, maar niettemin is het een substantieel bedrag op basis waarvan [geïntimeerde 2] c.s. hebben mogen menen – bij gebreke van signalen die op iets anders wezen – dat TBT Germany goed was voor haar geld. Daarbij speelde een rol dat (…) een ervaren investeerder als [naam 2] hen in contact had gebracht met TBT Germany, wat vertrouwen gaf.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.17</nr>
      <para>Het hof verenigt zich met dit oordeel. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.18</nr>
      <parablock>
        <para>De mededeling van de advocaat van TBT Germany dat de waarborgsom van € 250.000,-- beschikbaar kon worden gesteld, heeft plaatsgevonden in een in augustus 2014 gehouden telefoongesprek tussen mr. [advocaat 1] en mr. [advocaat 3] , toen waarnemend advocaat voor mr. [advocaat 2] , de advocaat van [naam bedrijf] . In een bij memorie van antwoord overgelegde schriftelijke verklaring van 31 augustus 2023 heeft mr. [advocaat 3] (in reactie op de memorie van grieven) daarover het volgende verklaard:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘Ik heb op 21 augustus 2014 mr. [advocaat 1] van het kantoor Hill &amp; Ross telefonisch gesproken; tevens heb ik de heer [naam 3] van TBT Germany A.G. gesproken via de verbinding van mr. [advocaat 1] , deze had zijn client toegevoegd aan het gesprek.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het volgende is tijdens het gesprek komen vast te staan:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">de aanbetaling van € 250.000 was beschikbaar en kon ook overgemaakt worden</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">mr. [advocaat 1] gaf aan dat zijn client voldoende kapitaalkrachtig was voor de aankoop van het vastgoed, dit kon hij bevestigen omdat hij een bankafschrift onder zich had met saldo groter dan 5.000.000,- (vijf miljoen) euro</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">de BLA was gedekt door een bankafschrift’</emphasis> (productie 96)<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
        </listitem>
      </orderedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.19</nr>
      <para>Op de zitting van 27 augustus 2024 heeft (de advocaat van) de curator over deze verklaring opgemerkt dat zij ten opzichte van de in eerste aanleg afgelegde verklaringen van mr. [advocaat 3] heel stellig is, dat mr. [advocaat 3] toen veel minder heeft verklaard en dat hij zich nu allerlei details lijkt te kunnen herinneren die hij zich eerder niet kon herinneren. Het hof vindt hierin (en ook verder) geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van mr. [advocaat 3] – waarover ook de rechtbank (onbestreden) heeft overwogen dat die niet in geding is (rov. 2.11) – en de juistheid van deze verklaring. Gelet op de inhoud daarvan deelt het hof evenmin de twijfel van de curator of de persoon die zich ‘telefonisch bij mr. [advocaat 3] als [naam 3] geïdentificeerd heeft’, daadwerkelijk [naam 3] is geweest (memorie van grieven, nr. 6.4). [naam 3] was op dat moment statutair bestuurder van TBT Germany.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.20</nr>
      <para>Uit deze verklaring volgt dat (de advocaat van) [naam bedrijf] navraag heeft gedaan naar de financiële gegoedheid van TBT Germany en dat de advocaat van TBT Germany, in aanwezigheid van de bestuurder van TBT Germany, daarop niet alleen heeft medegedeeld dat de waarborgsom van € 250.000,-- beschikbaar kon worden gesteld, maar ook op grond van een bankafschrift heeft bevestigd dat TBT Germany voldoende kapitaal had om de koopsommen te betalen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.21</nr>
      <para>Verder hebben [geïntimeerden] onweersproken gesteld dat [geïntimeerde 2] meermalen het kantoor van TBT Germany in Düsseldorf heeft bezocht voor overleg en om zich een idee te vormen over de betrouwbaarheid van TBT Germany. Eén van die keren betrof een bespreking op 2 december 2013 waarbij ook [naam 2] (van Millenium Investments B.V.) aanwezig was. Deze stelling vindt steun in een brief van 29 november 2013, met als onderwerp ‘Loan Commitment Project Beverweert’, waarin [naam 3] [geïntimeerden] voorstelt om elkaar in Düsseldorf te treffen en te spreken over hun ‘business proposal’ (productie 12 bij conclusie van antwoord).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.22</nr>
      <para>In het licht van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] zich voldoende hebben vergewist van de financiële gegoedheid van TBT Germany en mochten zij erop vertrouwen dat [naam bedrijf] met de BLA de tweede koopovereenkomsten kon sluiten en nakomen. In ieder geval is de hiervoor beschreven handelwijze van [geïntimeerden] niet te kwalificeren als ernstig verwijtbaar in de zin van rov. 6.4 hierboven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.23</nr>
      <para>De door de curator aangevoerde ‘onregelmatigheden’ of ‘red flags’ (memorie van grieven, nr. 6.16) kunnen aan dit oordeel niet afdoen. Zo brengt de ontbinding van de eerste koopovereenkomsten op 22 juli 2014 wegens het niet betalen van de al op 24 maart en 24 april 2014 verschuldigde waarborgsommen niet mee dat [geïntimeerden] niet op de gegoedheid van TBT Germany mochten vertrouwen, reeds omdat het hierboven genoemde telefoongesprek op 21 augustus 2014 – dus daarna en vóór de totstandkoming van de tweede koopovereenkomsten – heeft plaatsgevonden. Over de omstandigheid dat [naam bedrijf] op 20 november 2014 (of daarna) haar courtageverplichting niet betaalde, heeft het hof hierboven in rov. 6.7 al geoordeeld dat dit niet zonder meer meebrengt dat de BLA ten tijde van het aangaan van de tweede koopovereenkomsten geen toereikende financieringstoezegging opleverde, en dat de stelling van de curator dat [naam bedrijf] op 20 november 2014 kennelijk geen gelden onder de BLA kon trekken, als speculatief moet worden aangemerkt. Met de stelling dat [naam 3] ten tijde van de ondertekening van de BLA nog geen bestuurder van TBT Germany was, verliest de curator uit het oog dat de rechtbank heeft overwogen dat voor zover sprake was van onbevoegde vertegenwoordiging (en [geïntimeerden] niet op vertegenwoordigingsbevoegdheid mochten vertrouwen), moet worden aangenomen dat er alsnog bekrachtiging heeft plaatsgevonden (rov. 2.17). Dit oordeel is in hoger beroep niet (voldoende kenbaar en gespecificeerd) bestreden. Evenzeer speculatief is de stelling van de curator dat [geïntimeerde 2] al eerder een lening van de Vriendenstichting naar zich toe had getrokken en die gelden grotendeels voor zichzelf had besteed – wat [geïntimeerden] gemotiveerd hebben weersproken –, en dat (alleen) daarom niet kan worden aangenomen dat het oormerk van de BLA – financiering van de koop van het kasteel door [naam bedrijf] – voldoende is om ervan uit te gaan dat de BLA-gelden bij [naam bedrijf] zouden belanden. Bovendien verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank in rov 2.15 (dat meer inhoudt dan de curator met deze stelling doet voorkomen).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.24</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt ook dat in de gegeven omstandigheden voor het aanvaarden van een ‘verzwaarde onderzoeksplicht’ (memorie van grieven, nr. 6.18) – zo daarvoor al steun zou zijn te vinden in het recht – geen aanleiding bestaat. Verder volgt daaruit dat het betoog dat de mededeling over de beschikbaarheid van € 250.000,-- in het telefoongesprek van 21 augustus 2014 niets zegt over de vraag of TBT Germany ten tijde van het aangaan van de tweede koopovereenkomsten de twintig keer zo hoge koopsommen beschikbaar zou stellen, de curator niet kan baten. In dat gesprek heeft de advocaat van TBT Germany immers bevestigd dat TBT Germany voldoende kapitaal had om de koopsommen te betalen, terwijl de curator geen feiten of omstandigheden van na 21 augustus 2014 stelt die meebrengen dat [geïntimeerden] niet op die bevestiging hadden mogen vertrouwen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.25</nr>
      <para>Als subsidiaire grondslag van grief 6.3 voert de curator aan dat [geïntimeerden] geen vertrouwen hadden in de BLA en TBT Germany. Deze ‘subjectieve gesteldheid’ (memorie van grieven, nr. 6.22) blijkt volgens de curator uit de omstandigheden dat</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>blijkens correspondentie en processtukken [naam bedrijf] in de zomer van 2014 en ook daarna nog op zoek was naar een financier;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam bedrijf] bij de tweede koopovereenkomsten niet TBT Germany maar de Chinese bank Barron Invest als financier presenteerde;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam bedrijf] jegens Philadelphia nooit kenbaar heeft gemaakt dat TBT Germany als gevolg van de bommelding probeerde terug te krabbelen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>TBT Germany niet terugkomt in het overzicht dat [geïntimeerde 2] ten behoeve van de curator heeft opgesteld, en evenmin werd genoemd in het eerste gesprek met de curator;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [geïntimeerden] zich direct hebben neergelegd bij de (door hen gestelde) weigering van TBT Germany om de BLA na te komen.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.26</nr>
      <para>
        [geïntimeerden] betwisten dat zij geen vertrouwen hadden in de BLA en TBT Germany en weerspreken de door de curator aangevoerde omstandigheden en/of de aanwijzingen voor kennelijk onbehoorlijk bestuur die hij daarin leest. Dat [naam bedrijf] in en ook na de zomer van 2014 nog contacten had met mogelijke andere financiers verklaren zij uit het feit dat er meer viel te financieren dan alleen de aankoop van het kasteel en uit het feit dat uit voorzorg werd gekeken naar alternatieven voor de redelijk prijzige financiering door TBT Germany. In verband met het overleg over de tweede koopovereenkomsten en de daarbij aangepaste constructie om het kasteel te verwerven, zijn ook andere partijen in beeld gekomen, waaronder Barron Invest en Millenium Investments B.V. dat voor een deel eigenaar zou worden. Het hof acht deze verklaringen niet onaannemelijk. De in rov. 6.25 onder c, d en e genoemde omstandigheden – veronderstellenderwijs aangenomen dat zij vaststaan – leveren elk voor zich en ook in onderling verband beschouwd evenmin een voldoende concrete aanwijzing voor kennelijk onbehoorlijk bestuur op.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.27</nr>
      <parablock>
        <para>De in rov. 6.25 onder e genoemde grond hangt samen met de meer subsidiaire grondslag van grief 6.3. Die houdt in dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur doordat [geïntimeerden] – aangenomen dat zij op de BLA vertrouwden – hebben nagelaten om TBT Germany aan te spreken tot nakoming van haar financieringsverplichtingen. Daarbij gaat de curator ervanuit dat uit de brieven van 20 en 22 december 2014 van TBT Germany aan [naam bedrijf] niet duidelijk wordt waarom TBT Germany meende haar verplichtingen te kunnen opschorten. De inhoud van de brieven laat er echter geen enkele twijfel over bestaan dat TBT Germany zich op het standpunt stelde dat zij, gegeven de brandstichting op 19 december 2014 en de bommelding op 22 december 2014, pas tot betaling zou overgaan nadat zij in de gelegenheid zou zijn gesteld het kasteel en de bijgebouwen zelf te inspecteren en van Philadelphia informatie over ‘Handen af van Beverweert’ zou hebben ontvangen. Zo schreef TBT Germany:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘(…) we are not able to finance any property before inspection of the property after a fire. (…) The seller Philadelphia is not allowing you the surface and check the condition after the fire, this sounds suspicious; we do not accept any other terms from the seller than our own inspection. (…) We assure you that this is no termination (yet) from our agreement (BLA) (…)’</emphasis> (productie 46 bij conclusie van antwoord),</para>
        <para>en</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘(…) you were not informed about the existence of this so called – terror – group ‘HANDEN AF BEVERWEERT’. We demand a full explanation from the seller in writing before we proceed further. (…) Our company </emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">will not finance wire</emphasis>
          <emphasis role="italic"> € 5.000.000,00 Euro’s (</emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">under no circumstances</emphasis>
          <emphasis role="italic">) before we can inspect the property as it should and before you have clear information regarding this terror act/group from the seller in writing. Now we have the second obstacle in two days (…)’</emphasis> (productie 48 bij conclusie van antwoord, accentuering in origineel).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.28</nr>
      <para>Gelet op de ernst van de brandstichting en de bommelding en de (mogelijke) gevolgen daarvan voor de financiering door TBT Germany, valt niet in te zien dat [geïntimeerden] TBT Germany (in rechte) hadden kunnen en moeten aanspreken tot nakoming (of schadevergoeding) en dat, nu zij dit niet hebben gedaan, sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.29</nr>
      <para>Grief 6.3 kan dus niet tot vernietiging leiden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.30</nr>
      <para>Met grief 7 betoogt de curator tevergeefs dat hij voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om zijn vorderingen te doen slagen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat dit niet het geval is.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.31</nr>
      <parablock>
        <para>Om diezelfde reden en/of omdat het aangeboden bewijs niet relevant is – zoals eveneens uit het voorgaande volgt –, gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van de curator.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.32</nr>
      <para>De conclusie is dat het hoger beroep van de curator doel mist. Daarom zal het hof de vonnissen bekrachtigen. Het hof zal de curator als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, met uitzondering van de kosten van het incident waarin [geïntimeerden] in het ongelijk zijn gesteld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.33</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof begroot de kosten van het incident op € 1.214,-- (een punt, tarief II). De overige kosten van het hoger beroep begroot het hof tot op heden op:</para>
        <para>griffierecht	€ 	 343,--</para>
        <para>salaris advocaat	€ 3.642,-- (drie punten, tarief II (€ 1.214,-- per punt))</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">nakosten 	€ 	 178,-- </emphasis>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
        <para>totaal	€ 4.163,--</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2019 en 21 oktober 2020;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incident in hoger beroep aan de zijde van de curator begroot op € 1.214,--;</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt de curator in de overige kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 4.163,--;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat als de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de curator de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,--;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, M.E. Honée en C.W.M. Lieverse, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3bdd7fd8-278e-4c54-85ce-39d0d606983b" label="1">
    <para> O.a. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370, en HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65dbd5a0-42bb-4e19-9355-e9ebfe59b1fc" label="2">
    <para> O.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, en HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>