<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2789</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-11T10:04:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/683</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:8931" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:8931, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026011910</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2026/89</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0150</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2026/8.1.1</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2789">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2789</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-19T10:46:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2789 Gerechtshof Den Haag , 04-06-2025 / BK-24/683</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2789:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 8:42 Awb. Niet aannemelijk dat de Inspecteur over meer stukken beschikt dan het strafvonnis met bijlagen. Geen schending van het una via-beginsel en motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en geen sprake van onbehoorlijk bestuur of een fishing expedition. Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaak tot het vermogen van belanghebbende behoort. Belanghebbendes beroep op de arresten van de Hoge Raad inzake het werkelijk rendement, faalt wegens gebrek aan inzicht in het behaalde werkelijk rendement. Hoger beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2789:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-24/683</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 4 juni 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 juni 2024, nummer SGR 23/975.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is over het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.473 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 346 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag 2018 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.298. De rentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank: <?linebreak?>- verklaart het beroep gegrond;<?linebreak?>- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand;<?linebreak?>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;<?linebreak?>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.025;<?linebreak?>- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft op 19 juli 2024 een nader stuk van belanghebbende ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 april 2025. Belanghebbende is verschenen. De Inspecteur heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Na de zitting heeft belanghebbende een nader stuk met dagtekening 1 april 2025 aan het Hof gezonden, zoals besproken ter zitting. Het Hof heeft een afschrift van het nader stuk aan de Inspecteur gezonden. Daarnaast heeft belanghebbende een nader stuk met dagtekening 3 april 2025 aan het Hof gezonden. Dit nadere stuk geeft geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.1.</nr>
      <para>Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 mei 2019 (het strafvonnis) is belanghebbende schuldig bevonden aan het plegen van gewoontewitwassen. In het strafvonnis overweegt de Rechtbank Rotterdam , voor zover hier van belang, het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="underline">Inleiding</emphasis></para>
        <para>[Belanghebbende] heeft in de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 juli 2016 - kort gezegd - telkens (grote) contante stortingen, van in totaal € 1.560.200,-, gedaan op zijn (zakelijke) bankrekeningen. Deze geldbedragen heeft hij vervolgens overgemaakt naar een aantal notarissen en met dit geld telkens hypothecaire geldleningen verstrekt ten behoeve van de aankoop van vier panden (zaaksdossiers [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] ).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">
            [adres 4]
          </emphasis>
        </para>
        <para>[Belanghebbende] heeft op 23 januari 2008 bij een executoriale veiling het pand aan de [adres 4] te [woonplaats 1] verkregen voor een bedrag van € 1.040.000,-. [Belanghebbende] heeft op 24 juli 2008 de onderneming [Ltd. 1] opgericht. [Belanghebbende] was de uiteindelijk belanghebbende van [Ltd. 1] . [Belanghebbende] heeft het pand aan de [adres 4] vervolgens op 4 september 2008 doorverkocht aan [Ltd. 1] en tevens een hypothecaire lening ter hoogte van € 1.103.460,- ten behoeve van de koop van het pand verstrekt aan het bedrijf. (…) Noch in de administratie van [Ltd. 1] , noch in de bankmutaties van de rekening van [Ltd. 1] werden aanwijzingen of geldstromen aangetroffen (zoals aflossing, kosten) die in verband konden worden gebracht met deze hypothecaire lening. [Ltd. 1] is op 9 november 2010 opgeheven. In de aangifte inkomstenbelasting van 2013 heeft [belanghebbende] de hypothecaire lening voor het pand aan de [adres 4] afgewaardeerd naar € 0,-.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">
            [adres 1]
          </emphasis>
        </para>
        <para>Op 17 december 2009 heeft [naam 1] een pand aan de [adres 1] te [woonplaats 2] gekocht voor een bedrag van € 600.000. [Belanghebbende] heeft (‘privé’) aan [naam 1] een geldlening met hypothecaire zekerheid verstrekt voor een bedrag van € 637.389,55 ten behoeve van dit pand. [Belanghebbende] is de hypotheekhouder en [naam 1] is de hypotheekgever. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">
            [adres 2] en [adres 3]</emphasis>
        </para>
        <para>Door [Ltd. 2] is op 26 oktober 2011 het pand aan de [adres 2] aangekocht voor een bedrag van € 150.000 en op 31 januari 2012 het pand [adres 3] voor een bedrag van € 90.000. [Belanghebbende] was van 5 oktober 2011 tot 29 november 2013 bestuurder(/directeur) van [Ltd. 2] Door [belanghebbende] zijn twee hypothecaire geldleningen vertrekt aan [Ltd. 2] , namelijk een bedrag van € 160.609,98 voor de koop van een pand aan de [adres 2] te [woonplaats 3] en een bedrag van € 94.933,42 voor de koop van het pand [adres 3] te [woonplaats 3] . (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verhullen/verbergen rechthebbende</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht voorts bewezen dat [belanghebbende] van het pand aan de [adres 4] heeft verborgen en heeft verhuld wie de werkelijke rechthebbende was. [Belanghebbende] heeft het pand gekocht op de veiling en kort daarna, voor dezelfde prijs, doorverkocht aan de [buitenlandse] rechtspersoon [Ltd. 1] Bij die doorverkoop is zelfs geen rekening gehouden met bijkomende kosten van de verkrijging, zoals de veilingkosten. [Belanghebbende] was directeur van die rechtspersoon, zodat hij de feitelijke zeggenschap had binnen deze rechtspersoon. Hoewel hij stelt dat [naam 1] sr. uiteindelijke de rechthebbende was op (de aandelen van) [Ltd. 1] , is door [belanghebbende] niets naar voren gebracht wat die stelling ook maar in de minste mate ondersteunt, terwijl hij als directeur toch inzicht moet hebben (gehad) op de gang van zaken binnen deze rechtspersoon. [Belanghebbende] heeft bovendien in een schriftelijke verklaring ten overstaan van de [Bank] verklaard dat <emphasis role="italic">hij</emphasis> de rechthebbende was van de aandelen van [Ltd. 1] Verder is zeer opvallend dat nadien geen administratief bewijs is aangetroffen van betalingen/aflossingen door [Ltd. 1] aan [belanghebbende] ter zake van de verstrekte hypothecaire lening en die lening in 2013 door de [belanghebbende] geheel is afgewaardeerd. Dit in plaats van het uitoefenen door [belanghebbende] van zijn hypotheekrecht. Het nalaten van deze stap is nog opvallender in het licht van de stelling van [belanghebbende] dat [Ltd. 1] zou zijn “opgeheven”.</para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank wisselde het pand aan de [adres 4] dus slechts op papier van eigenaar.</para>
        <para>Hierdoor acht de rechtbank bewezen dat [belanghebbende] door zo te handelen het betreffende pand heeft witgewassen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.2.</nr>
      <para>Tegen het strafvonnis is hoger beroep ingesteld. Ten tijde van de zitting van het Hof was er nog geen uitspraak in het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit de gegevens van Companies House in het [buitenland 1] blijkt dat [Ltd. 1] op 9 november 2010 is opgeheven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 5 juli 2016 heeft het Openbaar Ministerie conservatoir beslag gelegd op bezittingen van belanghebbende voor een bedrag van € 2.543.926,78.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 op 23 juli 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.558 negatief en een belastbaar voordeel uit sparen en beleggen van € 0. Tot de aangegeven rendementsgrondslag behoort een door belanghebbende opgegeven schuld ter grootte van € 2.543.927.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij brief van 18 augustus 2021 heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij bij het opleggen van de aanslag is afgeweken van de aangifte IB/PVV 2018. In de brief is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld: 	</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018 beoordeeld. Ik ben van deze aangifte afgeweken. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. <emphasis role="bold">Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bezittingen: waarde bank-, giro- en spaartegoeden</emphasis>
      </para>
      <para>In de aangifte is geen bedrag aangegeven voor de waarde van de bank-, giro- en spaartegoeden. Uit mijn informatie blijkt dat de waarde van de bank-, giro- en spaartegoeden van uw fiscale partner en u op 1 januari 2018 € 19.578 moet zijn. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook op dit punt van de aangifte afgeweken met een bedrag van € 19.578.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bezittingen: waarde contant geld en vorderingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangifte is geen bedrag aangegeven voor de waarde van contante geld en vorderingen per 1 januari 2018. Gelet op de correcties van voorgaande jaren blijkt dat u de volgende vorderingen en hypothecaire leningen heeft verstrekt voor een waarde van € 1.665.373:</para>
      <para>- Een vordering van € 772.442 op [Ltd. 1] ;</para>
      <para>- Een hypothecaire lening van € 637.389 aan de heer [naam 1] voor de</para>
      <para>aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [woonplaats 2] ;</para>
      <para>- Een hypothecaire lening van € 160.609 aan [Ltd. 2] voor de</para>
      <para>aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 2] in [woonplaats 3] ;</para>
      <para>- Een hypothecaire lening van € 94.933 aan [Ltd. 2] voor de aankoop van de onroerende zaak aan de [adres 3] in [woonplaats 3] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U bent in beroep gegaan tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 waarin de rendementsgrondslag van box 3 is gecorrigeerd. In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag is de hoogte van de vordering vastgesteld op 70% van de nominale waarde. Op 29 oktober 2020 heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Op 30 januari 2021 bent u tegen de uitspraak van het Hof in cassatie gegaan. Omdat de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, ben ik voornemens het huidige standpunt van de Belastingdienst te volgen. Uit het bovenstaande blijkt dat u in 2018 € 1.665.373 aan vorderingen heeft. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook op dit punt van de aangifte afgeweken met een bedrag van € 1.665.373.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schulden: opvragen specificatie</emphasis>
      </para>
      <para>U vermeldt een bedrag van € 2.543.927 als waarde op 1 januari 2018 voor</para>
      <para>schulden. Ik heb u gevraagd om onderliggende stukken. U heeft bovengenoemde</para>
      <para>niet kunnen aantonen met onderliggende stukken. Daarom ben ik op dit punt van</para>
      <para>de aangifte afgeweken met een bedrag van 2.543.927. (…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De aanslag 2018 is met dagtekening 9 september 2021 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.473. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Hoorrecht bezwaarfase</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser heeft in zijn brief met dagtekening 27 oktober 2021 met aanvullende gronden van zijn bezwaar verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven dat eiser niet heeft gereageerd op zijn e-mail van 22 april 2022 waarin twee mogelijke data met tijd zijn voorgesteld voor het houden van een hoorgesprek. Deze enkele mededeling in de uitspraak op bezwaar is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht om een hoorzitting met eiser te laten plaatsvinden of dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord.[1] Dit betekent dat de hoorplicht naar het oordeel van de rechtbank is geschonden.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en beoordelen of de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand kunnen blijven. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan het verzoek van eiser om terugwijzing van de zaak om alsnog te kunnen worden gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat 1) eiser heeft verzocht om een terugwijzing onder specifieke voorwaarden, te weten verwijzing naar een bezwaarbehandelaar (buiten de regio [woonplaats 3] ); 2) op de zeer gecompliceerde en ontwrichte onderlinge verhouding tussen eiser en verweerder en 3) het feit dat eiser zowel in zijn (aanvullende) beroepschrift(en) als tijdens de inhoudelijke behandelingen zijn standpunten heeft kunnen verdedigen. De rechtbank zal verweerder wel opdragen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inzagerecht en op de zaak betrekking hebbende stukken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Verweerder heeft gesteld dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voor de blote stelling van eiser dat de reden van het achterhouden van de stukken is dat hieraan bij verweerder, volgens eiser, een zeer ernstige vorm van (institutioneel) racisme richting eiser</para>
    <parablock>
      <para>en de moeder van zijn vier minderjarige kinderen ten grondslag ligt, is niet onderbouwd en de rechtbank heeft hiervoor ook geen aanknopingspunten kunnen vinden. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze stelling. Eiser heeft zijn stelling dat verweerder betrokken is geweest bij de opheffing van de Limited eveneens niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat hier geen stukken van zijn. Hetzelfde geldt voor stukken over de door eiser vermeende samenspanning tussen verweerder en het OM. Daarbij heeft eiser onvoldoende onderbouwd hoe documentatie van een AAFD melding aan de FIOD, de strafrechtelijke aangifte van de Belastingdienst tegen eiser en strategische informatie omtrent de strafrechtelijke en fiscale behandeling van deze zaak, voor zover dergelijke stukken er al zijn, relevant kunnen zijn voor de boordeling van de (nog voorliggende) geschilpunten. Dit zijn naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank dan ook geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook met betrekking tot de volgens eiser op 22 juli 2015 door mevrouw [naam 2] aan de politie verstrekte stukken is niet duidelijk geworden in hoeverre deze stukken relevant zijn voor de beoordeling van de onderliggende geschilpunten. Deze stukken zijn dan ook eveneens geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Met betrekking tot de inkomstenbelastingaangifte van de heer [naam 1] over het jaar 2018, merkt de rechtbank op dat ook dit, om dezelfde reden, geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, overigens heeft eiser ter zitting van 11 april 2024 zelf een afschrift hiervan verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Box 3</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. De Hoge Raad heeft in het kerstarrest voor de jaren 2017 en 2018 geoordeeld dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP in combinatie met artikel 14 EVRM, indien de heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een adequate rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad voorziet in het door hem berechte geval in rechtsherstel door te bepalen dat voor die jaren alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken.</para>
    <para />
    <para>11. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718, BNB 2022/103, dient de rechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.</para>
    <para />
    <para>12. Uit zowel het kerstarrest (rechtsoverweging 3.3.3) als het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2O22:7I8, BNB 2022/103) en de conclusie van A-G Niessen bij dat laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2022:180, onder 5.20) leidt de rechtbank af dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. De bewijslast daarvan rust in beginsel op de belastingplichtige.[2]</para>
    <para />
    <para>13. Verweerder heeft het standpunt ingenomen, onder verwijzing naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam waarbij eiser is veroordeeld voor witwassen[3], dat eiser de volgende vermogensbestanddelen in zijn aangifte had moeten opnemen: Waarde onroerende zaken </para>
    <para>- [adres 4] : € 618.000 </para>
    <para>- Hypothecaire vordering [naam 1] ( [adres 1] ): € 637.389</para>
    <para>- Hypothecaire vorderingen [Ltd. 2]</para>
    <para>-	( [adres 2] en [adres 3] ) (€ 160.609 + € 94.933=): € 255.542</para>
    <para>En dat - zo volgt althans uit de uitspraak op bezwaar - 50% van deze vermogensbestanddelen aan eiser toegerekend kan worden. Op grond waarvan de grondslag sparen en beleggen moet worden vastgesteld op € 30.298.</para>
    <para />
    <para>14. Verweerder heeft verder gesteld, eveneens onder verwijzing naar het strafvonnis</para>
    <parablock>
      <para>van de Rechtbank Rotterdam[4], dat eiser over de volgende huurinkomsten en rente heeft</para>
      <para>beschikt: </para>
    </parablock>
    <para>- [adres 5] , [woonplaats 4] : € 14.365 (2008);</para>
    <para>- [adres 4] [woonplaats 1] : € 16.000 (2008), € 85.333 (2009) en € 96.000</para>
    <para>(2010);</para>
    <para>- [adres 1] [woonplaats 2] : € 31.869 (2008);</para>
    <para>- [adres 2] [woonplaats 3] € 8.030 (2008);</para>
    <para>- [adres 3] : € 4.746 (2008).</para>
    <parablock>
      <para>Welke huurinkomsten volgens verweerder in de loop der jaren alleen maar zijn toegenomen</para>
      <para>en daarmee in 2018 meer bedroegen dan € 30.298.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Eiser heeft daarentegen gesteld dat het werkelijk rendement nihil is, aangezien hij niet over vermogen beschikte, omdat er door het Openbaar Ministerie (conservatoir) beslag van € 2.543.927 is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel en hij geen rente heeft ontvangen over de afgeloste en desnoods kwijtgescholden hypotheken.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat de door verweerder gestelde vermogensbestanddelen door eiser op zichzelf niet worden betwist, maar dat volgens eiser verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gelegde beslagen. De stelling van eiser dat bij de vaststelling van het box 3-inkomen rekening moet worden gehouden met de (conservatoire) beslagleggingen van het Openbaar Ministerie, faalt. Indien op een zaak beslag is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, beïnvloedt dit de waarde in het economisch verkeer van die zaak niet. Evenmin kan het beslag in aanmerking worden genomen als een schuld.[5] De verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland kan eiser niet baten omdat in die procedure in cassatie is geoordeeld dat een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking kan worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.[6] Niet gebleken is dat daar op 1 januari 2018 sprake van was. Overigens is door eiser niets onderbouwd aangevoerd en is de rechtbank dit ook niet gebleken, dat de gelegde beslagen in weg stonden aan het ontvangen van de huur- en rente-inkomsten door eiser.</para>
    <para />
    <para>17. Eiser heeft ook geen bewijsstukken ingebracht, waaruit blijkt dat hij in 2018 geen rente- en/of huurinkomsten heeft ontvangen, waarmee hij zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een werkelijk rendement van nihil heeft genoten.</para>
    <para />
    <para>18. Wat eiser voor het overige nog naar voren heeft gebracht brengt hierin geen verandering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten onrechte of op onjuiste wijze (geen) rekening heeft gehouden met de leegwaarderatio bij de bepaling van de waarde van de [adres 4] en [adres 5] . Verweerder kon uitgegaan van de WOZ-waarde van de [adres 4] per 1 januari 2018, welke onherroepelijk vaststaat, nu daartegen door eiser geen bezwaar is gemaakt. De waarde van de [adres 5] is in onderhavige procedure geen geschilpunt, nu verweerder de waarde niet heeft gebruikt voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Zelfs indien, zoals eiser stelt, verweerder ten onrechte [adres 6] niet heeft opgenomen in de opstelling ter zake [Ltd. 2] , dan nog ziet de rechtbank niet in hoe dit eiser in een betere fiscale positie kan brengen. De stellingen van eiser dat de Belastingdienst een vordering op hem heeft van € 515.474.-, dat eiser niet (meer) de eigenaar is van het vastgoed en niet (meer) de UBO van Limiteds is door eiser niet onderbouwd met bewijsstukken, waardoor de rechtbank hieraan voorbij gaat. De rechtbank heeft dan ook geen reden om het voordeel uit sparen en beleggen lager vast te stellen dan € 30.298.</para>
    <para />
    <para>19. Het vorenstaande neemt niet weg dat de rechter de aanslag nog wel moet verminderen indien sprake is van een individuele en buitensporige last. Van een individuele en buitensporige last is sprake, indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.[7] Eiser heeft hierover geen afzonderlijke gemotiveerde gronden aangevoerd en ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een buitensporige last. De rechtbank ziet aldus geen aanleiding om de aanslag te verminderen. De rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar laat de rechtbank dan ook in stand.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Motiveringsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>20. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar naar behoren gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn opvatting dat verweerder bij het doen van de uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Dat eiser het met de onderbouwing van verweerder niet eens is, maakt niet dat van een deugdelijke motivering geen sprake is. Voorts is de rechtbank niet van strijd met enig ander rechtsbeginsel gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overige</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>21. Al hetgeen overigens is gesteld en aangevoerd door eiser leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Zo is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen en opleggen van de aanslag zich schuldig heeft gemaakt aan institutioneel racisme of het uiten van (onterecht) beschuldigingen van mensenhandel door eiser of de moeder van zijn vier kinderen. Ook overigens zijn naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de heffingsambtenaar geacht kan worden in strijd te hebben gehandeld met Nederlandse en - zo al toepasselijk - Europese wet- en regelgeving. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rentebeschikking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen gronden ingebracht. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Nu de beroepsgronden tegen de onderhavige aanslag geen doel treffen, blijft de rentebeschikking in stand.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoek schadevergoeding van € 25.000</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding van € 25.000 vanwege de wijze waarop de gehele procedure is verlopen en de manier waarop hij door verweerder is behandeld. Op grond van artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is titel 8.4 van de Awb niet van toepassing op besluiten van de Belastingdienst inzake de inkomstenbelasting. Voor dergelijke besluiten blijft artikel 8:73 van de Awb van toepassing. Voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding is dat de schade aannemelijk wordt gemaakt en dat deze in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij als gevolg van dat besluit aan verweerder kan worden toegerekend. De rechtbank verklaart het beroep weliswaar gegrond (vanwege de schending van het hoorrecht), maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand, zie r.o. 19. Ook zal de rechtbank opdracht geven aan verweerder om de griffierechten aan eiser terug te betalen. Eiser heeft verder onvoldoende geconcretiseerd wat voor schade hij heeft geleden en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn. De rechtbank wijst het verzoek om een materiële schadevergoeding daarom af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verzoek om vergoeding van immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>24. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan door termijnoverschrijding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005.[8] De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht.[9] Behoudens in geval van</para>
    <para>bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een halfjaar toe aan de bezwaarfase. Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 september 2021. Verweerder heeft met dagtekening 24 december 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. Nu op 6 juni 2024 door de rechtbank uitspraak is gedaan, is vanaf het indienen van het bezwaarschrift een periode van 2 jaar en (afgerond) 9 maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsfase met 9 maanden. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 1.000 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een halfjaar). De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.000 te vergoeden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:HR:2009:BI3751.</para>
      <para>[2] Onder meer: ECLI:NL:GHDHA:2024:336 en ECLI:NL:GHDHA:2024:327.</para>
      <para>[3] Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-15</para>
      <para>[4] Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-15.</para>
      <para>[5] ECLI:NL:HR:2008:BG4235.</para>
      <para>[6] ECLI:NL:HR:2022:1707.</para>
      <para>[7] ECLI:NL:HR:2010:BK3103.</para>
      <para>[8] ECLI:NL:HR:2005:A09006.</para>
      <para>[9] ECLI:NL:HR:2022:l128.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, of het inkomen uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag is vastgesteld, of sprake is van een “fishing expedition” en of het una via-beginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, zijn geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op de zaak betrekking hebbende stukken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat in het dossier diverse relevante stukken ontbreken, welke door de Inspecteur in het geding hadden moeten worden gebracht. In het navolgende zal het Hof beoordelen of de door belanghebbende genoemde stukken kwalificeren als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren alle stukken die de Inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2). Ter zitting heeft belanghebbende allereerst gesteld dat ten onrechte geen stukken zijn verstrekt die zien op het fiscale compromis dat met de Inspecteur is overeengekomen ten aanzien van de zaak waarin de hoogte van de aanslag IB/PVV 2016 in geschil was, welke zaak eveneens betrekking had op (een aantal van) de in de onderhavige zaak voor de vaststelling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen betwiste vermogensbestanddelen. De Inspecteur heeft evenwel gemotiveerd betwist dat hij een fiscaal compromis heeft gesloten. Hij heeft zich slechts bereid betoond om bij het definitieve vonnis in de thans nog lopende strafrechtelijke hogerberoepsprocedure (tegen het strafvonnis) aan te sluiten in de relevante aanslagen IB/PVV. Er is derhalve geen sprake van over te leggen stukken die betrekking hebben op een fiscaal compromis, aldus de Inspecteur. Het Hof ziet – mede gelet op het feit dat belanghebbende geen enkel bewijs heeft aangeleverd ter zake van het bestaan van het beweerdelijk gesloten compromis, hetgeen, nu het een compromis met betrekking tot een aan hem opgelegde aanslag IB/PVV betreft, op zijn weg had gelegen – geen aanleiding om aan deze toelichting van de Inspecteur te twijfelen, zodat geen grond bestaat om aan te nemen dat hem in zoverre stukken ter beschikking staan of hebben gestaan die op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Belanghebbende betoogt ook dat de fiscale dossiers waarop de strafvonnissen tegen belanghebbende (zie 2.1.1) en tegen [naam 1] zijn gebaseerd, door de Inspecteur had moeten worden ingebracht. Dat geldt eveneens voor de stukken die de politie van de FIOD/Belastingdienst heeft gevorderd en de communicatie daaromtrent, waaruit onder meer de betrokkenheid van belanghebbende bij diverse vennootschappen zou blijken.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft in hoger beroep ter zitting verklaard dat hij alleen beschikt over het strafvonnis van belanghebbende en de bijbehorende bijlagen en dat hem verder geen stukken ter beschikking staan of hebben gestaan. Het Hof ziet evenmin aanleiding om aan deze verklaring van de Inspecteur te twijfelen. In dit verband merkt het Hof op dat de Inspecteur en de FIOD op grond van artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 afzonderlijke bestuursorganen zijn. Stukken van de FIOD staan derhalve in beginsel niet aan de Inspecteur ter beschikking (zie HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995, BNB 2021/160, r.o. 2.3.1 en 2.3.2). De Inspecteur is evenmin gehouden tot het opvragen van deze stukken, ook al is hij bekend met het bestaan ervan (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226, r.o. 3.3.1.3). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Belanghebbende bepleit verder dat alle interne en externe communicatie tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie waarin strategische informatie omtrent de strafrechtelijke en fiscale behandeling van belanghebbende wordt vermeld, in het geding moet worden gebracht. Belanghebbende verwijst daarbij naar een ter zitting overgelegde bijlage, waaruit blijkt dat de voornoemde stukken, naar aanleiding van een verzoek van belanghebbende tot verstrekking van gegevens, tot geheimhoudingsstukken op grond van artikel 8:29 Awb zijn aangemerkt en om die reden niet aan belanghebbende zijn verstrekt. Voor zover zodanige stukken al aan de Inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan (hetgeen hij gemotiveerd heeft betwist), heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof onvoldoende gespecificeerd hoe deze stukken verband houden met de onderhavige zaak en op welke wijze de stukken van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van de thans voorliggende geschilpunten. Ook in zoverre is derhalve geen sprake van een inbreuk op artikel 8:42, lid 1, Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Ter zitting heeft belanghebbende ook betoogd dat alle communicatie met [medewerker Belastingdienst] , werkzaam bij de Belastingdienst, dient te worden verstrekt door de Inspecteur. Volgens belanghebbende is [medewerker Belastingdienst] betrokken geweest bij de opheffing van [Ltd. 1] en bij de uitschrijving van [Ltd. 1] bij de Kamer van Koophandel. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat de werkzaamheden van [medewerker Belastingdienst] bij de Belastingdienst bestaan uit het controleren of Limiteds die in de Kamer van Koophandel met een Nederlands fiscaal nummer zijn ingeschreven ook zijn ingeschreven bij Companies House in het [buitenland 1] . Indien de desbetreffende Limited niet (meer) bij Companies House in het [buitenland 1] is ingeschreven, draagt [medewerker Belastingdienst] zorg ervoor dat de desbetreffende Limited bij de Kamer van Koophandel wordt uitgeschreven, aldus de Inspecteur. Voorts verklaart de Inspecteur nogmaals dat hem niet meer stukken ter beschikking staan of hebben gestaan dan welke reeds in het geding zijn gebracht. Het Hof ziet, mede gelet op de hiervoor weergegeven omschrijving van de werkzaamheden van [medewerker Belastingdienst] , die geen betrekking hebben op de vaststelling van de aanslag 2018, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de Inspecteur. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat alle communicatie die door de Inspecteur is gevoerd met betrekking tot de inkeerregeling die door [naam 2] , de partner van belanghebbende, is gedaan ten aanzien van de bestreden vermogensbestanddelen, alsmede de communicatie die de Inspecteur als lid van het team Externe Overheidssamenwerking heeft gevoerd over belanghebbende en de bestreden vermogensbestanddelen, dient te worden verstrekt. Belanghebbende heeft echter, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende gespecificeerd op welke wijze voornoemde informatie van belang zou kunnen zijn voor de beslechting van de onderhavige geschilpunten. Het betoog van belanghebbende faalt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inkomen uit sparen en beleggen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft op basis van informatie uit het in 2.1.1 vermelde strafvonnis met bijlagen, onder andere de onroerende zaak aan de [adres 4] te [woonplaats 1] voor een bedrag van € 618.000 tot de “overige bezittingen” van belanghebbende in box 3 gerekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Uit het in 2.1.1 vermelde strafvonnis blijkt dat de onroerende zaak aan de [adres 4] te [woonplaats 1] ( [adres 4] ) aanvankelijk door belanghebbende was gekocht en op 4 september 2008 is doorverkocht aan [Ltd. 1] , welke entiteit door belanghebbende op 24 juli 2008 is opgericht. Ten aanzien van de doorverkoop heeft belanghebbende een geldlening aan [Ltd. 1] verstrekt van € 1.103.460. De Rechtbank heeft in het in 2.1.1 genoemde strafvonnis geoordeeld dat voornoemde onroerende zaak slechts op papier van eigenaar is gewisseld en er ook geen feitelijke betalingen hebben plaatsgevonden van de verplichtingen uit de hypothecaire geldlening, waardoor sprake zou zijn van een schijnconstructie. Op basis daarvan stelt de Inspecteur dat belanghebbende in feite eigenaar is van de onroerende zaak aan de [adres 4] en de onroerende zaak tot zijn bezittingen in box 3 dient te worden gerekend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in algemene zin naar voren gebracht dat de Inspecteur de aanslag 2018 niet mocht baseren op het strafvonnis (ze 2.1.1), omdat dit een achterhaalde uitspraak zou betreffen waartegen nog hoger beroep loopt. Naar het oordeel van het Hof kan deze grief niet slagen. De Inspecteur is vrij in de keuze van de bewijsmiddelen die hij nuttig acht om aan een op hem rustende bewijslast te voldoen. Nu hij zich op het strafvonnis heeft beroepen, is het aan het Hof om de bewijskracht daarvan in deze belastingzaak te beoordelen, voor zover de feitelijke geschilpunten daartoe nopen. Het enkele feit dat het strafvonnis nog niet onherroepelijk is geworden, ontneemt daaraan niet bij voorbaat iedere bewijskracht. Overigens begrijpt het Hof dat de Inspecteur bereid is aan de einduitkomst in hoger beroep (of cassatie) van de strafzaak gevolgen te verbinden voor de aanslag 2018. Het is op dit moment echter te vroeg om daarop vooruit te lopen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Belanghebbende betwist meer in het bijzonder dat hij eigenaar is van de onroerende zaak aan de [adres 4] . Van een schijnconstructie is geen sprake en de onroerende zaak is daadwerkelijk overgedragen aan [Ltd. 1] Belanghebbende stelt ook dat de onroerende zaak niet aan hem kan worden toegerekend op basis van de stelling dat hij UBO was van [Ltd. 1] , aangezien deze entiteit in het onderhavige belastingjaar reeds was opgeheven. Ter zitting verklaart belanghebbende dat de aandelen in [Ltd. 1] werden gehouden door [Ltd. 3] , waarvan de aandelen werden gehouden door [Ltd. 4] Daarboven bevond zich weer een [buitenland 2] vennootschap. Doordat deze gegevens openbaar raadpleegbaar zijn, kan door de Belastingdienst worden nagegaan wie de daadwerkelijke UBO is van voornoemde entiteiten, aldus belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Nu belanghebbende heeft betwist dat hij de eigenaar is van de onroerende zaak aan de [adres 4] , ligt het op de weg van de Inspecteur om aannemelijk te maken dat de onroerende zaak op 1 januari 2018 tot het vermogen van belanghebbende behoorde. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin niet geslaagd. Tot de stukken van het geding behoort een notariële akte van koop en levering van 4 september 2008, waarbij de onroerende zaak aan de [adres 4] door belanghebbende is geleverd aan [Ltd. 1] Op de laatste bladzijde van de akte staat een verklaring van het Kadaster dat de akte op dezelfde datum aldaar is ingeschreven. Noch uit de overwegingen in het strafvonnis noch uit de stellingen van de Inspecteur valt af te leiden waarom hiermee niet een geldige overdracht als bedoeld in artikel 3:89 van het Burgerlijk Wetboek zou zijn bewerkstelligd. Hetgeen is overwogen in het strafvonnis volstaat naar het oordeel van het Hof niet om voor de heffing van inkomstenbelasting vast te stellen dat belanghebbende en [Ltd. 1] in werkelijkheid hebben beoogd de eigendom van de onroerende zaak bij belanghebbende te laten blijven berusten en dat slechts naar de uiterlijke schijn sprake is geweest van een overdracht. Verder is gesteld noch gebleken dat het volledige economische belang bij de onroerende zaak na het tijdstip van levering bij belanghebbende is achtergebleven. Evenmin blijkt ergens uit dat de onroerende zaak vóór 1 januari 2018 zou zijn teruggeleverd aan belanghebbende – bijvoorbeeld in het kader van een vereffening van het vermogen van [Ltd. 1] Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat is gesteld noch gebleken dat belanghebbende aandeelhouder van die vennootschap was. De beroepsgrond slaagt derhalve. De onroerende zaak aan de [adres 4] kan in het onderhavige jaar bij belanghebbende niet tot de rendementsgrondslag worden gerekend. Aangezien tot de rendementsgrondslag geen andere onroerende zaken behoren, behoeven de grieven van belanghebbende met betrekking tot de WOZ-waarde en de leegwaarderatio geen behandeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft verder betoogd dat zijn hypothecaire vordering op [naam 1] , die de Inspecteur voor een bedrag van € 637.389 tot de rendementsgrondslag heeft gerekend, was afgelost. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 17 december 2009 een hypothecaire vordering op [naam 1] heeft verkregen. Het ligt op de weg van de Inspecteur om aannemelijk te maken dat deze vordering op 1 januari 2018 tot belanghebbendes vermogen behoorde. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin geslaagd, aangezien uit de stukken van het geding blijkt dat deze geldlening een looptijd heeft tot 17 december 2039 en in het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende onderzoek is gedaan naar deze vordering zonder dat aanwijzingen zijn gevonden dat voorafgaand aan 1 januari 2018 betalingen ter aflossing van de hypothecaire vordering hebben plaatsgevonden. Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht, namelijk dat de hypotheek inmiddels is doorgehaald, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat belanghebbende niet duidelijk heeft gemaakt wanneer dat zou zijn gebeurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft nog gesteld dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd op zijn bezittingen, zodat hij daarover niet de beschikking had. Het feit dat op een bezitting conservatoir beslag is gelegd vormt bij de vaststelling van de rendementsgrondslag echter niet een waardeverminderende factor en kan daarbij evenmin in aanmerking worden genomen als een schuld (zie HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4235, BNB 2009/5).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>Het vorenstaande brengt mee dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd tot € 16.801:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bank- en spaarrekeningen				€ 19.578</para>
        <para>Hypothecaire vordering [naam 1] ( [adres 1] )	€ 637.389</para>
        <para>Hypothecaire vorderingen [Ltd. 2]	<emphasis role="underline">€ 255.542</emphasis></para>
        <para>Rendementsgrondslag					€ 912.509</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Toerekening belanghebbende (50/50)			€ 456.254</para>
        <para>Af: heffingvrije vermogen				<emphasis role="underline">€ 30.000</emphasis></para>
        <para>Grondslag sparen en beleggen				€ 426.254</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Berekening rendement:</para>
        <para>0,36% van € 47.436 (67% van € 70.800)			€ 170</para>
        <para>5,38% van € 23.364 (33% van € 70.800)			€ 1.256</para>
        <para>0,36% van € 74.645 (21% van € 355.454)		€ 268</para>
        <para>5,38% van € 280.808 (79% van € 355.454)		<emphasis role="underline">€ 15.107</emphasis></para>
        <para>Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen:		€ 16.801	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>Het Hof merkt op dat toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 in dit geval niet tot een verdere vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 leidt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Werkelijk rendement</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de aan hem opgelegde box 3-heffing in 2018 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zulks onder verwijzing naar HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>De belastingplichtige die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, dient feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt wat de omvang is van dat werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3 (zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84 en HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, BNB 2024/85).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt wat zijn werkelijke rendement in het belastingjaar 2018 is geweest. Het feit dat conservatoir beslag is gelegd onder belanghebbende betekent ook niet dat hij geen inkomsten meer heeft kunnen behalen uit de beslagen vermogensbestanddelen. De beroepsgrond faalt derhalve. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Una via-beginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <para>Ter zitting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het una via-beginsel is geschonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22.</nr>
      <para>Het Hof kan deze stelling van belanghebbende niet volgen. Het una via-beginsel is voor het belastingrecht gecodificeerd in artikel 5:44 Awb, waarin staat dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Niet in geschil is echter dat de Inspecteur bij het corrigeren van de aanslag IB/PVV 2018 geen fiscale boete aan belanghebbende heeft opgelegd. Schending van het una via-beginsel kan zich derhalve niet hebben voorgedaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Fishing expedition</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23.</nr>
      <para>Volgens belanghebbende is sprake van een “fishing expedition” naar informatie over de UBO van [Ltd. 1]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24.</nr>
      <para>De vorderingen tot verstrekking van informatie omtrent de uiteindelijk gerechtigde van [Ltd. 1] (zie 5.3) betreffen vorderingen van de politie die zijn gericht tot de FIOD/Belastingdienst in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar belanghebbende. Het Hof acht aannemelijk dat die vorderingen gegevens hebben opgeleverd die zijn opgenomen in de bewijsbijlagen bij het strafvonnis. De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslag 2018 op dat strafvonnis met bewijsbijlagen gebaseerd. Dit is evenwel slechts dan niet toegestaan indien het gaat om strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (zie bijvoorbeeld HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154, r.o. 4.3.2). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25.</nr>
      <para>Een ‘fishing expedition’ levert strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs op (vgl. EHRM 4 oktober 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé/Nederland, par. 76 en HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1562, BNB 2024/26, r.o. 3.5.3). Het moet dan gaan om een geval waarin de autoriteiten pogen een verdachte te dwingen om bewijs te verstrekken van strafbare feiten die hij zou hebben begaan door hem te verplichten documenten te verstrekken waarvan zij geloven dat zij moeten bestaan, hoewel ze dat niet zeker weten. De vorderingen van de politie waarnaar belanghebbende verwijst zijn echter niet tot hem (of een andere verdachte) gericht en kunnen daarom geen ontoelaatbare ‘fishing expedition’ vormen. Reeds daarop stuit de grief van belanghebbende af. Het Hof voegt daaraan toe dat in het strafvonnis van 22 mei 2019 met geen woord wordt gerept van onrechtmatig verkregen bewijs.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.26.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de Rechtbank het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Bij de beoordeling van deze stelling stelt het Hof voorop dat de Rechtbank geen bestuursorgaan is en derhalve niet gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wel dient de belastingrechter de door partijen aangevoerde gronden en verweren te onderzoeken (vgl. HR 19 maart 1919, B. 2233 en HR 17 mei 1961, ECLI:NL:HR:1961:AX8198, BNB 1961/180) en de gronden van zijn beslissing op te nemen in zijn uitspraak (artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, Awb). Naar het oordeel van het Hof is de Rechtbank is in haar uitspraak (uitgebreid) ingegaan op alle beroepsgronden van belanghebbende en heeft zij aldus inzicht verschaft in de door haar gevolgde gedachtegang. De omstandigheid dat belanghebbende zich niet kan vinden in de uitspraak van de Rechtbank doet daaraan niet af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onbehoorlijk bestuur</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.27.</nr>
      <para>Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, is het Hof van oordeel dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Bovendien heeft belanghebbende aan zijn stelling geen rechtsgevolgen verbonden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.28.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten en griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Doordat belanghebbende in hoger beroep voor zichzelf heeft opgetreden, ziet het Hof geen aanleiding voor een toekenning van een aanvullende proceskostenvergoeding voor het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De Inspecteur dient wel het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht € 138 aan belanghebbende te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht is toegekend;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de aanslag 2018 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.801;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <para>X. Evers	C. Maas</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing is op 4 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>