<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:17:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/889</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2918">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T13:31:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2918 Gerechtshof Den Haag , 19-11-2025 / BK-24/889</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2918:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 110 VWEU: naheffingsaanslag bpm: bewijslastverdeling; uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen; bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit); Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; heffingsmodaliteiten; CO2-uitstoot; historische nieuwprijs; schadeaftrek; schadeverleden; geen ex-rental; DRZ; rentevergoeding over teruggaaf; voortijdige heffing van griffierecht; vergoeding van (im)materiële schade</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2918:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>enkelvoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-24/889</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 19 november 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] (thans) te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] )</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5452.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.254 (de naheffingsaanslag).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht  geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:	</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
        <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
        <para>-	vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
        <para>-	vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.823;</para>
        <para>-	bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;</para>
        <para>-	veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750;</para>
        <para>-	veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750;</para>
        <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998;</para>
        <para>-	draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;</para>
        <para>-	bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 8 juli 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk en een pleitnota ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 augustus en 1 september 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.390 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz 300E Cabrio M-line (de auto) afkomstig uit Duitsland. De datum van eerste toelating van de auto is 16 maart 2020. De datum van de eerste tenaamstelling in Nederland is 3 mei 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De aangifte is gedagtekend 28 april 2021 en het daarop verschuldigde bedrag is op 30 april 2021 voldaan. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Hierin wordt uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 49.935 en een waardevermindering wegens schade van € 35.266,06. De fysieke opname ten behoeve van het taxatierapport heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Uit de aangifte blijkt voorts dat de RDW de auto heeft gekeurd op 23 april 2021. In opdracht van de Inspecteur heeft op 7 mei 2021 een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 14 mei 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport wordt de historische nieuwprijs op € 91.949 gesteld, uitgaande van een bruto bpm van € 9.886. Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 49.142 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 4.825 waarvan € 3.474 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De registratie is voltooid op 11 mei 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 7.644. Bij brief van 19 mei 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan niet gebruikgemaakt. Daarom is met datum 9 juli 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van (€ 7.644 -/- € 2.390 =) € 5.254.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiser slechts motiveren indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld. Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Prejudiciële vragen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiser zich heeft beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naheffen na belastbaar feit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan verweerder op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 van het VWEU.1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Eiser heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, omdat hij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om zijn bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.2 Verweerder heeft eiser bij brief van 19 mei 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Betalings- en heffingsmodaliteiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.3 Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiser kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    <para />
    <para>13. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.4 Eiser heeft evenwel niet eens gesteld dat in zijn geval aan deze voorwaarden is voldaan.</para>
    <para />
    <para>14. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 20225 en stelt dat hij gelet op die uitspraak voor de auto mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode waarbij mag worden uitgegaan van de laagste CO2-uitstoot. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de uitspraak van het Hof. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiser kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor.</para>
    <para />
    <para>15. Voor zover het betoog van eiser erop berust dat het begrip ‘gelijksoortigheid’ ruim dient te worden uitgelegd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Producten zijn in dit verband als gelijksoortig te beschouwen wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.6 Het is derhalve voor auto’s van courante modellen (zoals de onderhavige) niet mogelijk een vergelijking te trekken met auto’s van een ander model waarvan de CO2-uitstoot (en dus het verbruik) in meer dan verwaarloosbare mate verschilt.</para>
    <para />
    <para>16. Voor het overige heeft te gelden dat door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare personenauto’s niet wordt aangetoond dat als uitgangspunt te veel bpm in aanmerking is genomen.7 Dat geldt dus ook voor de auto met een uitstoot van 173 gram CO2 (WLTP) waarnaar eiser heeft verwezen onder zijn subsidiaire standpunt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs: koerslijst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>17. Eiser heeft onder zijn meer subsidiaire standpunt bepleit dat verweerder voor de bepaling van de netto catalogusprijs van de auto ten onrechte heeft gebruikgemaakt van een prijslijst voor een Mercedes Benz E 300 cabrio AMG-line. Die auto was namelijk ten tijde van de eerste toelating op de weg nog niet leverbaar in Nederland. Daarom is in de aangifte uitgegaan van een prijslijst voor een Mercedes Benz E300 Sport Edition, die standaard is uitgerust met een AMG styling pack. De heer [B] heeft dit ter zitting nader toegelicht. Verder stelt eiser zich op het (nog meer subsidiaire) standpunt dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm die volgt uit de door verweerder gebruikte koerslijst XRAY.</para>
    <para />
    <para>18. Verweerder erkent dat voor het geïmporteerde voertuig geen consumentennieuwprijs bekend is nu deze auto met deze uitstoot op de datum eerste toelating in Nederland niet leverbaar was. Daarom heeft verweerder gebruikgemaakt van de consumentennieuwprijs van een referentievoertuig; in dit geval een identiek voertuig dat later in Nederland op de markt kwam. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het door hem geselecteerde, niet geheel identieke voertuig dat de datum van eerste toelating wel leverbaar was in Nederland, qua eigenschappen en kenmerken dichter aanleunt tegen de geïmporteerde auto dan het door verweerder gekozen voertuig. Er bestaat dus geen reden tot aanpassing van de door verweerder gehanteerde netto catalogusprijs.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs: bruto bpm</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. Eiser beroept zich wel terecht op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2013, ECLI:NL:HR:2023:1703, met het betoog dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm van de geïmporteerde auto (€ 15.394). Dit wordt door verweerder ook erkend. De historische nieuwprijs dient derhalve te worden vastgesteld op € 97.457.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Handelsinkoopwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>20. Verweerder heeft betoogd dat alsdan de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto naar evenredigheid dient te worden verhoogd. Immers, de hogere CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto houdt in dat de auto een hoger energieverbruik heeft dan de referentieauto, hetgeen slechts kan worden verklaard door verschillen bijvoorbeeld in de aanwezige opties.</para>
    <para />
    <para>21. Met zijn standpunt neemt verweerder gemotiveerd stelling tegen de door eiser verdedigde handelsinkoopwaarde. Dat een hogere CO2-uitstoot automatisch tot een hogere handelsinkoopwaarde leidt, zoals verweerder met zijn stelling suggereert, acht de rechtbank echter niet voor de hand liggend. Per geval zal moeten worden beoordeeld of dit zo is. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen, zoals de omvang van het verschil in CO2-uitstoot, de herkomst van het motorvoertuig (waarbij van belang is of het beschikt over een Europese typegoedkeuring), exclusiviteit, de courantheid van het merk en het model, de uitvoering en of het motorvoertuig bijzondere kenmerken heeft. Met andere woorden, de prijselasticiteit speelt een belangrijke rol. Hoewel de CO2-uitstoot als een vast gegeven kenmerk van het motorvoertuig moet worden beschouwd, is dit niet het enige kenmerk en staat het niet vast dat dit kenmerk bij de gemiddelde handelaar (of consument, die het motorvoertuig uiteindelijk koopt) doorslaggevend is bij de keuze voor het motorvoertuig.8 Nu het algemeen geformuleerde standpunt van verweerder niet zonder meer kan worden gevolgd en verweerder geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide handelsinkoopwaarde naar boven bij te stellen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.9 Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. De rechtbank zal daarop hieronder ingaan.</para>
    <para />
    <para>23. Eiser betoogt verder dat uit de door verweerder ingebrachte foto’s blijkt dat er ten tijde van de opname door DRZ schade aanwezig was aan het cabriodak en een storing aan het achterraam. Die schade is door DRZ niet meegenomen in de waardering en moet volgens eiser leiden tot een waardevermindering van € 20.848. Eiser heeft een deskundigenrapport van [B] ( [A] ) gedateerd 12 januari 2024 ingebracht waarin aan de hand van de foto’s van DRZ wordt vastgesteld dat de cabrioletkap is vastgeplakt met tape omdat het frame gedeformeerd is, dat het scherm links achter is vervormd en dichtgesmeerd met plamuur en dient te worden vervangen, dat de achterbumper beschadigd is en dat de wielkast intern links achter is beschadigd. De permanente waardevermindering bedraagt volgens het rapport minstens € 7.500 en de reparatiekosten € 13.348,02. Ter zitting heeft de heer [B] het rapport nader toegelicht en aangevuld dat hij de auto fysiek heeft opgenomen op 22 april 2021 om 17:53, dat het cabriodak niet meer werkte en dat er een deuk op de achterbumper zat.</para>
    <para />
    <para>24. Verweerder heeft verwezen naar het DRZ-rapport. Met betrekking tot het rapport van eiser merkt hij op dat tien minuten te kort is om de auto op te nemen en alle foto’s te maken en dat de opnametijd niet spoort met het tijdstip waarop de foto’s genomen zijn. Voorts is volgens verweerder sprake van essentiële gebreken aan de auto, te weten scherpe, uitstekende en loshangende delen en gebreken aan de veiligheidsgordels en langsdragers. Alsdan kan volgens verweerder niet gebruikgemaakt worden van de taxatiemethode. Hij verwijst in dit verband naar enige uitspraken van gerechtshoven.10</para>
    <para>25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft gesteld en de foto’s in het taxatierapport aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het opmaken van het taxatierapport essentiële gebreken vertoonde waardoor daarmee niet mocht worden deelgenomen aan het verkeer. Zolang die gebreken niet waren hersteld was de vaststelling van een vermindering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) op grond van artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021, Uitvoeringsregeling) verboden. Die regel is naar het oordeel van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.11 Het taxatierapport kan derhalve niet dienen voor de vaststelling van de vermindering. De rechtbank stelt vast dat ook het deskundigenrapport van 12 januari 2024 niet kan worden aangemerkt als taxatierapport in de zin van artikel 10, achtste lid, van de Wet bpm, onder meer omdat dit rapport niet bij de aangifte is gevoegd en niet is gebaseerd op een fysieke opname door de taxateur, maar op de foto’s van DRZ.</para>
    <para />
    <para>26. Verweerder heeft bepleit dat gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is, zodat moet worden teruggevallen op – in dit geval – de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid, van de Wet bpm vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensief tegenbewijs te belasten.12 Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad bevat aanwijzingen dat indien het taxatierapport niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden, de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode dan de taxatiemethode.13 Daar staat tegenover dat in gevallen als het onderhavige, waarin DRZ het motorrijtuig in kwestie heeft onderzocht en daarvan een rapport ‘Onderzoek waardebepaling’ heeft opgemaakt dat aan de naheffingsaanslag ten grondslag is gelegd, aan de inspecteur en de rechter gegevens ter beschikking staan aan de hand waarvan de werkelijke waarde van het motorrijtuig in kwestie kan worden vastgesteld. Zolang niet is gebleken dat het rapport van DRZ daartoe ongeschikt is, zou het in zodanige gevallen in strijd komen met artikel 110 van het VWEU om bij de bepaling van de vermindering niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.</para>
    <para />
    <para>27. Uit de foto’s die zijn gevoegd bij het DRZ-rapport blijkt dat de hiervoor bedoelde essentiële gebreken ten tijde van de schouw door DRZ waren verholpen. Volgens het DRZ-rapport is de auto in de tussentijd inderdaad ‘(uitgebreid) gerepareerd’ en ‘grotendeels hersteld’. Dit is ter zitting ook met zoveel woorden erkend door de heer [B] , die heeft verklaard dat eiser om voor hem onbekende redenen ervoor heeft gekozen de auto deels te laten herstellen. Dat betekent dat de eerder waargenomen essentiële gebreken de vaststelling van een vermindering aan de hand van het DRZ-rapport niet verhinderen.</para>
    <para />
    <para>28. Eiser heeft evenwel gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. Voor zover eiser al belang heeft bij deze klacht, verwerpt de rechtbank haar. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.14 Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ.</para>
    <para />
    <para>29. Vervolgens rijst de vraag of eiser aan de hand van het DRZ-rapport, de reactie daarop in het deskundigenrapport en de verklaringen van de heer [B] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering als gevolg van schade meer bedroeg dan vastgesteld door DRZ. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt immers mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.15 Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De heer [B] heeft de auto niet fysiek opgenomen in de conditie waarin die verkeerde ten tijde van de schouw door DRZ. Op de door de heer [B] aangewezen foto’s uit het DRZ-rapport lijkt inderdaad schade zichtbaar. Aan de hand van de beschikbare foto’s alleen kan de rechtbank echter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het meer dan normale gebruiksschade betreft, laat staan dat vervanging van onderdelen nodig is. Overigens heeft eiser dit gebrek in de bewijslevering zelf veroorzaakt door de auto uitgebreid te laten repareren tussen de fysieke opname door de heer [B] en de schouw door DRZ.</para>
    <para />
    <para>30. In het rapport van 12 januari 2024 wordt verder een permanente waardevermindering vanwege de inmiddels herstelde schade in aanmerking genomen voor een bedrag van € 7.500. De rechtbank acht deze waardevermindering niet aannemelijk gemaakt, omdat ze niet is onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">72% van de schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>31. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Zoals hiervoor overwogen draagt hij te dier zake de bewijslast. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om daaraan te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. Ook uit het rapport van 12 januari 2024 kan niet worden opgemaakt waarom meer dan 72% van de reparatiekosten in aanmerking zou moeten worden genomen.</para>
    <para />
    <para>32. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de door DRZ gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiser heeft zijn stelling dat te lage tarieven zijn gehanteerd niet met bewijs onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>33. Eiser heeft in zijn beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden toegepast. Hij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen.</para>
    <bridgehead role="italic">Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht</bridgehead>
    <para>34. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.16 In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.17 Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.18 Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.19 Eiser heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijke rente en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>35. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.20 Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>36. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd en de naheffingsaanslag dient conform het nog meer subsidiaire standpunt van eiser te worden verminderd tot € 4.823.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>37. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 3 augustus 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 19 augustus 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is dus afgerond 38 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 14 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 19 augustus 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, dient de overschrijding voor 7/14 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 7/14 aan de beroepsfase.</para>
    <para>38. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Daarvan dient € 750 door verweerder te worden vergoed en € 750 door de Staat.</para>
    <para />
    <para>39. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiser in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.248 in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624 en een wegingsfactor 1) en € 1.750 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para>41. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.21</para>
    <para />
    <para>42. De rechtbank zal verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2.</para>
      <para>[2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.</para>
      <para>[3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1-3.4.7.</para>
      <para>[4] HR 26 april 2023, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.</para>
      <para>[5] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1963.</para>
      <para>[6] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.</para>
      <para>[7] HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3.</para>
      <para>[8] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:732, r.o. 5.3.3.</para>
      <para>[9] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1.</para>
      <para>[10] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2840; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3446; Gerechtshof Den Haag 13 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1452 en Gerechtshof Den Haag 25 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1083.</para>
      <para>[11] HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.</para>
      <para>[12] Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31.</para>
      <para>[13] Zie met name HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.</para>
      <para>[14] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.2.</para>
      <para>[15] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.</para>
      <para>[16] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.</para>
      <para>[17] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.</para>
      <para>[18] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.</para>
      <para>[19] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6.</para>
      <para>[20] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.</para>
      <para>[21] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm  is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewijslastverdeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd dan wel verminderd. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige in het geval van vermindering de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Het Hof zal hierna beoordelen of belanghebbende aan die bewijslast heeft voldaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.2.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.2.</nr>
        <para>De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens overweging 10 heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.3.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4 en HvJ EU 5 juli 2016, Arantas Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Zoals in het arrest HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA tegen Rete Ferroviaria Italiana SpA, ECLI:EU:C:2021:799, is overwogen, nemen de nationale rechterlijke instanties daarbij nauwlettend deel aan de juiste toepassing en de uniforme uitlegging van het Unierecht. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Hof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:16384).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, ook nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, BNB 2019/92). Ook deze stelling van belanghebbende faalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heffingsmodaliteiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde, personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 110 VWEU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.5.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 110 van het VWEU, meer specifiek omdat het opleggen van de naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel. Deze stelling van belanghebbende wordt verworpen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.2.</nr>
        <para>Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 10 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393).</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">CO2-uitstoot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot van de auto niet 190 g/km (WLTP), maar 152 g/km (NEDC) bedraagt, gelijk aan die van het referentievoertuig met kenteken K004ZP. Belanghebbende miskent hiermee dat voor de CO2-uitstoot moet worden uitgegaan van de auto zelf (161 g/km NEDC) en niet van een referentieauto die een afwijkende uitstoot heeft. Het Hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de CO₂-uitstootwaarde van 161 g/km, zoals ook vermeld in bevindingen van de RDW en DRZ. De referentieauto heeft een lagere (bruto) catalogusprijs. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitstoot van de auto lager is. Het Hof neemt hierbij ook in aanmerking dat volgens openbaar toegankelijke informatie op de website van de RDW het referentievoertuig een andere uitvoering betreft, namelijk CZAA04AA, dan die van de auto van belanghebbende, CZAB04AA, en dat de Milieuklasse EG Goedkeuring van het referentievoertuig niet is geregistreerd.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Belanghebbende klaagt in hoger beroep erover dat de Rechtbank de historische nieuwprijs heeft vastgesteld op € 97.457, maar dat de juiste historische nieuwprijs € 97.607 bedraagt gelijk de in de berekening van de Inspecteur vermelde ‘PGA-waarde’ (naar het Hof begrijpt: de waarde die wordt gehanteerd voor het bepalen van de bijtelling voor het privégebruik van een auto).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>De Inspecteur stelt dat vanwege het niet kunnen vaststellen, omdat de netto catalogusprijs niet bekend is, van een historische nieuwprijs en omdat de taxatiemethode niet meer aan de orde is, had moeten worden nageheven op grond van de tabel. Het Hof volgt de Inspecteur niet. DRZ heeft de taxatiemethode toegepast en de Inspecteur heeft de taxatie van DRZ gevolgd tot in hoger beroep. De Inspecteur heeft ook geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het geeft dan geen pas in hoger beroep te stellen dat de taxatiemethode niet meer van toepassing is, te meer daar de voorhanden zijnde gegevens van DRZ voorshands voldoende zijn om de eventueel nog door belanghebbende verschuldigde bpm te bepalen. Het Hof sluit zich aan bij de gronden en het oordeel van de Rechtbank in overweging 26 van haar uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>De klacht van belanghebbende slaagt. Ook de optelsom van de netto catalogusprijs (€ 67.820), 21% omzetbelasting (€ 14.242) en de bruto bpm (€ 15.545) leidt tot de vermelde waarde van € 97.607. De Inspecteur heeft niet verduidelijkt waarom desondanks van een lagere historische nieuwprijs zou moeten worden uitgegaan. Een en ander leidt tot € 11 minder (nog) verschuldigde bpm. De naheffingsaanslag dient derhalve te worden verminderd tot (€ 4.823 -/- € 11=) € 4.812.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schadeaftrek / schadeverleden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.11.1.</nr>
        <para>Voor zover de Inspecteur stelt dat moet worden teruggegrepen op de forfaitaire afschrijvingstabel of de koerslijstmethode, omdat het taxatierapport van de kant van belanghebbende niet kan dienen, overweegt het Hof, net als de Rechtbank, dat zolang niet is gebleken dat het rapport van DRZ ongeschikt is voor de waardebepaling van de auto, het in strijd zou komen met artikel 110 van het VWEU om bij de bepaling van de vermindering niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de forfaitaire afschrijvingstabel of de koerslijstmethode.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.11.2.</nr>
        <para>Bij de schouw door DRZ is meer dan normale gebruiksschade aan de auto geconstateerd van € 4.825, waarvan (72% =)  € 3.474 in aanmerking is genomen. Het Hof is met de Rechtbank, in rechtsoverweging 29 van haar uitspraak, van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, met het door hem ingediende taxatierapport, voor zover het al kan dienen, en wat hij verder heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een hoger bedrag aan schade op het moment van registratie van de auto dient te worden uitgegaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.11.3.</nr>
        <para>Wat betreft het zijpaneel linksachter had het naar het oordeel van het Hof op de weg van (de taxateur van) belanghebbende gelegen het feitelijk gepleegde herstel met fotomateriaal toe te lichten. Het enkele wijzen op de foto die DRZ heeft beoordeeld en stellen dat het paneel niet nieuw is, maar is hersteld en dat DRZ een laagdiktemeting/lakdiktemeting had moeten uitvoeren, is daartoe onvoldoende. De taak van DRZ behelst niet meer dan het in opdracht van de Inspecteur beoordelen of de in een taxatierapport van de zijde van de belastingplichtige opgevoerde schade daadwerkelijk aanwezig is ten tijde van de registratie van een personenauto.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.11.4.</nr>
        <para>Ook wat betreft het cabriodak (de softtop) heeft belanghebbende onvoldoende  voldaan aan de stelplicht en de bewijslast. Het Hof constateert op de foto’s van DRZ ducttape onderaan aan de achterkant van het cabriodak, maar wat het betekent kan het Hof, bij gebreke van objectieve aanknopingspunten, niet afleiden uit de gedingstukken. Het rapport van DRZ vermeldt niets erover. Uit de gedingstukken blijkt niet of het cabriodak moet worden vervangen of dat het nog moet worden gerepareerd. Ook ter zitting is hierover geen duidelijkheid verschaft. Het had derhalve op de weg van belanghebbende gelegen een en ander toe te lichten. De gemachtigde en de taxateur van belanghebbende hebben ter zitting ook niet concreet aangevoerd welk bedrag in aanmerking moet worden genomen voor de gestelde schade aan het cabriodak en het is opmerkelijk dat op de foto van het cabriodak in het taxatierapport van de kant van belanghebbende geen ducttape valt te ontdekken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.11.5.</nr>
        <para>Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat door DRZ in aanmerking is genomen in overeenstemming is met het Unierecht en betoogt dat 100% van de schade in aftrek moet worden gebracht. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.11.6.</nr>
        <para>Het Hof is tevens met de Rechtbank, in overweging 30 van haar uitspraak, van oordeel dat belanghebbende een permanente waardevermindering niet aannemelijk heeft gemaakt.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ex-rental</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">DRZ</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.13.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.2.</nr>
        <para>Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin wordt gebruikgemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.3.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt voorts dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Het Hof verwerpt deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022):</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De hiervoor geciteerde bepaling biedt voldoende wettelijke grondslag voor de controle. De tekst laat ook geen twijfel erover bestaan dat de regelgever wel degelijk de bevoegdheid heeft om desbetreffende maatregelen te treffen in de Uitvoeringsregeling bpm. Het Hof twijfelt niet eraan dat de controle door DRZ op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Of de aanbestedingsprocedure al dan niet juist is verlopen, is voor de onderhavige procedure niet van belang.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.4.</nr>
        <para>Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving – te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.5.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft in hoger beroep verklaard dat het goed zou zijn als de medewerker van DRZ die betrokken is geweest bij de waardebepaling van de auto zou worden gehoord. Het Hof oordeelt over deze als bewijsaanbod opgevatte mededeling als  volgt. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het Hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat hij de heer [C] per e-mail heeft opgeroepen, maar geen reactie heeft gekregen. Op grond van artikel 8:60, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een partij een getuige meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot oproepen. Die partij moet dat uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij meedelen met vermelding van naam en woonplaats. Dat belanghebbende van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico. Het belang van een doelmatige procesgang weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het aangeboden bewijs. Het Hof passeert daarom het bewijsaanbod. Het Hof ziet ook geen aanleiding zelf een medewerker van DRZ op te roepen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Rentevergoeding over teruggaaf</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Voor vergoeding van rente over de vermindering van de naheffingsaanslag dient belanghebbende zich tot de ontvanger te wenden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortijdige heffing van griffierecht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.15.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.15.2.</nr>
        <para>De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het VWEU een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.15.3.</nr>
        <para>Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):</para>
        <para>- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;</para>
        <para>- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en</para>
        <para>- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.15.4.</nr>
        <para>Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Vergoeding van (im)materiële schade</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd, en evenmin dat daarnaast nog recht bestaat op een “bonus”. Voor het hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, niet is verstreken. Voor zover belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft hij de gestelde schade niet onderbouwd. Daarbij is gelet op al het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hoger beroep is gegrond.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 453,50, berekend als volgt: (2 punten x € 907 x 1 (gewicht van de zaak) x 0,25). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest EU een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te worden vergoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de naheffingsaanslag,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar ter zake van de naheffingsaanslag,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.812,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 453,50,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 279 aan griffierecht te vergoeden,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente ten aanzien van de (proces)kosten en het griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>L. van den Bogerd	H.A.J. Kroon</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>