<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T16:25:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/891</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2920">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T14:31:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag , 19-11-2025 / BK-24/891</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2920:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BPM: artikel 110 VWEU: diverse Unierechtelijke vraagstukken; naheffingsaanslag bpm: bewijslastverdeling; controle door DRZ maakt geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van belanghebbende; koerslijstmethode; handelsinkoopwaarde met vermindering op basis van de factoren “bijstelling marktsituatie en bijstelling dealersituatie”; geen ex-rental; het Hof ziet geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2920:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>enkelvoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-24/891</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 19 november 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2025, nummer SGR 22/6058.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.981 (de naheffingsaanslag).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht  geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:	</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
        <para>-	verklaart het beroep ongegrond;</para>
        <para>-	veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 808;</para>
        <para>-	veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 692;</para>
        <para>-	veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser, elk tot een bedrag van € 109,38;</para>
        <para>-	draagt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, elk tot een bedrag van € 92;</para>
        <para>-	bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 6 augustus 2025. Belanghebbende heeft twee pleitnota’s ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 augustus en 10 september 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 500 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Seat Leon 2.0 TSI Cupra 300 (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 15 mei 2018. De registratie is voltooid op 21 juli 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 19.557 en een waardevermindering wegens schade van € 16.257.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In opdracht van de Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 22 juli 2020 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 23.391 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. DRZ heeft geen schade geconstateerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 5.481. Bij brief van 21 mei 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan niet gebruikgemaakt. Daarom is met datum 16 juli 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van </para>
        <para>(€ 5.481 -/- € 500 = ) € 4.981.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiser slechts motiveren indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld. Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad.</para>
    <bridgehead role="italic">Prejudiciële vragen</bridgehead>
    <para>8. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiser zich heeft beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naheffen na belastbaar feit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan verweerder op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 van het VWEU.1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Eiser heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, omdat hij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om zijn bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.2 Verweerder heeft eiser bij brief van 21 mei 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Betalings- en heffingsmodaliteiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.3 Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schade en veranderingen aan auto voor registratie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.4 Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat dit hier het geval is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onafhankelijkheid DRZ</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. De rechtbank verwerpt deze klacht. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2020; de Uitvoeringsregeling) staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.5 De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ.6</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.7 Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>16. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiser kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    <para />
    <para>17. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.8 Eiser heeft evenwel niet eens gesteld dat in zijn geval aan deze voorwaarden is voldaan.</para>
    <para />
    <para>18. Voor zover het betoog van eiser erop berust dat het begrip ‘gelijksoortigheid’ ruim dient te worden uitgelegd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Producten zijn in dit verband als gelijksoortig te beschouwen wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.9 Het is derhalve voor auto’s van courante modellen (zoals de onderhavige) niet mogelijk een vergelijking te trekken met auto’s van een ander model waarvan de CO2-uitstoot (en dus het verbruik) in meer dan verwaarloosbare mate verschilt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eurotaxglass’s</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. Eiser heeft zich nog op het standpunt gesteld dat verweerder voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde had moeten uitgaan van de waarde die hij had afgeleid uit de koerslijst Eurotaxglass’s (€ 23.962), verminderd met 15% wegens marktsituatie/dealersituatie, al dan niet onder wijziging van zijn keuze voor de taxatiemethode naar een keuze voor de koerslijstmethode. Hij beroept zich in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783. De rechtbank is echter van oordeel dat, mede gelet op de sinds 4 oktober 2021 door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer, thans niet meer van een aftrek ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven.10</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>20. Eiser heeft in zijn beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden toegepast. Hij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gebreken taxatierapport/ gebruik forfaitaire tabel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige (formele en materiële) gebreken vertoont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade e.d.). Alsdan moet volgens verweerder in dit geval de vermindering worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, waardoor het beroep – ondanks eventuele gebreken in de naheffingsaanslag – ongegrond verklaard moet worden. De rechtbank komt aan deze stelling echter niet toe, omdat de beroepsgronden van eiser falen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.11 In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.12 Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.13 Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.14 Eiser heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijke rente en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.15 Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>24. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet het beroep ongegrond verklaard worden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>25. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 12 augustus 2021 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 23 augustus 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 31 juli 2024 gedaan. Dat is dus afgerond 37 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 13 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 23 augustus 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 7/13 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 6/13 aan de beroepsfase.</para>
    <para />
    <para>26. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.16 Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Daarvan dient € 808 door verweerder te worden vergoed en € 692 door de Staat.</para>
    <para />
    <para>27. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiser in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>28. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).17 Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van het griffierecht.18</para>
    <para />
    <para>29. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Het beroep is zelfs inhoudelijk ongegrond. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.19</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>[1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2.</para>
      <para>[2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.</para>
      <para>[3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1-3.4.7.</para>
      <para>[4] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1.</para>
      <para>[5] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.2.</para>
      <para>[6] Zie ook Gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1404, r.o. 5.6.2.</para>
      <para>[7] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.</para>
      <para>[8] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.</para>
      <para>[9] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.</para>
      <para>[10] Zie onder meer Gerechtshof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638, r.o. 5.4</para>
      <para>[11] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.</para>
      <para>[12] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.</para>
      <para>[13HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.</para>
      <para>[14] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6.</para>
      <para>[15] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.</para>
      <para>[16] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.</para>
      <para>[17] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 6.2.</para>
      <para>[18] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.</para>
      <para>[19] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en of de Rechtbank de (proces)kostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de vergoeding voor immateriële schade op een onjuist bedrag is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een hogere dan wel integrale proceskostenvergoeding in beroep en een hogere vergoeding voor immateriële schade. Hij verzoekt voorts om een hogere dan wel integrale vergoeding voor het hoger beroep, alsmede om vergoeding van het griffierecht in hoger beroep en een passende rentevergoeding over de griffierechten in beroep en hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de naheffingsaanslag, tot vermindering van de naheffingsaanslag en tot vergoeding van de proceskosten, aan de kant van belanghebbende, en het betaalde griffierecht in hoger beroep.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank voor wat betreft de grieven van belanghebbende over het Unierecht, de bewijslastverdeling, naheffen na het belastbare feit, het stellen van prejudiciële vragen, het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, schade en een blijvende waardevermindering door schade, de vergoeding van immateriële schade, het vooraf heffen van griffierecht en een rentevergoeding op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep op deze geschilpunten geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch standpunten ingenomen of argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank op deze punten niet in stand kan blijven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">DRZ</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.2.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.2.</nr>
        <para>Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin wordt gebruikgemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.3.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt voorts dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Het Hof verwerpt deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022):</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De hiervoor geciteerde bepaling biedt voldoende wettelijke grondslag voor de controle. De tekst laat ook geen twijfel erover bestaan dat de regelgever wel degelijk de bevoegdheid heeft om desbetreffende maatregelen te treffen in de Uitvoeringsregeling bpm. Het Hof twijfelt niet eraan dat de controle door DRZ op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Of de aanbestedingsprocedure al dan niet juist is verlopen, is voor de onderhavige procedure niet van belang.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.4.</nr>
        <para>Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving – te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Koerslijstmethode</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat hij op de handelsinkoopwaarde van de auto een vermindering van 15% kan toepassen op basis van de factoren “bijstelling marktsituatie en bijstelling dealersituatie” in de koerslijst Eurotax (vgl. Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248 en ECLI:NL:HR:2025:336). De Inspecteur accepteert in het verweerschrift in hoger beroep dat de correctie van 15% op basis van deze koerslijst kan worden toegepast en concludeert, net als belanghebbende, dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.272. Het Hof zal daarom dienovereenkomstig beslissen. Wat de Inspecteur ter zitting hiertegen heeft ingebracht leidt het Hof niet tot een ander oordeel.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2.</nr>
        <para>Voor een vergoeding van rente over de vermindering van de naheffingsaanslag dient belanghebbende zich tot de ontvanger te wenden.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ex-rental</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Het Hof ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten en griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op in totaal € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar ((1 punt voor het bezwaarschrift) x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten x € 907 x 1 (gewicht van de zaak)), en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten x € 907 x 0,25). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). Van het bedrag van € 2.914,50 rekent het Hof € 109,38 toe aan de Staat, conform de beslissing van de Rechtbank. Voor de Inspecteur resteert derhalve een aan belanghebbende te vergoeden bedrag aan (proces)kosten van € 2.805,12.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale (proces)kostenvergoeding. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest EU een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Het Hof kent voor het hoorgesprek geen punt toe, omdat de collega van de gemachtigde die het hoorgesprek heeft gevoerd, uitsluitend een gewijzigd bankrekeningnummer heeft gegeven voor de uitbetaling van eventuele vergoedingen en geen enkel inhoudelijk standpunt of argument heeft ingebracht. Voorts heeft het Hof meegewogen dat op de agenda van de hoorzitting 85 zaken stonden, zodat toekenning van het volledige tarief voor een hoorzitting zou betekenen dat de vergoeding de gemaakte kosten ver zou overtreffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te worden vergoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en de veroordeling van de Staat in de proceskosten van belanghebbende van € 109,38,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.272,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.805,12,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 279 aan griffierecht te vergoeden,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente ten aanzien van de (proces)kosten en het griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>L. van den Bogerd	H.A.J. Kroon</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>