<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-05T16:04:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/688</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:9832" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:9832, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2144">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-05T16:03:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2144 Gerechtshof Den Haag , 08-07-2025 / BK-24/688</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2144:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag bpm. VWEU. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Bevoegdheid tot naheffen bpm. Geen schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Geen aanleiding voor verdere vermindering van de naheffingsaanslag. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Aanpassing proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De vergoeding van immateriële schade is juist vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2144:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-24/688</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 8 juli 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] )</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juni 2024, nummer SGR 22/4348.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.127 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de aanslag is een beschikking belastingrente van € 54 opgelegd (de beschikking belastingrente).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.843 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;</para>
      <para>- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 600;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 900;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €2.060;</para>
      <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;</para>
      <para>- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 7 januari 2025. Belanghebbende heeft een nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 25 april 2025 alsmede op 12, 13, 16 en 26 mei 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 36.815 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz S 65 AMG (de auto). De datum van eerste toelating is 18 mei 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 349.515 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 159.840. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.377 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 153.463. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 83.862 (CO2-uitstoot van 325 gr/km).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft een bedrag van € 8.127 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 22 mei 2019. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 351.717 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 192.632 (AutotelexPro (Marge)). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 192.632 (afschrijving van 45,23%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 83.862 (CO2-uitstoot van 325 gr/km). De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 981 toegepast. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Schending artikel 110 van het VWEU</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (Wet Bpm) is Bpm verschuldigd terzake van de registratie van een personenauto in het kentekenregister. De Bpm betreft een binnenlandse belasting. Artikel 110 van het VWEU verbiedt de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, hogere binnenlandse belastingen te heffen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Voor de hoogte van de verschuldigde Bpm moet worden uitgegaan van de waarde van de auto ten tijde het belastbare feit. In artikel 10 van de Wet Bpm is geregeld hoe voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde Bpm wordt bepaald. Die regeling houdt in dat op het bij de personenauto behorende bedrag aan Bpm, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2 van de Wet Bpm, een vermindering in acht wordt genomen vanwege de gebruikte staat. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. Op de belastingplichtige rust de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering.[1] Artikel 110 van het VWEU verzet zich niet daartegen.[2] Door de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende methoden ter bepaling van de vermindering, biedt de in de Wet Bpm opgenomen regeling de mogelijkheid om te komen tot een heffing van Bpm die in overeenstemming is met artikel 110 van het VWEU.[3] Eiseres heeft gekozen voor een aangifte met een taxatierapport. Het door eiseres overgelegde taxatierapport kan, gelet op hetgeen hierna onder 11 tot en met 13 en 15 is overwogen, echter niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Het beroep dat eiseres in dit kader doet op artikel 110 van het VWEU, faalt dan ook.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naheffen na belastbaar feit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiseres stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting terzake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 van het VWEU.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiseres bij brief van 24 december 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strijd met het Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[4].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leemte in de wetgeving</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiseres heeft gewezen op een door haar geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiseres immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat het taxatierapport van eiseres kennelijk niet de toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijft. Alleen als dat het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld.</para>
    <bridgehead role="italic">Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ</bridgehead>
    <para>10. Eiseres heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het door DRZ opgestelde rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto.</para>
    <para>In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.[5] </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Eiseres dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet aangetroffen door DRZ. Nu eiseres de schadetaxatie van DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken, is eiseres niet geslaagd in het van haar te vergen bewijs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 8 van de Uitvoeringsregeling het motorrijtuig gedurende zes dagen na de indiening van de aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden teneinde het motorvoertuig te tonen. Dat eiseres, zoals zij stelt, al eerder was begonnen met schadeherstel, kan verweerder niet worden tegengeworpen.</para>
    <para />
    <para>12. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Nog daargelaten dat DRZ geen schade heeft vastgesteld, heeft eiseres ook niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.</para>
    <para />
    <para>13. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade, behoeft de stelling van eiseres met betrekking tot de reparatietarieven geen behandeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Eiseres stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023,[6] op het standpunt dat de historische nieuwprijs van de auto moet worden vastgesteld op basis van de netto cataloguswaarde van de auto vermeerderd met de omzetbelasting op het tijdstip van levering en de Bpm die zou zijn verschuldigd op het tijdstip van eerste ingebruikneming.</para>
    <para>15. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. De wijze waarop de taxateur de handelsinkoopwaarde heeft vastgesteld is ondeugdelijk, bij controle door DRZ is geen schade of alleen gebruikersschade vastgesteld. Eiseres heeft deze constatering niet (gemotiveerd) weersproken. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport. Volgens het hiervoor onder 5 beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Verweerder heeft echter een praktijk ontwikkeld, waarbij in gevallen als het onderhavige, eerst wordt bezien of op basis van de door DRZ vastgestelde feiten de werkelijke afschrijving bij benadering kan worden vastgesteld. De naheffing wordt gebaseerd op de voor de belastingplichtige meest gunstige uitkomst. In dit geval is verweerder voor de naheffing uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 45,24% en niet van het afschrijvingspercentage van 32,33% dat volgens de afschrijvingstabel van toepassing zou zijn. Verweerder heeft vastgesteld dat de voor eiseres meest gunstige uitkomst is de vaststelling op basis van de koerslijst AutotelexPRO (marge). Verweerder is uitgegaan van het tarief van 2019 en heeft rekening gehouden met het feit dat de tenaamstelling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019 en een extra leeftijdskorting van € 981 toegekend. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat bij het rapport onderzoek waardebepaling een uitdraai van de Eurotax koerslijst is bijgevoegd van 21 mei 2019, met een inkoopwaarde van het voertuig van € 200.554. De vermindering in verband met markt-/dealersituatie is bij deze waardebepaling niet toegepast, maar tussen partijen is niet in geschil dat de Eurotax koerslijst tot 4 oktober 2021 deze mogelijkheid wel kende. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat geen rekening gehouden is met de Marktsituatie handelaar/ Marktsituatie voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde ten behoeve van het vaststellen van de afschrijving voor de Bpm, omdat het niet gaat om een eigenschap van de auto. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in de uitspraak van 15 november 2019[7] heeft geoordeeld dat met de waardeverminderende factor ‘marktsituatie handelaar’ rekening mag worden gehouden bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de referentieauto, omdat anders niet is uitgesloten dat in strijd met artikel 110 van het VWEU een hogere belasting wordt geheven op het ingevoerde voertuig dan de belasting die nog rust op binnenlandse auto’s. Omdat het bij de vaststelling van de waardevermindering op basis van de koerslijst niet gaat om een individuele waardebepaling van de in te voeren auto door een deskundige, snijdt de opmerking van verweerder dat de deskundige van DRZ kennelijk geen reden heeft gezien om in deze situatie rekening te houden met de marktsituatie handelaar geen hout. Tot 4 oktober 2021 was de marktsituatie handelaar een van de factoren die een rol speelden bij de waardevaststelling volgens de Eurotax koerslijst. Daarbij is ook niet van belang dat de marktsituatie handelaar, zoals verweerder stelt, geen eigenschap van de auto is. Eiseres stelt dus terecht dat uit de Eurotax koerslijst een lagere handelsinkoopwaarde van de auto volgt. Rekening houdend met een vermindering van 15%, komt de handelsinkoopwaarde uit op € 170.470. Afgezet tegen de historische nieuwprijs van € 351.717 is het afschrijvingspercentage 51,54%, de verschuldigde belasting is dan</para>
    <para>€ 40.639, minus de extra leeftijdskorting van € 981, € 39.658, zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.843.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">CO2 uitstoot</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>16. Eiseres stelt dat uit onderzoeken door KPMG en TNO (de onderzoeken) volgt dat als gevolg van de overgang per 1 september 2017 van de NEDC-meetmethode naar de WLTP-meetmethode de CO2-uitstoot voor de auto dient te worden verlaagd met 7,3 gram/km. Met de enkele verwijzing naar de algemene conclusies uit de onderzoeken heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in de aangifte van een te hoge uitstoot is uitgegaan. Ook overigens heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is aangesloten bij de door eiseres in haar aangifte vermelde CO2-uitstoot van 325 gram per kilometer. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding van een lagere uitstoot uit te gaan dan eiseres in de aangifte heeft vermeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leeftijdskorting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>17. Eiseres heeft in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden is voor toepassing van extra leeftijdskorting. Dit terwijl er, naar verweerder ook aangeeft, reeds een extra leeftijdskorting van € 981 is toegepast. De bewijslast voor belastingverlagende omstandigheden rust op eiseres.[8] Die bewijsregel geldt ook indien de Bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiseres heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Zij heeft geen berekeningen overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Prejudiciële vragen en bevoegdheid rechtbank Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>18. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
    <para />
    <para>19. Eiseres heeft verder nog gesteld dat nationale (rechterlijke) instanties onbevoegd zijn het recht van de Unie (bindend en rechtsgeldig) uit te leggen en heeft daarvoor verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 22 februari 2022.[9] </para>
    <para>20. Dit standpunt van eiseres is juridisch onjuist en praktisch onuitvoerbaar. De rechtbank is gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt de rechtbank zich.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rentebeschikking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>21. De rentebeschikking dient overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag, zoals hiervoor onder 15 is overwogen, te worden verminderd. Op grond van artikel 30ha, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting bestaat er geen recht op vergoeding van belastingrente bij de vermindering van een naheffingsaanslag. Voor zover de naheffingsaanslag reeds is betaald en eiseres rente vergoed wil hebben over de teruggaaf van het teveel betaalde bedrag, zal zij zich tot de ontvanger moeten wenden. Binnen deze procedure kan een dergelijk verzoek niet worden behandeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd naar € 2.843.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 2 april 2021 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 11 juni 2024 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase (afgerond) drie jaar en drie maanden heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en drie maanden.</para>
    <para />
    <para>24. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtiging volgt dat schadevergoedingen aan de gemachtigde moeten worden uitbetaald, maar niet dat ze aan hem toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan.[10] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. De termijnoverschrijding is voor negen maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor zes maanden aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 900 (9/15e deel) te vergoeden en de Staat dient een bedrag van € 600 (6/15e deel) te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006[11], leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiseres recht heeft op een vergoeding van € 1.000 tot € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd alsmede dat zij recht heeft op een “bonus” van € 2.000.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>26. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.060 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde € 310, 1 punt van het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 1.</para>
    <para />
    <para>27. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van eiseres dat aan artikel 47 van het Handvest een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiseres heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het haar onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>28. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt. Eiseres heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter, nog daargelaten dat slechts eenmaal (in de zaak SGR 22/5567) griffierechten is geheven in verband met de samenhang van de zaken. Ook anderszins is geen belemmering gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijke rente en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>29. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt uitbetaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.</para>
      <para>[2] vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.</para>
      <para>[3] vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.5.</para>
      <para>[4] ECLI:NL:HR:2022:1277</para>
      <para>[5] vgl. gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1404, r.o. 5.6.2</para>
      <para>[6] ECLI:NL:HR:2023:1703</para>
      <para>[7] ECLI:NL:HR:2019:1783</para>
      <para>[8] ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318</para>
      <para>[9] EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72</para>
      <para>[10] ECLI:NL:GHDHA:2023:1451</para>
      <para>[11] ECLI:NL:XX:2006:AW8901”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende en tot het juiste bedrag is opgelegd en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de (immateriële)schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende omdat de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uitstel van de zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.1.</nr>
      <para>De gemachtigde van belanghebbende heeft meermaals verzocht om aanhouding van de zaak wegens een ongeluk en de daarbij opgelopen sleutelbeenbreuk, gekneusde ribben en schouder. Het Hof heeft de verzoeken afgewezen, omdat de medische verklaringen die de gemachtigde heeft overgelegd niet helemaal duidelijk zijn over de precieze beperkingen die de gemachtigde op de datum van de zitting zou hebben. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de gemachtigde in alle zeven zaken van deze zitting uitvoerige nadere stukken heeft ingediend, zodat bij het Hof verwarring ontstond over in hoeverre de gemachtigde aan een zitting kon deelnemen. Het Hof heeft uit de motivering begrepen dat vooral de reis van [buitenland] naar Den Haag een probleem vormde. Het Hof vond dit niet voldoende voor uitstel, omdat het altijd mogelijk is om een alternatieve manier van vervoer te regelen of om iemand te vragen als chauffeur te dienen. Bij dit besluit heeft ook meegewogen dat de gemachtigde heel veel zaken heeft en het niet altijd mogelijk is om genoeg zittingsruimte in zijn agenda te reserveren. Het Hof is verplicht om zaken binnen een redelijke termijn af te doen, zodat het belang van tijdige rechtspraak ook in het nadeel van de gemachtigde heeft gewerkt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.2.</nr>
      <para>Uiteindelijk is de gemachtigde op tijd verschenen, gebracht door zijn echtgenote, en heeft de gemachtigde een zeer uitvoerig betoog gehouden over alle zaken. Uiteindelijk zijn de zaken volledig behandeld en heeft het Hof alle informatie gekregen om de zaken – waaronder deze – af te doen. De overige verzoeken om uitstel dan wel aanhouding zijn gebaseerd op juridische argumenten. De belangen van belanghebbende zijn door de afwijzing van het uitstelverzoek niet geschaad, wat de belangrijkste constatering is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.2.</nr>
      <para>De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens overwegingen 18 tot en met 20 heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4, en HvJ EU 5 juli 2016, Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Gerechtshof 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638 en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1918).</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 6 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, ook nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Ook deze stelling van belanghebbende faalt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heffingsmodaliteiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto’s, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde, personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Indien en voor zover belanghebbende klaagt over schending van de hoorplicht in bezwaar, verwijst het Hof naar overweging 7 van de uitspraak van de Rechtbank. Dit standpunt faalt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 110 VWEU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.6.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 110 van het VWEU, meer specifiek omdat het opleggen van de naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel. Deze stelling van belanghebbende, wordt verworpen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.2.</nr>
        <para>Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto’s. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie naheffingsaanslag</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor verdere vermindering van de naheffingsaanslag. Indien belanghebbende rente vergoed wil hebben over de verleende vermindering, dient zij zich te wenden tot de ontvanger. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de belastingrente, behoeft geen bespreking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.8.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.2.</nr>
        <para>De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.3.</nr>
        <para>Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):</para>
        <para>- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;</para>
        <para>- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en</para>
        <para>- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.4.</nr>
        <para>Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde (Gerechtshof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Kostenvergoeding in bezwaar</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.9.1.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft in haar nader stuk in hoger beroep om een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase verzocht. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.9.2.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat zij recht heeft op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verzoek vergoeding van (immateriële) schade</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.10.1.</nr>
        <para>De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd, vermeerderd met € 2.000 voor het gewicht van de zaak. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.10.2.</nr>
        <para>Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Daarbij is gelet op het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Het hoger beroep is, uitsluitend gelet op rechtsoverweging 5.9.2, gegrond.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten en griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op <?linebreak?>€ 1.294 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het Hof laat de beslissing van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding in beroep in stand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 181,40 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,1  € 907). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde, een no cure no pay bureau, heeft zich in zijn beroepschrift en hogerberoepschrift overwegend bediend van standaardgrieven, zodat niet aannemelijk is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Van strijd met het Unierecht is evenmin sprake. Het Hof kent voor het als conclusie van repliek/pleitnota aangeduide stuk geen procespunt toe, omdat belanghebbende voor de indiening daarvan geen toestemming heeft gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale proceskostenvergoeding. Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen de Rechtbank heeft overwogen in overweging 27 van haar uitspraak. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep te worden vergoed. Het Hof laat de beslissing omtrent de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van de Rechtbank in stand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat, gelijk reeds onder 5.8.4 overwogen, geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake de proceskosten in bezwaar; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar tot een bedrag van € 1.294;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 181,40;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, E.P.A. Brakeboer en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>T.S.K.L. Tjon	A. van Dongen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 8 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>