<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-30T09:38:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.329.398/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2025:2959" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2025:2959</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2958">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-30T09:27:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2958 Gerechtshof Den Haag , 25-02-2025 / 200.329.398/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2958:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenarrest. Vordering aannemer tot vernietiging arbitrale vonnissen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2958:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG </bridgehead>
    <para>Civiel recht</para>
    <para>Team Handel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer hof	: 200.329.398/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest van 25 februari 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat: mr. E. Hoekstra, kantoorhoudend in Alkmaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [verweerder 1] ,</title>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>2.<emphasis role="bold"> [verweerder 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>3. <emphasis role="bold">[verweerder 3] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,<?linebreak?>4. <emphasis role="bold">[verweerder 4] ,</emphasis><?linebreak?>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>5. <emphasis role="bold">[verweerder 5] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>6. <emphasis role="bold">[verweerder 6] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>7. <emphasis role="bold">[verweerder 7] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>8. <emphasis role="bold">[verweerder 8] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>9. <emphasis role="bold">[verweerder 9] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>10.<emphasis role="bold">[verweerder 10] ,</emphasis></para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>11. <emphasis role="bold">[verweerder 11] ,</emphasis></para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>12. <emphasis role="bold">[verweerder 12] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerders,</para>
      <para>advocaat: mr. F. Dijkslag, kantoorhoudend in Amersfoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof noemt eiseres hierna [eiseres] . Verweerders worden afzonderlijk aangeduid met hun achternaam en gezamenlijk met [verweerder 1] c.s.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para>Een aannemer heeft zes woningen gebouwd in een voormalig kerkgebouw in [plaats] . De opdrachtgevers hebben bij de Geschillencommissie Verbouw &amp; Nieuwbouw een procedure aanhangig gemaakt in verband met bouwtijdoverschrijding. De Geschillencommissie heeft de aannemer in zes arbitrale vonnissen veroordeeld tot betaling van boetes ten aanzien van ieder van de zes opdrachtgevers. In deze zaak vordert de aannemer vernietiging van de arbitrale vonnissen. Het hof overweegt ten aanzien van vier arbitrale vonnissen dat die niet voor vernietiging in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige twee vonnissen wordt overwogen dat er grond is voor terugverwijzing in de zin van artikel 1065a Rv (“remission”), omdat de Geschillencommissie in die zaken op een essentieel verweer niet is ingegaan. Het hof geeft de betrokken partijen eerst gelegenheid zich over dit voornemen uit te laten. </para>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het vonnis in incident van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2023, waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om van de hoofdzaak kennis te nemen en de zaak heeft verwezen naar dit hof in de stand waarin de zaak zich bevindt, en de daarin genoemde stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de dagvaardingen van 23 mei 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte na verwijzing bij aanbrengen van 11 juli 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek tevens wijziging c.q. verduidelijking van eis;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 10 december 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feitelijke achtergrond </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [eiseres] exploiteert een aannemingsbedrijf. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Medio september 2019 heeft [eiseres] met respectievelijk [verweerder 1] en [verweerder 2] , [verweerder 3] en [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] , [verweerder 7] en [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 10] en tot slot [verweerder 11] en [verweerder 12] aannemingsovereenkomsten (hierna: de aannemingsovereenkomsten) gesloten voor de realisatie van woningen in een bestaande kerk in [plaats] . De aanneemsom bedroeg € 440.000,- per woning. De overeenkomsten bevatten een regeling voor geschilbeslechting (artikel 16): alle geschillen worden beslecht door arbitrage conform het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Verbouw &amp; Nieuwbouw (hierna: de Geschillencommissie). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft zich ertoe verplicht de woningen binnen 300 werkbare dagen na de aanvang van de bouw geheel voor bewoning gereed op te leveren (artikel 5 lid 1 van de aannemingsovereenkomsten). Verder vermeldden de aannemingsovereenkomsten dat als start van de bouwwerkzaamheden 1 juli 2019 werd beschouwd (artikel 5 lid 2 van de aannemingsovereenkomsten). Tot slot stond vermeld dat de bouw ten tijde van de ondertekening nog niet was aangevangen en dat zodra de bouw zou zijn begonnen, binnen acht dagen de aanvangsdatum als bedoeld in artikel 5 lid 1 schriftelijk zou worden medegedeeld (artikel 5 lid 3).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Verder zijn op de overeenkomsten de Algemene Voorwaarden van de Stichting BouwGarant (hierna: de Algemene Voorwaarden) van toepassing. Op grond van artikel 4 lid 3 van de Algemene Voorwaarden diende [eiseres] voorafgaand aan het verstrekken van een meerwerkopdracht opgave te doen van het aantal werkbare werkdagen waarmee de termijn voor oplevering zou worden verlengd. Op grond van artikel 11 lid 5 van de Algemene Voorwaarden heeft [verweerder 1] c.s. bij overschrijding van de overeengekomen bouwtermijn recht op een gefixeerde schadevergoeding van 0,25 ‰ van de aanneemsom per kalenderdag. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>
        [verweerder 1] c.s. heeft op grond van artikel 16 van de aannemingsovereenkomsten procedures tegen [eiseres] aanhangig gemaakt bij de Geschillencommissie. De klachten van [verweerder 1] c.s. zien op bouwtijdoverschrijding. Hij heeft een boete gevorderd. [eiseres] heeft in die procedure verweer gevoerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Op 1 september 2022 heeft de Geschillencommissie zes arbitrale vonnissen gewezen. Zij heeft geoordeeld dat [eiseres] de woningen te laat heeft opgeleverd. Per woning heeft zij de bouwtijdoverschrijding vastgesteld en de boete berekend die [eiseres] op grond van artikel 11 lid 5 van de Algemene Voorwaarden aan ieder van de opdrachtgevers afzonderlijk is verschuldigd in verband met de bouwtijdoverschrijding. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vorderingen van [eiseres]</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para> vordert de arbitrale vonnissen gedeeltelijk te vernietigen. [eiseres] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de uitspraken van de Geschillencommissie moeten worden aangemerkt als een bindend advies. Om die reden heeft zij de procedure bij de rechtbank Amsterdam aangebracht, op grond van artikel 7:904 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) de vernietiging van die bindende adviezen gevorderd en de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat [verweerder 1] c.s. wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [eiseres] van de bedragen waartoe [eiseres] in de arbitrale vonnissen jegens [verweerder 1] c.s. is veroordeeld, te vermeerderen met rente en kosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van arbitrale vonnissen en de zaak op grond van artikel 1064a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwezen naar het hof Den Haag. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert thans vernietiging van de arbitrale vonnissen omdat de beslissingen niet deugdelijk zijn gemotiveerd. In haar akte na verwijzing bij aanbrengen heeft zij toegelicht dat zij bedoelt een beroep te doen op artikel 1065 lid 1 sub d Rv (waarin de vernietigingsgrond dat het vonnis niet met redenen is omkleed is opgenomen). De Geschillencommissie heeft geen deugdelijk onderzoek gedaan en heeft zonder motivering de uitgebreide verweren van [eiseres] gepasseerd. [eiseres] concludeert dat de Geschillencommissie zich er te gemakkelijk van heeft afgemaakt en de uitgebreide verweren niet, dan wel slecht en onbegrijpelijk, gemotiveerd heeft gepasseerd. Daarnaast heeft de Geschillencommissie voor alle zaken één en hetzelfde vonnis gewezen en is zij dus niet ingegaan op verweren die op individueel niveau zijn gevoerd. [eiseres] vraagt het hof zelf in de zaak te voorzien door te oordelen dat de toegekende en betaalde boetebedragen moeten worden terugbetaald, met rente en kosten. In het geval de beslissing van de Geschillencommissie wordt vernietigd, ontbreekt een titel voor de betaling van bedragen door [eiseres] . </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling </title>
    <bridgehead role="italic">Het hof is bevoegd</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        [verweerder 1] c.s. heeft aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om over het geschil te oordelen. Bij het instellen van haar vorderingen is [eiseres] ervan uitgegaan dat de arbitrale vonnissen bindende adviezen zijn. Haar vorderingen zijn dan ook gebaseerd op artikel 7:904 lid 1 BW. Nu er geen sprake is van bindende adviezen, kon hiervan de vernietiging niet worden gevorderd. Deze omissie kan niet worden gerepareerd door er nu van uit te gaan dat het de bedoeling was om vernietiging van arbitrale vonnissen in te roepen. De gronden voor vernietiging zijn niet voorgedragen in de dagvaardingen, wat op grond van artikel 1064a lid 4 Rv wel had gemoeten. [eiseres] heeft ook geen feitelijke argumenten ten grondslag gelegd aan haar vorderingen. De rechtbank mocht deze niet ambtshalve aanvullen en de vorderingen aanmerken als vorderingen tot vernietiging van arbitrale vonnissen. De rechtbank had zich niet onbevoegd moeten verklaren, maar had [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen moeten verklaren. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof passeert dit verweer en oordeelt dat het wel bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen. De door [eiseres] in haar oorspronkelijke dagvaarding naar voren gebrachte bezwaren tegen het arbitrale vonnis zien op het in haar ogen ontbreken van een deugdelijke motivering en het niet bespreken van essentiële verweren. Op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv en artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv kan een arbitraal vonnis worden vernietigd indien sprake is van het ontbreken van een deugdelijke motivering en het niet bespreken van essentiële verweren. [verweerder 1] c.s. heeft de bezwaren van [eiseres] tegen de beslissing van de Geschillencommissie ook als zodanig opgevat. Dat betekent dat het feit dat [eiseres] in de oorspronkelijke dagvaardingen ervan is uitgegaan dat sprake was van een bindend advies en niet van een arbitraal vonnis, er niet toe leidt dat het hof niet bevoegd is. Aangezien de plaats van arbitrage Den Haag is, is het ook dit hof dat bevoegd is om over deze zaak te oordelen. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De vorderingen van [eiseres] dienen volgens het volgende juridisch kader te worden beoordeeld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Vernietiging van een arbitraal vonnis kan slechts plaatsvinden op een van de in artikel 1065 lid 1 Rv genoemde gronden. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat de rechter de vernietigingsgronden terughoudend dient toe te passen. Deze regel heeft als achtergrond dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (ECLI:NL:HR:2004:AK8380). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv kan een arbitraal vonnis worden vernietigd als sprake is van een schending van de opdracht. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien geldende procedureregels niet in acht zijn genomen of niet is ingegaan op essentiële stellingen of verweren. Een schending van de opdracht die niet ernstig is, leidt niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis. Bij de beantwoording van de vraag of de ernst van de schending van de opdracht vernietiging van het arbitrale vonnis rechtvaardigt, komt de rechter beoordelingsvrijheid toe (ECLI:NL:HR:2021:1645).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv kan een arbitraal vonnis worden vernietigd als het niet met redenen is omkleed. Vernietiging is echter slechts mogelijk wanneer de motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering: aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Met het ontbreken van een motivering moet evenwel op één lijn gesteld worden het geval dat weliswaar een motivering gegeven is, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt (ECLI:NL:HR:2004:AK8380).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Op grond van artikel 1065a Rv kan het hof op verzoek van een partij of uit eigen beweging de vernietigingsprocedure schorsen om het scheidsgerecht in staat te stellen de grond tot vernietiging ongedaan te maken door het heropenen van het arbitraal geding dan wel door het nemen van een andere maatregel die het scheidsgerecht geraden acht. Terugverwijzing vormt een goed en efficiënt alternatief voor vernietiging en draagt ertoe bij dat de vernietiging van een arbitraal vonnis ultimum remedium is.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>
        [eiseres] meent dat alle ten aanzien van [verweerder 1] c.s. gewezen arbitrale vonnissen moeten worden vernietigd in verband met de motivering van:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het oordeel van de Geschillencommissie ten aanzien van de startdatum als bedoeld in artikel 5 van de aannemingsovereenkomsten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het oordeel van de Geschillencommissie ten aanzien van de bouwtijdverlenging.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>In de zaak van [verweerder 5] en [verweerder 6] en in de zaak van [verweerder 3] en [verweerder 4] geldt nog dat de Geschillencommissie volgens [eiseres] een aantal specifieke verweren in het geheel niet heeft besproken. In de zaak van [verweerder 5] en [verweerder 6] tegen [eiseres] is de Geschillencommissie in het geheel niet ingegaan op het verweer van [eiseres] dat zij hadden afgesproken dat de eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] de gelegenheid zouden krijgen werkzaamheden in de woning te laten verrichten. [eiseres] had kunnen doorgaan met de uitvoering van haar werkzaamheden maar stelde zich meewerkend op. Als gevolg daarvan is er vertraging ontstaan. Zij heeft aangevoerd dat het onredelijk is dat die bouwtijdoverschrijding voor haar rekening zou moeten komen. De Geschillencommissie is hier niet op ingegaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Ten aanzien van het vonnis inzake [verweerder 3] en [verweerder 4] tegen [eiseres] geldt dat de Geschillencommissie volledig over het verweer van [eiseres] is heengestapt dat in de meerwerkovereenkomst opgave is gedaan van het aantal werkbare dagen waarmee de termijn voor oplevering zou worden verlengd en dat om die reden geen sprake kan zijn van schadevergoeding wegens overschrijding van de bouwtijd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11</nr>
      <para>Om die redenen moeten volgens [eiseres] de arbitrale vonnissen in die zaken hoe dan ook worden vernietigd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12</nr>
      <para>Het hof beschouwt het betoog van [eiseres] in de zaken tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] en [verweerder 3] en [verweerder 4] als een beroep op artikel 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv, te weten dat de Geschillencommissie zich niet aan haar opdracht heeft gehouden door niet in te gaan op essentiële verweren. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de zaken van [verweerder 1] c.s.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14</nr>
      <para>In het arbitraal vonnis heeft de Geschillencommissie het standpunt van [verweerder 1] c.s. ten aanzien van de verschillende punten weergegeven. In het vonnis is vermeld het standpunt van [verweerder 1] c.s. ten aanzien van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de overeengekomen bouwtijd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de overeengekomen startdatum van de bouw van 1 juli 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het aantal werkbare dagen dat partijen zijn overeengekomen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de datum van oplevering;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bouwtijdverlenging; omdat hier pas na de oplevering een beroep op is gedaan, terwijl volgens de algemene voorwaarden dit beroep moet worden gedaan voorafgaand aan de opdracht en het meerwerk slechts een klein percentage bedroeg van de aanneemsom;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bouwtijd die gepaard is gegaan met het aangetroffen asbest: dit komt voor rekening van [eiseres] , want er is sprake van projectmatige bouw waarbij het bestek afkomstig is van [eiseres] , althans, het wordt geacht dat te zijn, en onvolkomenheden komen voor risico van [eiseres] . [eiseres] heeft niet aangetoond op welke concrete periode de genoemde omstandigheden (huismus, coronamaatregelen, asbest) betrekking hebben en dat die omstandigheden hebben geleid tot verlenging van de bouwtijd en in hoeverre door deze omstandigheden gedurende vijf uren per dag door het grootste deel van de werknemers of machines niet meer kon worden gewerkt;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de onwerkbare dagen door weersomstandigheden. De werkzaamheden zijn hoofdzakelijk binnen verricht, zodat weersomstandigheden geen invloed hadden op de bouwtijd.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15</nr>
      <para>De Geschillencommissie heeft ook de standpunten van [eiseres] op deze punten weergegeven. Voor zover hier van belang heeft zij vermeld dat [eiseres] meent dat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>als startdatum niet 1 juli 2019 moet gelden. De aannemingsovereenkomsten betreffen een modelovereenkomst. Lid 3 van artikel 5 moet in samenhang met lid 1 van dat artikel worden beschouwd. In dat artikel is bepaald dat op het moment van ondertekeningen van de overeenkomsten nog niet was begonnen met de bouw. [verweerder 1] c.s. had daarmee erkend en aanvaard dat nog niet was begonnen met de bouw. [verweerder 1] c.s. wist dat de bouw nog niet was aangevangen op 1 juli 2019. Tijdens bewonersbijeenkomsten is medegedeeld dat de verwachting was dat de bouw eind oktober 2019 zou beginnen. Dat had te maken met de huismus en sloopwerkzaamheden en de overeengekomen bedenktijd. [verweerder 1] c.s. heeft ook niet gereclameerd over het feit dat op 1 juli 2019 nog niet was gestart met de bouw. Bij de vaststelling van de aanvangsdatum moet worden gekeken naar het moment dat werkelijk is begonnen met de bouw. [eiseres] heeft verwezen naar jurisprudentie van de Raad van Arbitrage van de Bouw; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>verschillende omstandigheden ertoe hebben geleid dat de bouw vertraging heeft opgelopen. Door de aanwezigheid van de huismus kon in de periode tot aan de werkelijke start van de bouw niet worden begonnen met de bouw. In de leidingen is asbest aangetroffen. Dit stond niet vermeld in het bestek. Dit heeft voor een vertraging van zes werkbare dagen gezorgd. Corona heeft tot een vertraging van 26 dagen geleid. Het meerwerk heeft geleid tot 25 dagen vertraging. In totaal betreft het 86 onwerkbare dagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">Startdatum </emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16</nr>
      <para>Volgens [eiseres] is de Geschillencommissie ten onrechte uitgegaan van 1 juli 2019 als startdatum, enkel en alleen omdat dit zo in de aannemingsovereenkomsten stond vermeld (artikel 5 lid 2). De Geschillencommissie heeft ten onrechte geoordeeld dat uitgaan van de werkelijke startdatum deze bepaling zinledig zou maken. Zinledigheid is geen overtuigende motivering. Bovendien waren de overeenkomsten op die datum nog niet eens getekend. Het is onbegrijpelijk en onredelijk dat de Geschillencommissie tot dit oordeel is gekomen. Er is sprake van gebreken in de motivering. Het ligt veel meer voor de hand om als datum de feitelijke start van de bouw aan te houden (1 oktober 2019), aldus steeds [eiseres] . </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17</nr>
      <para>Deze motiveringsklacht kan niet tot vernietiging leiden. Ten aanzien van welke datum als startdatum heeft te gelden overweegt de Geschillencommissie het volgende.</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2be94358-470c-4e2d-a463-af32103e0799" depth="273" width="549" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18</nr>
      <parablock>
        <para>Onder verwijzing naar de in rov. 5.4 genoemde terughoudendheid bij de toetsing stelt het hof vast dat de Geschillencommissie hiermee een gemotiveerd oordeel heeft gegeven over de vraag van welke startdatum moet worden uitgegaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat [eiseres] het met die beslissing niet eens is of dat mogelijk ook een andere beslissing ten aanzien van de startdatum had kunnen worden gegeven, doet niet ter zake. Dat maakt het immers niet tot een ongemotiveerd oordeel of een zodanig gebrekkig gemotiveerd oordeel dat dit met een ongemotiveerd oordeel gelijkgesteld moet worden. De Geschillencommissie heeft de standpunten van beide partijen gewogen. De beslissing is in het nadeel van [eiseres] uitgevallen, maar is wel gemotiveerd.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bouwtijdverlenging </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19</nr>
      <para>Vervolgens is de vraag aan de orde of het oordeel van de Geschillencommissie ten aanzien van de bouwtijdverlenging op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv moet worden vernietigd. Volgens [eiseres] zijn haar verweren ten aanzien van de bouwtijdverlenging in verband met meerwerk niet besproken en is het beroep daarop ongemotiveerd gepasseerd. Dit gaat zowel over het meerwerk in verband met de aangetroffen asbest als het overige opgedragen meerwerk. Het beroep op bouwtijdverlenging in verband met de onwerkbare dagen vanwege weersomstandigheden, corona en de aanwezigheid van de huismus is eveneens ongemotiveerd verworpen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20</nr>
      <para>Het hof volgt [eiseres] hierin niet. Ter toelichting dient het volgende.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21</nr>
      <para>De Geschillencommissie heeft het volgende in de beslissing opgenomen ten aanzien van de bouwtijdverlenging:</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="931ff2f6-7461-4779-8503-09291c1653f7" depth="176" width="549" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <parablock>
        <para>Zoals hiervoor – in rov. 5.14 en 5.15 – vermeld, heeft de Geschillencommissie de kern van de standpunten van partijen in het arbitraal vonnis weergegeven. Vervolgens is in het oordeel van de Geschillencommissie gemotiveerd waarom de weging van de standpunten in het voordeel van [verweerder 1] c.s. is uitgevallen. Dat het oordeel uitgebreider had kunnen worden gemotiveerd, betekent nog niet dat het zodanig gebrekkig is dat het moet worden gelijkgesteld met een ongemotiveerd oordeel. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bouwtijdverlenging [verweerder 5] en [verweerder 6] en [verweerder 3] en [verweerder 4]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22</nr>
      <para>Dit is echter anders ten aanzien van de verweren van [eiseres] in de zaken tussen haar en [verweerder 5] en [verweerder 6] enerzijds en haar en [verweerder 3] en [verweerder 4] anderzijds. Zoals [eiseres] terecht heeft aangevoerd, wordt in het arbitrale vonnis niet ingegaan op de verweren die specifiek voor deze zaken gelden. Het gaat om kort gezegd door [eiseres] gestelde vertraging in de bouw doordat eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] in de woning hebben gewerkt, welke vertraging volgens [eiseres] om die reden voor rekening van [verweerder 5] en [verweerder 6] moet komen en de vertraging in de bouwtijd die samenhangt met het door [verweerder 3] en [verweerder 4] opgedragen meerwerk waarvoor [eiseres] volgens haar wel van te voren bouwtijdverlenging heeft aangekondigd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23</nr>
      <para>De Geschillencommissie heeft klaarblijkelijk in de zaken van alle (oorspronkelijk) eisers gezamenlijk één en dezelfde motivering gehanteerd. Daarbij heeft de Geschillencommissie echter nagelaten in te gaan op de specifieke verweren van [eiseres] in deze twee zaken. Naar het oordeel van het hof zijn die verweren aan te merken als essentiële verweren. Als die verweren zouden slagen, komt de vertraging in de bouwtijd mogelijk niet of niet geheel voor rekening van [eiseres] . Dit heeft vervolgens weer invloed op de omvang van de toegekende schadevergoeding. Door die verweren niet te bespreken, heeft de Geschillencommissie zich niet aan haar opdracht gehouden. Dat levert in beginsel een grond voor vernietiging op (zie hiervoor in rov. 5.5). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof ligt echter toepassing van de regeling van ‘remission’ op grond van artikel 1065a Rv in de rede in deze twee zaken. Dat zou betekenen dat het hof de zaak ten aanzien van deze twee arbitrale vonnissen zou terugverwijzen naar de Geschillencommissie om alsnog in te gaan op deze twee verweren van [eiseres] . Voor de goede orde wijst het hof erop dat dit niet betekent dat uiteindelijk ook een andere beslissing zal volgen in deze zaken. Het is mogelijk dat de Geschillencommissie haar motivering aanvult door alsnog in te gaan op deze verweren, zonder dat de uitkomst van deze zaken verandert. Daarmee wordt de vernietigingsgrond ongedaan gemaakt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25</nr>
      <para>Voordat het hof een beslissing geeft over het al dan niet terugverwijzen van de betreffende twee arbitrale vonnissen, zullen [verweerder 5] en [verweerder 6] en [verweerder 3] en [verweerder 4] enerzijds en [eiseres] anderzijds eerst de gelegenheid krijgen zich (gelijktijdig) uit te laten over het voornemen van het hof om de zaak naar de Geschillencommissie terug te verwijzen. Daartoe zal de zaak worden verwezen naar de rol van <emphasis role="bold">11 maart 2025</emphasis>. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.26</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing, waaronder die ten aanzien van de proceskosten, zal worden aangehouden.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>Het hof:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verwijst de zaak naar de rol van 11 maart 2025 voor akte uitlaten zoals vermeld in rov. 5.25.;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, J.S. Honée en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>