<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:51:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-25/459</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2025:9766" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:9766, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/2589</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025122303</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0017</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2026/24</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2026/193 met annotatie van mr. F.R. Andringa</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2026/9.29.20</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2574">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-22T13:09:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2574 Gerechtshof Den Haag , 26-11-2025 / BK-25/459</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2574:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugbetalingsverplichting na voorlopige aanslagen IB/PVV 2022. Vertrouwensbeginsel niet geschonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2574:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-25/459</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 26 november 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 mei 2025, nummer SGR 24/5362.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>	De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de</para>
        <para>inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is € 51 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 143 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 juni 2025, op 13 oktober 2025 en op 14 oktober 2025 (in totaal drie) nadere stukken ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In 2022 heeft belanghebbende achtereenvolgens bij vier verschillende werkgevers gewerkt. Daarnaast heeft belanghebbende een uitkering van het UWV ontvangen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voor het jaar 2022 meermaals (nadere) voorlopige aanslagen IB/PVV aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur meerdere (nadere) voorlopige aanslagen IB/PVV opgelegd en belastingteruggaven verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft vervolgens een aangifte IB/PVV 2022 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530. De Inspecteur heeft een nadere voorlopige aanslag (met kenmerk […] ) conform de aangifte opgelegd. Op grond van deze aanslag diende belanghebbende € 5.220 IB/PVV terug te betalen. De Inspecteur heeft daarna een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd, wederom conform de aangifte, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.530.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“8. Ter zitting is komen vast te staan dat niet in geschil is dat de aanslag juist is vastgesteld en dat daaruit volgt dat eiser de eerder ontvangen voorlopige aanslagen ten bedrage van € 5.220 alsnog verschuldigd is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Eiser stelt dat hij naar aanleiding van een van de voorlopige aanslagen telefonisch contact had opgenomen met verweerder om er zeker van zijn dat die voorlopige aanslag juist was vastgesteld, en dat hem daarbij is geantwoord dat de voorlopige aanslagen en dus ook de teruggaven daarop correct zijn vastgesteld.</para>
      <para />
      <para>10. De rechtbank vat deze stelling van eiser op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep faalt. Naar vaste jurisprudentie kan niet rechtens te beschermen vertrouwen worden ontleend aan een voorlopige aanslag als zodanig.[1] Dat kan pas als de belastingplichtige uit uitlatingen van de inspecteur of uit bijzondere bijkomstige omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen afleiden van de inspecteur weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zoals ter zitting is komen vast te staan, heeft verweerder bij het telefoongesprek verweerder niet meer gezegd dan dat de voorlopige aanslagen kloppen met de door eiser ingediende verzoeken om voorlopige aanslagen. Daaraan kan niet worden ontleend dat verweerder een weloverwogen standpunt had ingenomen over de elementen van de op te leggen definitieve aanslag.</para>
      <para />
      <para>11. De rechtbank begrijpt hoe vervelend het is voor eiser om te worden geconfronteerd met de terugbetalingsverplichting, vooral omdat hij het bedrag van € 5.220 al had besteed en een lening heeft moeten aangaan om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen, maar dat maakt de aanslag niet onjuist en levert geen grond op voor vernietiging daarvan.</para>
      <para />
      <para>12. De terugbetalingsverplichting is ontstaan doordat de werkgevers van eiser te weinig loonbelasting hebben ingehouden en/of doordat onjuiste voorlopige aanslagen zijn gedaan. Daarvan kan verweerder geen verwijt worden gemaakt. Omdat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld, is veroordeling van hem tot vergoeding van schade niet aan de orde.</para>
      <para />
      <para>13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[1] Hoge Raad, 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In geschil is of de aanslag IB/PVV 2022 juist is vastgesteld. Belanghebbende heeft in dat verband een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Daarnaast is in geschil of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2022. Daarnaast verzoekt belanghebbende om een schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de aanslag IB/PVV 2022 niet juist is vastgesteld en hij daarom het bedrag van € 5.220 IB/PVV niet hoeft terug te betalen. Belanghebbende doet in dat verband een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het Hof overweegt dat naar vaste jurisprudentie geen vertrouwen kan worden ontleend aan een voorlopige aanslag. Een voorlopige aanslag schept immers slechts een grondslag voor het doen van een vooruitbetaling of een teruggaaf op de definitieve belastingschuld en deze pleegt te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige teruggaaf ligt een grondig onderzoek van de inspecteur derhalve niet voor de hand. Op de voorlopige aanslag is ook vermeld dat deze is gebaseerd op een inschatting en dat daaraan geen rechten voor een eventuele definitieve aanslag kunnen worden ontleend. Deze regel lijdt echter uitzondering indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, r.o. 3.3). In dit geval is gesteld noch gebleken dat hiervan sprake is. De telefonische bevestiging van een medewerker van de Belastingdienst dat de laatste nadere voorlopige aanslag (met kenmerk […] ) conform de aanvraag was opgelegd, valt niet onder voornoemde uitzonderingssituatie. Het feit dat de Inspecteur daarnaast bij het opleggen van een eerdere voorlopige aanslag een hoger bedrag aan ingehouden loonheffing heeft berekend dan uiteindelijk is ingehouden, kan om diezelfde reden ook niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Belanghebbende doet ook een beroep op de menselijke maat, die naar zijn gevoel ontbreekt indien hij het volledige bedrag van € 5.220 moet betalen. Belanghebbende wijst erop dat hij altijd naar eer en geweten heeft gehandeld. Hoewel het Hof begrijpt dat het systeem van de voorlopige aanslagen belanghebbende heeft verward en hij zich daardoor onverwacht geconfronteerd heeft gezien met een terugbetalingsverplichting, is er zonder wettelijke grondslag geen ruimte voor het Hof om anderszins tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Gelet op wat hiervoor is overwogen, verklaart het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding dient te worden beoordeeld in het licht van het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (oud), welke bepaling ingevolge artikel V van de Wet nadeelcompensatie bij onrechtmatige besluiten op het onderhavige verzoek van toepassing is (Kamerstukken II, 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 58). Op grond van deze bepaling kan de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt, indien daarvoor gronden zijn. In dit geval heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, zodat aan de vorenbedoelde voorwaarde van een gegrond beroep niet is voldaan. Dit betekent dat het Hof het verzoek om schadevergoeding afwijst. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A.S.H.M. Strik	P.C. van den Brink</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 26 november 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>