<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2414</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T11:35:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.359.315/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2414">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2414</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T11:33:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2414 Gerechtshof Den Haag , 04-11-2025 / 200.359.315/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2414:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep WSNP. Toewijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Beroep op hardheidsclausule slaagt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2414:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG       </bridgehead>
    <para>Civiel recht</para>
    <para>Team Handel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.359.315/01</para>
      <para>Rekestnummer rechtbank	: C/10/697073 / FT RK 25/516 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest van 4 november 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend in [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante],</para>
      <para>advocaat: mr. P.A. Loeff kantoorhoudend in Barendrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij verzoekschrift (met bijlagen) ingekomen op de griffie van het hof op 18 september 2025, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2025, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft verder kennis genomen van het door [appellante] nog overgelegde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025, waarbij zijn verschenen: [appellante], bijgestaan door haar advocaat, en [naam], de beschermingsbewindvoerder van [appellante].</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van het hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [appellante] heeft op 31 maart 2025, tezamen met een verzoek ingevolge artikel 287a Faillissementswet (Fw) (verzoek tot oplegging van een dwangakkoord), een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen. [appellante] heeft alleen tegen het vonnis tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hoger beroep ingesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). Daarbij heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat de schuld van € 46.109,61 aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) een fraudeschuld is, die is ontstaan doordat [appellante] heeft nagelaten de SVB tijdig en juist te informeren. [appellante] woonde samen met haar moeder die een AOW-uitkering en een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) ontving. Na het overlijden van haar moeder in oktober 2018 (in Suriname, toevoeging hof) zijn de AOW- en AOI-uitkering gedurende ruim vijf jaar ten onrechte op de gezamenlijke rekening van [appellante] en haar moeder uitbetaald. [appellante] heeft nagelaten de SVB juist en tijdig te informeren over het overlijden van haar moeder en dat valt [appellante] te verwijten, aldus de rechtbank. Daarbij komt dat [appellante] deze onterechte betalingen niet heeft gereserveerd en de bedragen derhalve niet meer beschikbaar waren voor terugbetaling en dat zij niet heeft geprobeerd om een betalingsregeling te treffen met de SVB, maar zich in plaats daarvan direct tot schuldhulpverlening heeft gewend. Volgens de rechtbank zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [appellante] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en vindt dat de rechtbank de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw had moeten toepassen. Ter onderbouwing daarvan heeft zij het volgende aangevoerd. Bij beschikking van 19 maart 2024 is het vermogen van [appellante] onder beschermingsbewind gesteld. Met hulp van de bewindvoerder is de onterechte ontvangst van de AOW-uitkering stopgezet en is een hogere bijstandsuitkering en een hoger bedrag aan huurtoeslag aangevraagd. Ook zijn de inkomsten en uitgaven van [appellante] in balans gebracht. Deze nieuwe financiële situatie bestaat nu al meer dan een jaar en het gaat goed. Met hulp van de beschermingsbewindvoerder worden de vaste lasten tijdig voldaan. [appellante] werkt overal goed aan mee en zij geeft gehoor aan alle verzoeken van de beschermingsbewindvoerder of andere instanties. Ook heeft zij goed meegewerkt aan het schuldhulpverleningstraject. [appellante] is laaggeschoold en kampt sinds haar geboorte met medische klachten (polio). Sinds 1997 ontvangt zij een bijstandsuitkering. Gelet op haar medische situatie, de afwezigheid van werkervaring en haar leeftijd (65 jaar), is er geen reëel vooruitzicht op een inkomensverbetering. Gelet op de hoogte van de schulden is haar situatie uitzichtloos te noemen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het budgetplan van [appellante] rond is, dat haar financiële situatie stabiel is, dat er gespaard wordt voor onvoorziene uitgaven en dat er een betalingsregeling is getroffen met de verhuurder maar dat er daardoor geen financiële ruimte is om gelden te reserveren voor de overige schuldeisers. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Volgens de verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw is sprake van een schuldenlast van € 56.888,99. Daarvan heeft een bedrag van € 46.109,61 betrekking op een schuld aan de SVB. Het hof stelt vast dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de schuld aan de SVB niet te goeder trouw is ontstaan of onbetaald gelaten. De zaak richt zich in hoger beroep daarom uitsluitend op de vraag of het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw slaagt en zo ja, of aan de overige voorwaarden van artikel 288 lid 1 Fw is voldaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat uit de stukken, de ter zitting nader toegelichte omstandigheden van [appellante], en de door de beschermingsbewindvoerder gegeven toelichting op het verloop van het beschermingsbewind, voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. <?linebreak?>[appellante] staat sinds maart 2024 onder beschermingsbewind. De financiële situatie van [appellante] is stabiel en de bewindvoerder heeft bevestigd dat het bewind goed verloopt en de communicatie tussen [appellante] en de bewindvoerder goed is. [appellante] heeft bewezen dat zij kan rondkomen van het haar toegekende weekgeld. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt dan ook.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Het hof stelt verder vast dat aan de overige voorwaarden uit artikel 288 lid 2 Fw is voldaan. Het is voldoende aannemelijk dat [appellante] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden (sub a), omdat zij leeft van een bijstandsuitkering en het niet de verwachting is dat zij voor haar AOW-gerechtigde leeftijd nog ander inkomen zal verwerven. Gelet op het goede verloop van het beschermingsbewind is ook voldoende aannemelijk dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (sub b). Het hof zal daarom het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toewijzen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2025; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. G.B. Plomp, D.A. Schreuder en J.S. Honée, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>